Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:8631 ECLI:NL:RBDHA:2019:8631 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:8631 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:8631
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL19.14779 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiseres, (gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. E. van Hoof). Procesverloop Bij besluit van 25 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een asielvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.14780, plaatsgevonden op 25 juli 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Syrische nationaliteit. Zij heeft op 11 april 2019 in Nederland een asielverzoek ingediend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:8631 · Rechtbank Den Haag: Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Op grond van artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit, kan de aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard indien de vreemdeling een zodanige band heeft met dat land, dat het voor hem of haar redelijk zou zijn om terug te keren naar dat land.

Keywords

AI generated
asylum for Syrian nationals refugee status temporary protection foreign resident rights international protection grounds for asylum

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:1253
201607681/1/V3. Datum uitspraak: 9 mei 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 5 oktober 2016 in zaak nr. 16/20135 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 6 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2019:2484
201901239/1/V3 Datum uitspraak: 18 juli 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 februari 2019 in zaak nr. NL19.398 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 2 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2013:1606
201207086/1/V4. Datum uitspraak: 14 oktober 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 22 juni 2012 in zaak nr. 12/6620 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL19.14779 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiseres, (gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. E. van Hoof). Procesverloop Bij besluit van 25 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een asielvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.14780, plaatsgevonden op 25 juli 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Syrische nationaliteit. Zij heeft op 11 april 2019 in Nederland een asielverzoek ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat uit de registratie in Eurodac is gebleken dat eiseres sinds 22 augustus 2017 internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiseres heeft met de door haar op 17 april 2019 overgelegde e-mailcorrespondentie met de Duitse gemeente Lörrach van 11 maart 2019 niet onderbouwd dat haar asielstatus in Duitsland is ingetrokken. Verweerder heeft daarnaast op 11 juni 2019 aan de Duitse autoriteiten een terugnameverzoek gedaan op grond van de Dublinverordening, waarin deze e-mailcorrespondentie is bijgevoegd. Bij brief van 18 juni 2019 hebben de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek geweigerd omdat aan eiseres op 29 oktober 2016 een asielstatus is verleend. Hieruit blijkt dat eiseres nog steeds internationale bescherming geniet.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij geen internationale bescherming in Duitsland meer geniet, omdat zij op 11 november 2018 vrijwillig Duitsland is uitgereisd om haar familie in Syrië te kunnen bezoeken. Haar Duitse vluchtelingenstatus (Flüchtlingseigenschaft) en haar verblijfsvergunning (Aufenthaltstitel) zijn daarom van rechtswege op 17 december 2018 komen te vervallen. Als een vluchteling is teruggekeerd naar zijn land van herkomst, kan een asielstatus ook zonder expliciet intrekkingsbesluit vervallen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij wederom verwezen naar de door haar overgelegde e-mailcorrespondentie. Eiseres meent dat zij mag afgaan op de informatie verstrekt door de ambtenaar, werkzaam voor de gemeente Lörrach van de afdeling burgerzaken buitenlanders (Fachbereich Bürgerdienste Ausländerangelegenheiten). De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Op grond van artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit, kan de aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard indien de vreemdeling een zodanige band heeft met dat land, dat het voor hem of haar redelijk zou zijn om terug te keren naar dat land.

5. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de Duitse autoriteiten op 29 oktober 2016 aan eiseres de asielstatus hebben verleend. Voorts is niet in geschil dat eiseres op 11 november 2018 Syrië is ingereisd en op 9 april 2019 Syrië is uitgereisd. In geschil is of eiseres nog altijd internationale bescherming geniet in Duitsland.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiseres deze internationale bescherming nog altijd geniet. Anders dan eiseres heeft betoogd, is uit de door haar overgelegde e-mailcorrespondentie met de gemeente Lörrach niet gebleken dat de Duitse autoriteiten haar vluchtelingenstatus hebben ingetrokken of beëindigd. In Duitsland is de Bundesambt für Migration und Flüchtelinge (BAMF) de bevoegde instantie om een verleende status te verlenen of in te trekken, en niet de gemeente. Daarnaast volgt uit de brief van de Duitse autoriteiten van 18 juni 2019 dat zij in reactie op de overgelegde e-mailcorrespondentie uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven dat zij aan eiseres internationale bescherming hebben verleend. In deze brief wordt voorts meegedeeld dat de Dublinverordening daarom niet langer van toepassing is, en dat in plaats daarvan bilaterale afspraken van toepassing zijn. Verzocht wordt contact op te nemen met de Duitse Federale Grenspolitie.

7. Eiseres wordt ook niet gevolgd in haar stelling dat uit artikel 72 van de Duitse asielwet (§ 72 Asylgesetz) volgt dat haar vluchtelingenstatus van rechtswege is ingetrokken. Uit artikel 14, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn blijkt immers dat de lidstaat die de vluchtelingenstatus heeft verleend per geval aantoont dat de betrokken persoon geen vluchteling meer is of dat nooit is geweest.

8. Eiseres heeft voorts in haar nadere gronden van 24 juli 2019 een artikel van 12 december 2012 overgelegd van de wetenschappelijke dienst van de Duitse Bondsdag over artikel 51 van de Duitse verblijfsvergunningswet (§ 51 Aufenthaltsgesetz). Hieruit zou volgens eiseres blijken dat als een statushouder uitreist zonder daarvoor tijdelijk een reden te geven, de verblijfsvergunning komt te vervallen. Anders dan eiseres kennelijk veronderstelt, brengt het verlopen van een verblijfstitel niet met zich mee dat eiseres geen internationale bescherming meer heeft. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 mei 2017 en van 18 juli 2019. Een internationale beschermingsstatus eindigt namelijk alleen na een individuele beoordeling en daarvan is in het geval van eiseres niet gebleken. Eiseres wordt dan ook niet gevolgd in haar standpunt dat verweerder nader onderzoek had dienen te doen.

9. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat zij een sterkere band heeft met Nederland dan met Duitsland, omdat haar moeder en broer in Nederland wonen. Nu vaststaat dat eiseres nog altijd internationale bescherming in Duitsland geniet, heeft verweerder, gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling, terecht aangenomen dat eiseres een zodanige band met Duitsland heeft dat het voor haar redelijk zou zijn om naar dat land te gaan.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Richtlijn 2011/95/EU ECLI:NL:RVS:2017:1253 en ECLI:NL:RVS:2019:2484 Waaronder de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1606