Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:8580 ECLI:NL:RBDHA:2019:8580 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:8580 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:8580
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team insolventies – enkelvoudige kamer rekestnummer: C/09/577049 / FT RK 19/1009 uitspraakdatum: 20 augustus 2019 [verzoeker], wonende te [adres] [postcode en woonplaats], verzoeker, heeft op 15 juli 2019 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift is op 20 augustus 2019 behandeld. Verzoeker, vergezeld van [X], schuldhulpverlener, is gehoord. Ingevolge artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet (Fw) wordt het verzoek slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

Legislator headnote

AI generated

artikel 288 lid 3 Fw; ECLI:NL:RBDHA:2019:8580 · Rechtbank Den Haag: Het verzoekschrift is op 20 augustus 2019 behandeld. Verzoeker, vergezeld van [X], schuldhulpverlener, is gehoord. Ingevolge artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet (Fw) wordt het verzoek slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

Keywords

AI generated
hardship exception financial hardship remission of debt validity of debt recognition creditworthiness contractual obligation clause

Cited Legislation

AI generated
artikel 288 lid 3 Fw
De rechtbank verwerpt het beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team insolventies – enkelvoudige kamer rekestnummer: C/09/577049 / FT RK 19/1009 uitspraakdatum: 20 augustus 2019 [verzoeker], wonende te [adres] [postcode en woonplaats], verzoeker, heeft op 15 juli 2019 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift is op 20 augustus 2019 behandeld. Verzoeker, vergezeld van [X], schuldhulpverlener, is gehoord. Ingevolge artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet (Fw) wordt het verzoek slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

Deze goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de verzoeker wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers te frustreren en dergelijke. Een van de schulden is een fraudevordering van de gemeente Den Haag.

Die vordering is in 2015 ontstaan en bedraagt € 8.876,68 (terugvordering € 5.546,68 en boete € 3.330,-). Ook in 2014 was reeds een dergelijke vordering ontstaan. Beide keren ging het om het niet opgeven van inkomsten terwijl verzoeker een Participatiewetuitkering ontving en beide keren werkte verzoeker bij dezelfde onderneming. Verzoeker had zich er van bewust moeten zijn dat zijn handelen in 2015 wederom tot een fraudevordering zou leiden en hij heeft klaarblijkelijk dit risico voor lief genomen. Deze schuld is ontstaan binnen vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend.

Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan van de hier bedoelde schuld aan de gemeente Den Haag te goeder trouw is geweest. De rechtbank verwerpt het beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw. Niet is gebleken van onder controle gekregen omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan van de schulden. Het gaat hier immers om gedragsaspecten en niet duidelijk is gemaakt op welke wijze die aspecten zijn veranderd. Wel is ter terechtzitting naar voren gebracht dat het ontstaan van de schulden mede te maken heeft met de onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal, doch niet is gebleken dat hierin verbetering is gebracht.

Verzoeker verblijft naar eigen zeggen 21 jaar in Nederland en hem is door de schuldhulpverlening geadviseerd een Nederlandse taalcursus te gaan volgen, doch ter terechtzitting is gebleken dat hij dit advies niet heeft opgevolgd. Het vorenstaand maakt dat het verzoek zal worden afgewezen. BESLISSING De rechtbank: - wijst af het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van: [verzoeker] geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats], Turkije, wonende te [adres] [postcode en woonplaats]. Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2019 in tegenwoordigheid van mr.

A.S. Snel, griffier. De verzoeker heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag dat van deze zaak kennis moet nemen.