Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:8231 ECLI:NL:RBDHA:2019:8231 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:8231 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:8231
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/209 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 augustus 2019 in de zaak tussen [EISER] , te [PLAATS] , eiser (gemachtigde: mr. L. Brouwers), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. M.J.F.P. Larive-Bonsen). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [VERGUNNINGHOUDSTER] , te [PLAATS] , vergunninghoudster (gemachtigden: mr. S.H. van den Ende en mr. M. van Harten). Procesverloop Bij besluit van 29 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de realisering van een appartementencomplex aan de [ADRES] te Scheveningen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2019:8231 · Rechtbank Den Haag: Toepasselijkheid Crisis- en herstelwet 5. Het bouwplan maakt de bouw van meer dan elf woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk, zodat ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet op het bestreden besluit van toepassing is. Omvang van het geding 6. Ter zitting heeft eiser de beroepsgronden die zien op flora en fauna en planschade ingetrokken. Dit betekent dat deze gronden buiten beschouwing blijven. Voorbereiding van het bestreden besluit 7.1. Eiser voert aan dat hij, als omwonende, onvoldoende betrokken is bij de voorbereiding van het besluitvormingsproces.

Keywords

AI generated
decision not to raise objections opposition proceedings standing against building permit objection to debt enforcement environmental protection concerns approval of municipal regulations

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank ziet zich ambtshalve allereerst geplaatst voor de vraag of eiser belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:737
201504206/1/A4. Datum uitspraak: 16 maart 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te [woonplaats], 2. de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Vereniging Bungalowpark De Boschberg U.A. (hierna: De Boschberg), gevestigd te Biddinghuizen, gemeente Dronten, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 april 2015 in zaken nrs. 15/4, 15/116, 15/155 en 15/257, in het geding tussen onder meer: [appellant sub 1], De Boschberg, en het college van burgemeester en wethouders van Dronten.
ECLI:NL:RVS:2017:2271
201604695/1/A1. Datum uitspraak: 23 augustus 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant] en anderen, wonend te Mechelen, gemeente Gulpen-Wittem, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 mei 2016 in zaak nr. 14/3317 in het geding tussen: [appellant] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem. Procesverloop Bij besluit van 5 november 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om handhavend op te treden tegen het mestbassin op het perceel aan de [locatie 1], te Mechelen (hierna: het perceel), afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2019:2318
201802676/1/A1. Datum uitspraak: 10 juli 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Almere, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 februari 2018 in zaak nr. 17/2309 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Almere. Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 13 september 2016 heeft het college aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] omgevingsvergunningen verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van de panden op de percelen [locatie 1] respectievelijk [locatie 2] te Almere (hierna: de percelen).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/209 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 augustus 2019 in de zaak tussen [EISER] , te [PLAATS] , eiser (gemachtigde: mr. L. Brouwers), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. M.J.F.P. Larive-Bonsen). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [VERGUNNINGHOUDSTER] , te [PLAATS] , vergunninghoudster (gemachtigden: mr. S.H. van den Ende en mr. M. van Harten). Procesverloop Bij besluit van 29 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de realisering van een appartementencomplex aan de [ADRES] te Scheveningen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Vergunninghoudster heeft haar zienswijze naar voren gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2019. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met zaaknummers SGR 18/8389, SGR 19/194, SGR 19/213, SGR 19/220, SGR 19/288, SGR 19/303, SGR 19/304 en SGR 19/444. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door L.H. Mantel en ing. J. Jansen.

Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden en door [A] en [B] . Overwegingen 1.1. Op 23 december 2016 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd. Deze aanvraag ziet op het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de nieuwbouw van een appartementencomplex met 70 woningen en 83 parkeerplaatsen aan de [ADRES] te Scheveningen. 1.2. Verweerder heeft de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd, als bedoeld in paragraaf 3.3. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Op 8 juni 2018 heeft verweerder een ontwerpbesluit van 5 juni 2018 in het Gemeenteblad gepubliceerd.

Eiser heeft hiertegen tijdig een zienswijze ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Verweerder heeft hierbij toepassing gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12., eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit de bij de afdeling Archeologie en het Hoogheemraadschap van Delfland ingewonnen adviezen blijkt dat beide geen bezwaar hebben tegen het bouwplan. Verweerder heeft gebruik gemaakt van de algemene verklaring van geen bedenkingen. Aan de vergunning is de voorwaarde verbonden dat daarvan pas gebruik mag worden gemaakt nadat de antennesystemen van de vuurtoren verplaatst zijn naar een alternatieve locatie die de schriftelijke instemming heeft van de Kustwacht.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe – kort en zakelijk weergegeven – aan dat de omgevingsvergunning, gelet op de hierna te bespreken gronden, niet verleend had mogen worden. Belanghebbendheid 4.1. De rechtbank ziet zich ambtshalve allereerst geplaatst voor de vraag of eiser belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 4.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt verstaan onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 4.3.

Zoals door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is overwogen in haar uitspraak van 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:737) moet, wil er sprake zijn van belanghebbendheid als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. In haar uitspraak van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2271) heeft de Afdeling een nadere invulling van het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ gegeven en daartoe onder meer overwogen dat uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit (zoals een bestemmingsplan of een vergunning) toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit.

Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. 4.4. De woning van eiser is gelegen aan de [ADRES] , hetgeen betekent dat zijn woning zich bevindt in de directe nabijheid van het bouwplan. Gelet op de omvang en de ruimtelijke uitstraling van het project, bestaat geen grond voor het oordeel dat voor eiser gevolgen van enige betekenis ontbreken, zodat hij als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Toepasselijkheid Crisis- en herstelwet 5. Het bouwplan maakt de bouw van meer dan elf woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk, zodat ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet op het bestreden besluit van toepassing is. Omvang van het geding 6. Ter zitting heeft eiser de beroepsgronden die zien op flora en fauna en planschade ingetrokken. Dit betekent dat deze gronden buiten beschouwing blijven. Voorbereiding van het bestreden besluit 7.1. Eiser voert aan dat hij, als omwonende, onvoldoende betrokken is bij de voorbereiding van het besluitvormingsproces.

Hij heeft geen mogelijkheid gehad om invloed uit te oefenen op de totstandkoming van de Nota van Uitgangspunten (NvU) en heeft hierbij geen inspraakmogelijkheid gehad, terwijl de NvU als ruimtelijke onderbouwing van het bestreden besluit fungeert. Op 2 april 2015 heeft weliswaar een informatiebijeen-komst plaatsgevonden, maar dit was meer een voorlichtingsavond dan een inspraakavond. Vervolgens werd de NvU gepresenteerd als een voldongen feit, daarom ontbeert de NvU democratische legitimiteit. Het bestreden besluit is dan ook onzorgvuldig voorbereid. 7.2.

De rechtbank begrijpt dat eiser zich betrokken voelt bij planologische ontwikkelingen in zijn directe woon- en leefomgeving. Er is echter geen rechtsregel die vereist dat een beleidskader als de NvU aan inspraak wordt onderworpen. Het staat verweerder immers vrij om beleid te voeren en de inhoud daarvan te bepalen. Overigens blijkt uit het verslag dat van de informatiebijeenkomst op 2 april 2015 is gemaakt dat daar ruimte was voor vragen en reacties van de aanwezigen. Naast het verslag bevat de NvU een overzicht met de gestelde vragen en een reactie daarop van verweerder.

Verder heeft eiser een zienswijze kunnen indienen tegen het ontwerpbesluit, van welke mogelijkheid hij ook gebruik heeft gemaakt. Van een ondeugdelijke voorbereiding van het bestreden besluit is dan ook geen sprake. De beroepsgrond faalt. Bestemmingsplan 8.1. Ter plaatse van de bouwplanlocatie is het bestemmingsplan ‘Scheveningen Haven’ van kracht en geldt de enkelbestemming ‘Kantoor’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ en ‘Waterstaat – Waterkering’. Ingevolge artikel 22.1. van de planregels zijn de voor ‘Kantoor’ aangewezen gronden bestemd voor kantoor.

Ingevolge artikel 22.2.1. van de planregels gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels: a. de gebouwen dienen te worden gebouwd binnen het daartoe op de verbeelding aangegeven bouwvlak; b. de bouwhoogte van de gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven. Op grond van artikel 42.2. van de planregels geldt dat, op de voor ‘Waterstaat-Waterking’ aangewezen gronden, ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen in afwijking van het bepaalde in de bouwregels van de samenvallende bestemmingen geen bouwwerken waarvoor grondroering vereist is, zijn toegestaan. 8.2.

De rechtbank stelt vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat het bouwplan in strijd is met de artikelen 22.1., 22.2.1.,onder a en b, en 42.2. van de planregels. 8.3. Verweerder heeft met toepassing van artikel 2.12., eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwplan verleend. 8.4. De rechtbank overweegt dat de beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3ᵒ, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan, behoort tot de bevoegdheid van verweerder, waarbij verweerder beleidsruimte heeft.

De rechtbank toetst of verweerder in redelijkheid tot het besluit om al dan niet de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, heeft kunnen komen. Zie voorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2318. Ruimtelijke onderbouwing 9.1. Eiser bestrijdt dat het bestreden besluit berust op een goede ruimtelijke onderbouwing. Deze behelst niet meer dan een verwijzing naar de NvU. De omvang van het te realiseren appartementencomplex is, stedenbouwkundig gezien, niet passend in de omgeving. Door zijn hoogte levert het bouwplan een onevenredige inbreuk op van het woon- en leefklimaat van eiser en wordt het zicht op de vuurtoren aangetast.

Dit vrije zicht is een cultuurhistorische waarde die gerespecteerd moet worden. Volgens NvU is een overgangszone verplicht, maar hier is niet aan voldaan. Voorts heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden dat de toename aan verkeersbewegingen zal leiden tot grote verkeersonveiligheid, aangezien de wegen smal zijn en de parkeerdruk hoog is. Ook kunnen de extra verkeersbewegingen schade aan de woning van eiser veroorzaken, aangezien het extra verkeer meer trillingen oplevert. Ten slotte is niet de juiste parkeernorm gehanteerd.

De parkeerdruk is in de buurt erg hoog. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser namens hem aangevoerd dat bij het bepalen van de toepasselijke parkeernorm gekeken had moeten worden naar het inkomen van de mensen voor wie de te realiseren woningen bedoeld zijn en had niet zonder meer aangesloten moeten worden bij de parkeernorm voor de stad. 9.2.1. Verweerder heeft toegelicht dat de geplande bebouwing op een afstand van 11 meter van het Vuurtorenensemble wordt gesitueerd. Dat is een grotere afstand dan in de huidige situatie. Verder zijn de bovenste twee verdiepingen van het bouwplan vormgegeven als zogenaamde ‘set-backs’.

Hierdoor komt de vuurtoren, ten opzichte van de huidige situatie, losser te staan van de bebouwing eromheen, hetgeen optisch verstrekt wordt door de trapsgewijze opbouw van de bovenste twee verdiepingen. 9.2.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat op deze wijze een toereikende invulling heeft gegeven aan de in de NvU opgenomen notie dat binnen de mogelijkheden van de bouwenvelop een overgang gemaakt dient te worden naar de schaal van het Vuurtorenensemble. In de NvU zijn daar verder geen criteria over opgenomen. Ook overigens is niet gebleken dat verweerder de stedenbouwkundige onderbouwing niet in redelijkheid op deze manier heeft kunnen vormgeven.

Eiser heeft zijn standpunten op dit vlak niet onderbouwd met een stedenbouwkundig tegenadvies. De beroepsgrond slaagt dan ook niet. 9.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wegen rondom het pand aan de [ADRES] voldoen aan de CROW-normen wat betreft wegbreedte en weginrichting en dus berekend zijn op normaal verkeersgebruik. Verder heeft verweerder ter zitting aangegeven niet bekend te zijn met problemen wat betreft verkeersveiligheid in de omgeving van het plangebied. Eiser heeft geen gegevens of een deskundigenonderzoek ingebracht op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van het voorgaande.

Voor zover eiser tevens stelt dat sprake is van trillinghinder bij toename van het verkeer, heeft hij dit standpunt niet nader onderbouwd. Het betoog faalt derhalve. 9.4. Ten aanzien van de toepasselijke parkeernorm merkt de rechtbank op dat blijkens de ‘Nota Parkeernormen Den Haag’ (parkeernota) de grootte van de woning bepalend is voor de toepasselijke parkeernorm. De rechtbank acht deze methode niet onredelijk. Voor de [ADRES] is de parkeernorm voor het gebied ‘Stad’ van toepassing. Ter zitting heeft vergunninghoudster naar voren gebracht dat de parkeerbehoefte voor het bouwplan, op basis van de parkeernota, berekend is op 68 parkeerplaatsen.

Dit komt overeen met de berekening in paragraaf 6.11 van de ruimtelijke onderbouwing, waar de parkeerbehoefte van de bewoners berekend is op 46,9 parkeerplaatsen en die van de bezoekers op 21 parkeer-plaatsen. De rechtbank ziet geen reden om aan deze berekening te twijfelen. Nu het plan voorziet in de aanleg van 83 parkeerplaatsen op eigen terrein wordt ruimschoots aan de parkeernorm voldaan. De beroepsgrond faalt.

10. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit berust op een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning kunnen verlenen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzitter, en mr. O.M. Harms en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in aanwezigheid van mr. R.A.E. Bach, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2019. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.