Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:6449 ECLI:NL:RBDHA:2019:6449 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:6449 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:6449
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.5480 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser (gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp), en de minister van Justitie en Veiligheid , verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Procesverloop Op 9 maart 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn opvolgende asielaanvraag van 15 augustus 2018. Bij besluit van 10 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:75a van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2019:6449 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit 5. Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een asielaanvraag buiten behandeling worden gesteld in de zin van artikel 28 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag.

Keywords

AI generated
Iraqi asylum application reassessment of asylum claim applicability of immigration law asylum of Sri Lankan nationals deportation in asylum proceedings unworthiness of asylum

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:75a van de Awb
Artikel 8:75a van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:2098
201701568/1/V1. Datum uitspraak: 28 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 januari 2017 in zaak nr. 16/17018 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 4 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
ECLI:NL:RVS:2019:574
de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken over de elementen ter staving van zijn aanvraag, bedoeld in artikel 31, tweede en derde lid, Vw; […] Ad 1 Hierbij kan gedacht worden aan het niet reageren op nadere (schriftelijke) vragen. […] Kennisgevingsformulier model M35-O […] 3 Reden(en) voor het opnieuw indienen van een asielaanvraag > Kruis aan welke situatie(s) van toepassing is/zijn. Voeg de gevraagde toelichting(en) bij het formulier op een apart vel papier. Jurisprudentie • Stuur de betreffende uitspraak mee • Geef aan waarom deze uitspraak ook op u van toepassing is Gewijzigd beleid • Specifieke verwijzing naar de betreffende beleidswijziging (brief aan de Tweede Kamer, Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire of anderszins) • Geef aan waarom deze beleidswijziging ook op u van toepassing is Nieuwe documenten/bewijsmiddelen • Stuur het betreffende document/bewijsmiddel mee (origineel inclusief vertaling) • Geef aan hoe u in het bezit bent gekomen van dit document/bewijsmiddel • Geef aan wanneer u in het bezit bent gekomen van dit document/bewijsmiddel • Geef aan waarom u het document/bewijsmiddel niet eerder hebt ingediend • Geef aan op welke wijze dit document/bewijsmiddel op u van toepassing is en waarom dit voor u reden is om opnieuw een asielaanvraag te willen indienen Nieuwe gebeurtenis/informatie • Geef aan welke nieuwe informatie u hebt verkregen en wanneer • Geef aan welke nieuwe gebeurtenis zich heeft voorgedaan en wanneer • Stuur eventuele bewijsmiddelen mee om de nieuwe informatie of nieuwe gebeurtenis te onderbouwen (origineel inclusief vertaling) • Geef aan waarom u deze informatie/gebeurtenis niet eerder naar voren hebt gebracht • Geef aan waarom deze informatie/gebeurtenis op u van toepassing is en waarom dit voor u reden is om opnieuw een asielaanvraag te willen indienen […]
ECLI:NL:RVS:2018:4232
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.5480 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser (gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp), en de minister van Justitie en Veiligheid , verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Procesverloop Op 9 maart 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn opvolgende asielaanvraag van 15 augustus 2018. Bij besluit van 10 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld.

Eisers eerder tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag ingestelde beroep van 9 maart 2019 heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het besluit van 10 april 2019. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.8755, plaatsgevonden op 16 mei 2019.Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum]. Eiser heeft op 15 augustus 2018 met een kennisgevingsformulier, model M35-O, een opvolgende asielaanvraag ingediend.

Op dit formulier heeft hij als reden voor de nieuwe asielaanvraag aangekruist “Gewijzigd beleid” en daarbij vermeld “nieuwe WI 2018/10 en verdieping geloof”.

2. Verweerder heeft eisers aanvraag bij het bestreden besluit buiten behandeling gesteld. Eiser heeft volgens verweerder nagelaten te reageren op de in het kennisgevingsformulier geformuleerde vragen ter nadere toelichting en onderbouwing van de opvolgende aanvraag. Omdat eiser het formulier dus niet volledig en duidelijk heeft ingevuld, heeft verweerder eiser in het voornemen in de gelegenheid gesteld om binnen één week alsnog de ontbrekende informatie te verstrekken. Verweerder heeft aangekondigd dat het niet tijdig reageren op dit verzoek kan leiden tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Volgens verweerder heeft eiser in zijn zienswijze van 9 april 2019 geen op de zaak toegespitste toelichting gegeven waarom WI 2018/10 in zijn geval tot een ander oordeel moet leiden, heeft eiser niet nader toegelicht waarom zijn gestelde geloofsgroei tot een ander oordeel moet leiden en zijn de door eiser aangekondigde stukken niet overgelegd.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag 4. Eiser heeft op 15 augustus 2018 middels het formulier M35-O een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft verweerder op 21 februari 2019 in gebreke gesteld, omdat verweerder heeft nagelaten tijdig te beslissen op zijn aanvraag. Vervolgens heeft eiser op 9 maart 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn opvolgende asielaanvraag. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat de beslistermijn voor de opvolgende asielaanvraag van 15 augustus 2018 is verstreken en dat de ingebrekestelling is verzonden naar het juiste faxnummer van verweerder, zodat eiser beroep heeft kunnen instellen tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser het beroep tegen het niet tijdig beslissen ingetrokken met het verzoek om een proceskostenveroordeling. Anders dan verweerder, ziet de rechtbank aanleiding om aan eiser een proceskostenvergoeding toe te kennen. Verweerder heeft immers te laat beslist op de aanvraag en verweerder is deugdelijk in gebreke gesteld. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor van 0,5).

De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit 5. Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een asielaanvraag buiten behandeling worden gesteld in de zin van artikel 28 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag.

6. Op grond van artikel 3.45b, eerste lid, van het VV kan de asielaanvraag buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, onder a, van de Vw, indien de vreemdeling twee keer heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken over de elementen ter staving van zijn aanvraag, als bedoeld in artikel 31, tweede en derde lid, van de Vw.

7. De rechtbank is van oordeel dat eiser met het door hem ingediende kennisgevingsformulier, model M35-O, waarop hij als reden voor de nieuwe asielaanvraag heeft aangekruist “Gewijzigd beleid” en daarbij heeft vermeld “nieuwe WI 2018/10 en verdieping geloof”, geen complete aanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft eiser terecht in het voornemen in de gelegenheid gesteld om zijn onvolledige aanvraag te completeren. Eiser heeft in zijn zienswijze van 17 oktober 2018 geschreven dat WI 2018/10 is gewijzigd in die zin dat er nu compensatie plaatsvindt tussen de drie genoemde pijlers. Daarnaast is sprake van een verdieping in het geloofsleven en is hij beter in staat om overtuigend te verklaren over zijn motieven voor en het proces van bekering. Eiser kondigt aan dat hij zijn dagboek, waarin hij per dag omschrijft wat het geloof met hem doet meeneemt naar het gehoor. Ook kondigt eiser een zeer gedetailleerd onderzoeksverslag van de voorganger van zijn kerk aan.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat deze reactie niet voldoende is voor het in behandeling nemen van de opvolgende aanvraag. Met een enkele verwijzing naar de nieuwe WI 2018/10 en de stelling dat sprake is van geloofsgroei en eiser nu beter kan verklaren over zijn bekering, heeft eiser de gevraagde informatie niet verstrekt. Dat verweerder zijn werkwijze met betrekking tot opvolgende asielaanvragen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2018, onaangekondigd – en voor eiser geheel onverwacht – heeft gewijzigd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat in dit geval sprake is van onzorgvuldige besluitvorming.

Eiser is in het voornemen gewezen op de onvolledigheid van de aanvraag en heeft de mogelijkheid gehad om dit gebrek te herstellen. Dat eiser in zijn zienswijze melding maakt van een dagboek en een onderzoeksverslag, laat onverlet dat eiser gehouden is om deze informatie bij het indienen van zijn opvolgende asielaanvraag te overleggen. Eiser kiest immers zelf het moment van indienen van de aanvraag en heeft voldoende tijd om alle informatie ter staving van zijn opvolgende asielaanvraag te vergaren. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 15 mei 2019 slaagt niet, omdat in die zaak – anders dan bij eisers – bij de zienswijze afzonderlijke brieven zijn overgelegd waarin de aanvraag nader is toegelicht, er een aantal kopieën van bladzijden uit een dagboek zijn overgelegd en diverse verklaringen ter onderbouwing van de aanvraag zijn meegestuurd.

9. Eisers beroep op artikel 6 en 13 van het EVRM, artikel 14 van de Procedurerichtlijn, het arrest van het Hof van 4 oktober 2018 in de zaak Fathi en de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018 slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet, omdat het eiser vrijstaat een nieuwe (volledige) aanvraag in te dienen.

10. De rechtbank concludeert dat verweerder de opvolgende aanvraag van eiser terecht buiten behandeling heeft gesteld.

11. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit ongegrond; veroordeelt verweerder voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen op eisers aanvraag in de proceskosten tot een bedrag van € 512 (vijfhonderdentwaalf euro), te betalen aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier. griffier rechter Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Ook genoemd: Hassanzade. Daaronder wordt mede begrepen: diens rechtsvoorgangers. Algemene wet bestuursrecht. Werkinstructie. Vreemdelingenwet 2000. Kopie van eisers dagboek en een zeer gedetailleerd onderzoeksverslag van de voorganger. Artikel 8:75a van de Awb. Richtlijn (EU) nr. 2013/32. Voorschrift Vreemdelingen 2000. ECLI:NL:RVS:2018:2098. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:574. NL19.9787. Zie rechtsoverweging 2.4. van de uitspraak. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.

Hof van Justitie van de Europese Unie. C-56/17, ECLI:EU:C:2018:803. ECLI:NL:RVS:2018:4232.