Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:6446 ECLI:NL:RBDHA:2019:6446 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:6446 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:6446
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.6623 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser (gemachtigde: mr. J.M. Walls), en de minister van Justitie en Veiligheid , verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Procesverloop Op 22 maart 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn opvolgende asielaanvraag van 5 september 2018. Bij besluit van 29 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:6446 · Rechtbank Den Haag: Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft eisers beroep van 22 maart 2019 van rechtswege mede betrekking op het besluit van 29 april 2019. Ter zitting heeft eiser het beroep dat ziet op het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag ingetrokken, zodat alleen de beroepsgronden tegen het bestreden besluit zullen worden beoordeeld.

Keywords

AI generated
unreasonableness of return to Afghanistan asylum for afghan nationals proof of persecution risk post-flight political activities revocation of refugee status credibility of asylum claims

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:2715
201701536/1/V2. Datum uitspraak: 6 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 23 januari 2017 in zaak nr. 16/2819 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 20 januari 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2017:2848
201702707/1/V2. Datum uitspraak: 19 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 maart 2017 in zaak nr. NL16.554 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 18 maart 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2018:915
201708886/1/V2. Datum uitspraak: 21 maart 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 16 oktober 2017 in zaak nr. NL17.1729 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 21 maart 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2018:3176
201806537/1/V2. Datum uitspraak: 1 oktober 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 juli 2018 in zaak nr. NL18.3779 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 26 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.6623 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser (gemachtigde: mr. J.M. Walls), en de minister van Justitie en Veiligheid , verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Procesverloop Op 22 maart 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn opvolgende asielaanvraag van 5 september 2018. Bij besluit van 29 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eisers beroep van 22 maart 2019 heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het besluit van 29 april 2019. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.9952, plaatsgevonden op 16 mei 2019.Eiser is ter zitting verschenen samen met zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt de Afghaanse nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum]. Eiser heeft op 22 november 2015 een asielaanvraag ingediend, waaraan hij ten grondslag heeft gelegd dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid problemen vreest bij terugkeer naar zijn land.

Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 24 mei 2017 afgewezen als ongegrond. Het tegen dit besluit ingediende beroep is bij uitspraak van 30 november 2017 van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, ongegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak op 23 maart 2018 bevestigd, waarmee het besluit van 24 mei 2017 in rechte vast is komen te staan.

2. Op 5 september 2018 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 29 oktober 2018 meegedeeld voornemens te zijn eisers asielaanvraag buiten behandeling te stellen, omdat sprake is van een onvolledige aanvraag en eiser een termijn gegeven om zijn aanvraag te completeren. Eiser verklaart in zijn zienswijze van 31 oktober 2018 dat hij homoseksueel is en hij legt ter onderbouwing daarvan een verklaring van het COC Twente-Achterhoek over van 25 oktober 2018. Verder beroept eiser zich op de verslechterde veiligheidssituatie in Afghanistan. Bij brief van 24 januari 2019 bericht verweerder dat eisers asielaanvraag niet buiten behandeling wordt gesteld. Bij brief van 7 maart 2019 stelt eiser verweerder in gebreke, nu niet tijdig is beslist op zijn asielaanvraag. Op 22 maart 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Bij besluit van 29 april 2019 heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.

3. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft eisers beroep van 22 maart 2019 van rechtswege mede betrekking op het besluit van 29 april 2019. Ter zitting heeft eiser het beroep dat ziet op het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag ingetrokken, zodat alleen de beroepsgronden tegen het bestreden besluit zullen worden beoordeeld.

4. De rechtbank stelt voorop dat in de vorige procedure in rechte vast is komen te staan dat eiser zijn gestelde homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Allereerst is in geschil of eiser zijn geaardheid alsnog geloofwaardig heeft kunnen maken. Homoseksuele gerichtheid geloofwaardig? 5. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. Eiser is gehoord door een zeer ervaren contactambtenaar, die alle vereiste cursussen voor het horen van kwetsbare personen gevolgd heeft. Daarnaast heeft verweerder eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag voldoende in de gelegenheid gesteld zijn gestelde homoseksuele gerichtheid toe te lichten en vooral om toe te lichten wat er veranderd is ten opzichte van de vorige procedure. Verweerder heeft daarbij terecht opgemerkt dat het aan eiser zelf is om uit te leggen waarom zijn situatie nu anders is. Dat heeft eiser niet gedaan.

6. Verder heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid nog steeds niet geloofwaardig zijn. De verklaring van het COC is opgesteld op verzoek van eiser, zodat al om die reden aan deze verklaring niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Verder bevestigt die verklaring slechts dat eiser enkele gesprekken heeft gevoerd bij het COC en enkele bijeenkomsten heeft bijgewoond. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat verklaringen over activiteiten of verklaringen van bekenden niet maken dat de gestelde seksuele gerichtheid van de vreemdeling als geloofwaardig aangemerkt moet worden.

Dergelijke informatie kan weliswaar dienen als ondersteuning van een gestelde seksuele gerichtheid, maar dit laat onverlet dat de vreemdeling (ook) zelf tegenover verweerder aan de hand van zijn verklaringen zijn seksuele gerichtheid aannemelijk moet maken. Ook de nieuwe WI 2018/9 leidt niet tot een andere uitkomst. Bij de beoordeling van onderhavige asielaanvraag heeft verweerder de werkwijze zoals neergelegd in WI 2018/9 toegepast. WI 2018/9 vervangt per 1 juli 2018 WI 2015/9. In WI 2018/9 wordt (nog steeds) primair gekeken naar het authentieke, individuele verhaal op basis van eigen verklaringen van de vreemdeling, waarbij ook andere informatie in het dossier bij de besluitvorming wordt betrokken.

7. De beroepsgronden die betrekking hebben op de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers gestelde homoseksuele gerichtheid, treffen dus geen doel. Situatie in Afghanistan 8. Eiser voert tot slot aan dat in het gebied waaruit hij afkomstig is, namelijk het district Karabach in de provincie Ghazni in Afghanistan, sprake is van een algemene situatie van onveiligheid, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarbij heeft eiser in beroep verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 7 mei 2019 en de daarin genoemde landeninformatie. In de zienswijze heeft eiser verwezen naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 15 januari 2019, van 4 april 2019 en van 9 april 2019.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in Afghanistan in het algemeen en in de provincie Ghazni in het district Karabach in het bijzonder, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 21 maart 2018 en 1 oktober 2018. In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat er in Afghanistan geen sprake van een situatie als hiervoor bedoeld. De enkele verwijzing naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Rotterdam en Haarlem, is onvoldoende. Eiser heeft niet specifiek aangegeven waarom de landeninformatie waarop in die procedures een beroep is gedaan op zijn situatie van toepassing is. Daarbij komt dat verweerder terecht heeft opgemerkt dat de vreemdelingen in die procedures afkomstig zijn uit de districten Muqur en Khwaja Omari en niet – zoals eiser – uit het district Karabach. Slotsom.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier. griffier rechter Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Daaronder wordt mede begrepen: diens rechtsvoorgangers. Algemene wet bestuursrecht. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Vreemdelingenwet 2000. Algemene wet bestuursrecht. Uitspraken van de Afdeling van 6 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2715 en van 19 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2848. Werkinstructie. Richtlijn nr. (EU) 2011/95. NL17.5708. NL18.23723 en NL18.23726. NL19.5412. NL19.5913. ECLI:NL:RVS:2018:915. ECLI:NL:RVS:2018:3176.