Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:6378 ECLI:NL:RBDHA:2019:6378 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:6378 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:6378
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL19.8819 en NL19.8821 V-nummers: [nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam], eiser, [naam] , eiseres, gezamenlijk te noemen eisers, en hun minderjarige kinderen: [naam] , geboren op [geboortedatum], [naam] , geboren op [geboortedatum], [naam] , geboren op [geboortedatum], (gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. V.D. Schreuder). Procesverloop Bij twee afzonderlijke besluiten van 15 april 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2019:6378 · Rechtbank Den Haag: De stelling van eisers dat de algehele situatie in Servië zodanig is dat dit land voor Roma niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, volgt de rechtbank niet. Servië is aangewezen als een veilig land van herkomst, omdat in dit land wet- en regelgeving bestaat die behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat deze wet- en regelgeving wordt toegepast, en er een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is. Dit gaat ook op voor mensen met een Roma-achtergrond. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraken van de Afdeling van onder meer 12 januari 2017 en 3 augustus 2017.

Keywords

AI generated
Roma asylum application unlawful entry government violence fire safety security risk european security

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
Servië is aangewezen als een veilig land van herkomst, omdat in dit land wet- en regelgeving bestaat die behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:13
201607703/1/V1. Datum uitspraak: 12 januari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 oktober 2016 in zaken nrs. 16/20492, 16/20499 en 16/20582 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, onder wie [vreemdeling 3] (hierna: de vreemdelingen) en de staatssecretaris.
ECLI:NL:RVS:2017:2115
201609551/1/V1. Datum uitspraak: 3 augustus 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 13 december 2016 in zaak nr. 16/26212 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 14 november 2016 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RBDHA:2017:15056
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: [zaaknummer], V-nummer: [nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2017 in de zaak tussen [eiseres], eiseres, gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde: mr. W. Vrooman. Procesverloop Bij besluit van 7 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen M.S. Katwijk, tolk. Overwegingen 1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Cubaanse nationaliteit.
ECLI:NL:RBNHO:2018:385
ECLI:NL:RBDHA:2017:15056 ECLI:NL:RBNHO:2018:385
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL19.8819 en NL19.8821 V-nummers: [nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam], eiser, [naam] , eiseres, gezamenlijk te noemen eisers, en hun minderjarige kinderen: [naam] , geboren op [geboortedatum], [naam] , geboren op [geboortedatum], [naam] , geboren op [geboortedatum], (gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. V.D. Schreuder). Procesverloop Bij twee afzonderlijke besluiten van 15 april 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Verder is eisers opgedragen Nederland onmiddellijk dienen te verlaten en is een inreisverbod tegen eisers uitgevaardigd voor de duur van twee jaar. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL19.8820 en NL19.8822, plaatsgevonden op 1 mei 2019. Eisers zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eisers stellen van Servische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum].

Zij hebben op 4 april 2019 een asielaanvraag ingediend.

2. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: - de identiteit, nationaliteit en herkomst; - eisers en hun gezin werden vanwege hun Roma-afkomst lastiggevallen door Serviërs; - de woning van eisers is afgebrand; - eisers veronderstellen dat de brand is aangestoken door Serviërs die het op hen en hun gezin gemunt hadden, vanwege hun Roma-afkomst.

3. Verweerder heeft de aanvragen van eisers op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw als kennelijk ongegrond afgewezen. Verweerder acht de herkomst, identiteit en de gestelde nationaliteit van eisers geloofwaardig, evenals hun verklaringen dat zij en hun gezin in enige mate werden lastiggevallen door Serviërs en dat hun woning is afgebrand. De verklaring van eisers dat de woningbrand is aangestoken door Serviërs acht verweerder niet geloofwaardig. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat Servië voor eisers als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt.

4. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd zal hierna worden ingegaan.

5. De stelling van eisers dat de algehele situatie in Servië zodanig is dat dit land voor Roma niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, volgt de rechtbank niet. Servië is aangewezen als een veilig land van herkomst, omdat in dit land wet- en regelgeving bestaat die behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat deze wet- en regelgeving wordt toegepast, en er een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is. Dit gaat ook op voor mensen met een Roma-achtergrond. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraken van de Afdeling van onder meer 12 januari 2017 en 3 augustus 2017.

Uit deze uitspraken valt af te leiden dat Roma het in Servië inderdaad moeilijk hebben, zoals ook is gebleken uit de algemene informatie die eisers naar voren hebben gebracht. Uit die informatie is echter niet gebleken van discriminatie en geweld tegen Roma op een dermate grote schaal, dat Servië geen veilig land van herkomst voor hen is. Uit de recentere algemene informatie die eisers hebben overgelegd, blijkt niet dat de situatie voor Roma sindsdien wezenlijk is verslechterd. Verweerder heeft dan ook terecht het standpunt ingenomen dat Servië ook voor Roma als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt.

6. Gelet op het voorgaande bestaat er een algemeen rechtsvermoeden dat de Servische autoriteiten effectieve bescherming kunnen bieden. Eisers dienen daarom aannemelijk te maken dat Servië in hun specifieke geval geen bescherming wil of kan bieden tegen ernstige discriminatie. Daarbij dienen eisers aan te tonen dat het bij voorbaat zinloos is om de autoriteiten te verzoeken om hulp.

7. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat Servië in hun specifieke geval zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en daarom ten aanzien van hen niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Verweerder heeft daartoe kunnen overwegen dat eisers ten aanzien van Servië niet hebben aangetoond dat zij bij terugkeer te maken krijgen met problemen van dien aard dat sprake is van een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren.

Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat uit de verklaringen van eisers blijkt dat zij nimmer problemen met de Servische autoriteiten hebben gehad, dat aan hen identificerende documenten zijn verstrekt, dat eiser in zijn levensonderhoud kon voorzien door het verzamelen en verkopen van afval, dat eisers toegang hadden tot onderwijs en medische voorzieningen en dat zij zijn geholpen door hulpinstanties wanneer zij daar een beroep op deden. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn kinderen geen toegang tot onderwijs zullen krijgen. Eiser heeft immers verklaard dat kinderen in Servië vanaf hun zevende jaar naar de basisschool gaan en dat zijn kinderen nog niet zijn ingeschreven bij een school omdat zij nog niet de leeftijd van zeven jaar hebben bereikt.

8. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat eisers en hun gezinsleden niet hebben waargenomen dat de woningbrand daadwerkelijk is ontstaan door brandstichting, dat er geen andere getuigen zijn en dat dit evenmin uit het proces-verbaal van de politie blijkt. De stelling dat Serviërs de brand hebben aangestoken, omdat eisers vaker werden lastig gevallen en uitgescholden door Serviërs en ook uit algemene bronnen blijkt dat Servië een klimaat van haat en geweld tegen Roma kent, heeft verweerder terecht onvoldoende concreet geacht. Eisers kunnen immers niet aangegeven welke Serviërs hen uitscholden en of het steeds dezelfde Serviërs waren.

Daarnaast heeft verweerder eisers kunnen tegenwerpen dat zij geen aangifte van de brandstichting en een vervolgonderzoek van de politie hebben overgelegd. De stelling dat de politie geen onderzoek doet omdat zij Roma zijn, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit het proces-verbaal juist blijkt dat de politie, de brandweer en de officier van justitie zijn verschenen en dat de politie een vervolgonderzoek is gestart. Verder duidt de omstandigheid dat eisers na de brandstichting nog vier maanden in Servië zijn gebleven er niet op dat zij vrees voor de Serviërs hadden.

9. De stellingen van eisers, dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van een onhoudbare situatie voor eisers in Servië en onvoldoende heeft onderzocht of door de autoriteiten in het algemeen bescherming wordt geboden, volgt de rechtbank niet. Uit het vorenstaande blijkt dat verweerder wel degelijk heeft onderzocht of Servië de verdragsverplichtingen ten aanzien van eisers nakomt en of er beschermingsmogelijkheden zijn. De verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 11 december 2017 en zittingsplaats Haarlem van 18 januari 2018, faalt daarom.

10. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de aanvragen heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. De beroepen zijn ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet 2000 Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ECLI:NL:RVS:2017:13 ECLI:NL:RVS:2017:2115 Gehoor veilig land van herkomst, pagina 15. ECLI:NL:RBDHA:2017:15056 ECLI:NL:RBNHO:2018:385