Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:5263 ECLI:NL:RBDHA:2019:5263 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:5263 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:5263
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 18/7781 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2019 in de zaak tussen [EISER], wonende te [PLAATS], eiser(gemachtigde: mr. H. Verbeek), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 27 september 2018 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2019. Namens eiser zijn verschenen de gemachtigde en [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C]. Op de zitting is tevens behandeld het beroep van [X] met zaaknummer SGR 18/7792. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Eiser drijft samen met [X] (de medevennoot), een vennootschap onder firma (vof). Beide vennoten zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de winst en het vermogen In 2016 hebben zij gezamenlijk een bedrag van € 128.018 in bedrijfsmiddelen van de vof geïnvesteerd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2019:5263 · Rechtbank Den Haag: Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder bij het opleggen van de aanslag een te laag bedrag aan KIA in aanmerking heeft genomen. Volgens eiser bedraagt de KIA, met inachtneming van de in artikel 3.41, tweede lid, van de Wet geformuleerde rekenregels voor beide vennoten € 13.852 en niet (afgerond) de helft daarvan. Hij verwijst hierbij naar de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 november 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:5282).

Keywords

AI generated
private investment dividend income from qualifying holdings distribution of collective investment schemes investment income investments and financial aid regulation of investments

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht aan de schending van de hoorplicht voorbij te gaan.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSHE:2017:5282
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 16/00292 Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 23 maart 2016, nummer BRE 15/7309, in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslag en beschikking. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.768 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.151.
ECLI:NL:GHDHA:2019:759
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-18/01130 Uitspraak van 3 april 2019 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigden: P.R.L.
ECLI:NL:HR:2003:AF7495
Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 28 februari 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 515.138, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2005:AT5894
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Ten name van X (hierna: erflater) is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ƒ 418.359, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 416.995. De erven van erflater (hierna: belanghebbenden) zijn tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 409.581. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 18/7781 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2019 in de zaak tussen [EISER], wonende te [PLAATS], eiser(gemachtigde: mr. H. Verbeek), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 27 september 2018 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2019. Namens eiser zijn verschenen de gemachtigde en [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C]. Op de zitting is tevens behandeld het beroep van [X] met zaaknummer SGR 18/7792. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Eiser drijft samen met [X] (de medevennoot), een vennootschap onder firma (vof). Beide vennoten zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de winst en het vermogen In 2016 hebben zij gezamenlijk een bedrag van € 128.018 in bedrijfsmiddelen van de vof geïnvesteerd.

2. Eiser heeft aangifte IB/PVV gedaan naar - onder meer - een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.789. Daarbij heeft eiser een bedrag van € 6.928 aan kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) in aanmerking genomen. Verweerder heeft de aanslag IB/PVV opgelegd conform de ingediende aangifte.

3. In artikel 3.41 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet) is het volgende bepaald (tekst 2016): “1. Indien in een kalenderjaar wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen, en de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een op de voet van het tweede lid berekende kleinschaligheidsinvesteringsaftrek ten laste gebracht van de winst over dat jaar.

2. Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van: meer dan maar niet meer dan bedraagt de kleinschaligheids- investeringsaftrek - € 2.300 € 0 € 2.300 € 56.024 28% van het investeringsbedrag € 56.024 € 103.748 € 15.687 € 103.748 € 311.242 € 15.687 verminderd met 7,56% van het gedeelte van het investeringsbedrag dat de € 103.748 te boven gaat € 311.242 € 0 3. Indien de onderneming van de belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting, worden voor de toepassing van het tweede lid hun investeringen voor het samenwerkingsverband samengeteld.” 4.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder bij het opleggen van de aanslag een te laag bedrag aan KIA in aanmerking heeft genomen. Volgens eiser bedraagt de KIA, met inachtneming van de in artikel 3.41, tweede lid, van de Wet geformuleerde rekenregels voor beide vennoten € 13.852 en niet (afgerond) de helft daarvan. Hij verwijst hierbij naar de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 november 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:5282).

5. De rechtbank is van oordeel dat bij de bepaling van het recht op KIA op grond van de tekst van artikel 3.41 van de Wet de totale investering in het ondernemingsvermogen tot uitgangspunt moet worden genomen. De totale investering in de vof bedraagt in 2016 € 128.018. Uit de tabel van artikel 3.41, tweede lid van de Wet volgt dat de KIA dan € 13.852 (€ 15.687 -/- 7,56% van € 128.018 -/- € 103.748) bedraagt. Het bij het totale investeringsbedrag van de vof behorende bedrag aan KIA, zijnde € 13.852, moet vervolgens bij helfte worden verdeeld over eiser en de medevennoot zodat eiser recht heeft op een KIA van € 6.926 (vgl. Gerechtshof Den Haag 3 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:759).

6. De rechtbank kan het standpunt van eiser, dat geheel voorbijgaat aan het bepaalde in artikel 3.41, derde lid, van de Wet, niet volgen. Dit temeer niet nu, blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 3.41 van de Wet, door de wetgever is beoogd dat leden van samenwerkingsverbanden wat betreft toepassing van de KIA niet worden bevoordeeld ten opzichte van eenmanszaken en besloten vennootschappen. Daar komt nog bij dat, los van wettekst en wetsgeschiedenis, het standpunt van eiser impliceert dat door beide vennoten een bedrag van € 128.018 in bedrijfsmiddelen van hun onderneming is geïnvesteerd, terwijl de totale investering, dus de investering die door de beide vennoten gezamenlijk is gedaan, € 128.018 bedraagt.

Ook in de door eiser aangehaalde uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is geen steun voor zijn standpunt te vinden. Uit deze uitspraak volgt juist dat, indien er sprake is van een door een samenwerkingsverband aangegane investering, het bedrag van de gezamenlijk aangegane investering bepalend is voor de hoogte van de KIA en dat dit bedrag vervolgens over de vennoten moet worden verdeeld naar rato van het bedrag van hun investering. De aan eiser opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 is dan ook in lijn met de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch vastgesteld.

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Om die reden verzoekt eiser om integrale proceskostenvergoeding. Daarbij heeft eiser aangegeven dat geen aanleiding bestaat om de zaak naar verweerder terug te wijzen.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser niet is gehoord vóór het nemen van de bestreden uitspraak op bezwaar. Uit de stukken van het geding volgt niet dat eiser heeft verklaard geen gebruik te willen maken van zijn recht om te worden gehoord. De enkele stelling van verweerder dat telefonisch met eiser is afgesproken om niet te horen is, nu daarvan in het dossier geen onderliggende stukken (zoals een gespreksverslag) aanwezig zijn, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Evenmin is de rechtbank gebleken van andere omstandigheden waaronder van het horen van eiser kon worden afgezien. Derhalve is sprake van schending van de hoorplicht.

9. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht aan de schending van de hoorplicht voorbij te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser door het achterwege blijven van een hoorgesprek namelijk niet benadeeld. Omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan bestaat tussen partijen immers geen verschil van mening en het geschil heeft betrekking op een aangelegenheid waarbij de inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt. Daarbij komt dat eiser zijn bezwaren in beroep voldoende mondeling en schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten (vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, en HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5894).

10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aan eiser opgelegde aanslag IB/PVV niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2019. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.