Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:4172 ECLI:NL:RBDHA:2019:4172 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:4172 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:4172
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL19.6179 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , v-nummer [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 23 maart 2019 heeft verweerder op de aanvraag van eiser beslist. Naar aanleiding hiervan heeft eiser het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft gereageerd op dit verzoek. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:75a van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2019:4172 · Rechtbank Den Haag: De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.

Keywords

AI generated
service compensation assessment of costs basic salary calculation of benefit procedural costs wage cost

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
artikel 8:75a van de Awb
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:665
201809491/1/V1. Datum uitspraak: 28 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2018 in zaak nr. 18/1878 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 16 mei 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2018:4176
201808693/1/R3. Datum uitspraak: 19 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Makkinga, gemeente Ooststellingwerf, appellanten, en de raad van de gemeente Ooststellingwerf, verweerder. Procesverloop Bij uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2498, heeft de Afdeling het besluit van de raad van 26 mei 2015, nr. 8, waarbij het bezwaar van [appellant] ongegrond is verklaard, vernietigd. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar.
ECLI:NL:RVS:2019:245
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, 2.
ECLI:NL:RVS:2018:718
201708572/1/A3. Datum uitspraak: 28 februari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Utrecht, en de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 28 maart 2013 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellant] om verlening van een exploitatievergunning buiten behandeling gesteld. Bij brief van 12 september 2017 heeft [appellant] de burgemeester in gebreke gesteld omdat hij niet opnieuw heeft besloten op zijn bezwaar. [appellant] heeft op 23 oktober 2017 beroep ingesteld tegen het niet tijdig door de burgemeester nemen van een besluit op een bezwaar.
ECLI:NL:RBDHA:2019:3262
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL19.3261 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 april 2019 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [datum] 1994, v-nummer [nummer] , van Jemenitische nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 13 februari 2019 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op zijn op 10 juli 2018 ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL19.6179 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , v-nummer [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 23 maart 2019 heeft verweerder op de aanvraag van eiser beslist. Naar aanleiding hiervan heeft eiser het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft gereageerd op dit verzoek. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.

3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van eiser. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in het vergoeden van de door eiser gemaakte proceskosten.

4. Verweerder is bereid de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van €128,-. Hij vindt een wegingsfactor “zeer licht” van toepassing omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit en geen materiële beoordeling van het geschil nodig is. Hij vindt steun voor dit standpunt in een uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 februari 2019.

5. De rechtbank volgt verweerder hier niet in. Uit vaste en recente rechtspraak van de Afdeling blijkt dat zij in beroepen die alleen zien op het niet tijdig nemen van een besluit gewoonlijk een wegingsfactor “licht” hanteert. In de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2019 is de keuze om in die zaak, in afwijking van de eigen lijn, een wegingsfactor “zeer licht” te hanteren niet nader gemotiveerd. De Afdeling heeft met deze uitspraak dan ook niet bedoeld haar vaste lijn, zoals deze volgt uit eerder genoemde jurisprudentie, aan te passen. De rechtbank hanteert daarom voor het vaststellen van de proceskosten in overeenstemming met de vaste lijn van de Afdeling en die van deze zittingsplaats de wegingsfactor “licht”.

6. De rechtbank stelt de door eiser gemaakte proceskosten op grond van het bepaalde in het Bpb vast op € 256,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 512,- per punt en een wegingsfactor van 0,5). Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 256. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 17 april 2019. griffier rechter Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. ECLI:NL:RVS:2019:665. Zie bijvoorbeeld ABRS 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4176), 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:245) en 28 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2018:718). Zie bijvoorbeeld rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 2 april 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:3262).