Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:14890 ECLI:NL:RBDHA:2019:14890 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:14890 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:14890
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/5778 V-nummer: [nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 november 2019 in de zaak tussen [verzoekster 1] , geboren op [geboortedag] 1996, [verzoekster 2] , geboren op [geboortedag] 1999, beiden met de Marokkaanse nationaliteit, verzoeksters, (gemachtigde: mr. S.J. van der Woude) en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. C. Verbaas) Procesverloop Met het besluit van 28 juni 2019 heeft verweerder de aanvragen van verzoeksters om verlening van verblijfsvergunningen met als doel “privéleven op grond van artikel 8 EVRM” afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2019:14890 · Rechtbank Den Haag: S.J. van der Woude) en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. C. Verbaas) Procesverloop Met het besluit van 28 juni 2019 heeft verweerder de aanvragen van verzoeksters om verlening van verblijfsvergunningen met als doel “privéleven op grond van artikel 8 EVRM” afgewezen.

Keywords

AI generated
defense costs debt enforcement costs advance on court costs statute of limitations bar extension of proceedings security for party costs

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 EVRM
Verbaas) Procesverloop Met het besluit van 28 juni 2019 heeft verweerder de aanvragen van verzoeksters om verlening van verblijfsvergunningen met als doel “privéleven op grond van artikel 8 EVRM” afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/5778 V-nummer: [nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 november 2019 in de zaak tussen [verzoekster 1] , geboren op [geboortedag] 1996, [verzoekster 2] , geboren op [geboortedag] 1999, beiden met de Marokkaanse nationaliteit, verzoeksters, (gemachtigde: mr. S.J. van der Woude) en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. C. Verbaas) Procesverloop Met het besluit van 28 juni 2019 heeft verweerder de aanvragen van verzoeksters om verlening van verblijfsvergunningen met als doel “privéleven op grond van artikel 8 EVRM” afgewezen.

Verzoeksters hebben op 24 juli 2019 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met de brief van 26 juli 2019 hebben verzoeksters verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden tot op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op de zitting aan de orde gesteld op 11 november 2019. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Overwegingen 1. Bij hun verzoekschrift hebben verzoeksters om vrijstelling van het griffierecht verzocht. Het verzoek wordt toegewezen op grond van de door verzoeksters verstrekte gegevens over hun inkomsten en vermogen.

2. Met de brief van 7 november 2019 heeft verweerder de voorzieningenrechter meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening. Ook verzet verweerder zich niet tegen veroordeling in de proceskosten.

3. Omdat tussen partijen niet langer in geschil is dat van uitzetting van verzoeksters moet worden afgezien, bestaat aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.

4. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeksters gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Als aan verzoeksters een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

5. Omdat verzoeksters zijn vrijgesteld van betaling van griffierecht hoeft verweerder dit niet aan verzoeksters te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter, - wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeksters uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist; - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 512,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2019. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.