Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:1485 ECLI:NL:RBDHA:2019:1485 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:1485 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:1485
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 18/7021 V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2] uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2019 in de zaak tussen [naam] , eiser,[naam 2] , eiseres, hierna gezamenlijk te noemen: eisers, gemachtigde: mr. M. Issa, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 september 2018 (het bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 december 2018.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 van het EVRM, artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2019:1485 · Rechtbank Den Haag: Om aan te nemen dat er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, is volgens vaste jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling vereist dat er sprake is van ‘additional elements of dependency involving more than the normal emotional ties’. Volgens de jurisprudentie van het EHRM is bij de beoordeling van de vraag of hiervan sprake is een aantal factoren van belang: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.

Keywords

AI generated
asylum for Syrian family expulsion of family members family policy grounds for asylum refugee status post-flight political activities

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 van het EVRM
Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat er tussen eisers en referent geen ‘meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’ bestaat.
artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de feiten en omstandigheden van dit geval niet zodanig bijzonder zijn dat verweerder artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht had moeten toepassen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2012:BW3337
Procesverloop Bij besluit van 23 juni 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2017:1417
201605600/1/V1. Datum uitspraak: 29 mei 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2016 in zaak nr. 16/8185 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 14 januari 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 25 maart 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RBDHA:2017:5683
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Vreemdelingenkamer zaaknummer: AWB 17/689 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum] , v-nummer [nummer] , van Syrische nationaliteit, eiseres, (gemachtigde: mr. I. Vreeken), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verweerder. Het procesverloop Op 17 april 2016 heeft [referent] (hierna: referent) ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 18/7021 V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2] uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2019 in de zaak tussen [naam] , eiser,[naam 2] , eiseres, hierna gezamenlijk te noemen: eisers, gemachtigde: mr. M. Issa, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 september 2018 (het bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 december 2018.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens waren aanwezig [naam 3] , de zoon van eisers (referent), en B. Arabi, tolk. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Overwegingen 1. Eisers zijn geboren op [geboortedatum] , respectievelijk [geboortedatum 2] en bezitten de Syrische nationaliteit. Referent, geboren op [geboortedatum 3] , heeft op 21 oktober 2014 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen. Op 4 november 2014 heeft hij nareis gevraagd voor zijn echtgenote, kinderen en ouders (eisers).

De aanvragen voor zijn echtgenote en kinderen zijn ingewilligd en zij verblijven inmiddels in Nederland. De aanvragen voor zijn ouders zijn afgewezen en die afwijzing is in rechte vast komen te staan.

2. Op 8 maart 2017 heeft referent namens eisers een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. Op 11 december 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers daartegen ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat er tussen eisers en referent geen ‘meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’ bestaat.

4. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd, wordt hierna ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Om aan te nemen dat er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, is volgens vaste jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling vereist dat er sprake is van ‘additional elements of dependency involving more than the normal emotional ties’. Volgens de jurisprudentie van het EHRM is bij de beoordeling van de vraag of hiervan sprake is een aantal factoren van belang: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er tussen eisers en referent geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie zoals hiervoor bedoeld. Daartoe heeft verweerder terecht overwogen dat eisers al enkele jaren zelfstandig in Egypte verblijven en zich hebben kunnen redden met hulp van anderen. Niet is gebleken dat zij voor hun financiën volledig en exclusief afhankelijk zijn van referent. Ook is niet gebleken dat eisers vanwege hun medische klachten niet zonder de exclusieve zorg van referent kunnen functioneren.

Referent is in 2014 uit Egypte vertrokken, zijn echtgenote in 2015 en zijn zus uit 2016, maar niet is gebleken dat eisers zich zonder de zorg van deze familieleden niet staande hebben kunnen houden. Ook in beroep hebben eisers niet met documenten aangetoond dat zij financieel of vanwege hun medische omstandigheden dusdanig afhankelijk zijn van referent dat gesproken kan worden van ‘additional elements of dependency involving more than the normal emotional ties’. Tot slot heeft verweerder er terecht op gewezen dat eisers al jaren gebruik maken van de medische voorzieningen die beschikbaar zijn in Egypte en dat, indien nodig, referent of de andere kinderen van eisers hen financieel kunnen bijstaan.

7. In de bezwaarfase hebben eisers een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en daarbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem en een inwilligende beschikking die een vriend van referent heeft ontvangen op zijn verzoek om nareis van zijn ouders. Anders dan eisers in beroep hebben betoogd, heeft verweerder voldoende gemotiveerd gereageerd op hun beroep op het gelijkheidsbeginsel en is in het bestreden besluit duidelijk aangegeven waarom de genoemde zaken verschillen van de zaak van eisers. Ook in beroep hebben eisers een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

Daartoe hebben zij verwezen naar twee uitspraken van deze rechtbank. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat ook hier geen sprake is van vergelijkbare zaken. Eisers hebben verder verwezen naar een brief van verweerder van 25 april 2014 waarin is aangegeven dat er 20 verblijfsvergunningen zijn verleend aan vreemdelingen ouder dan 65 jaar op grond van artikel 8 van het EVRM. Nu onduidelijk is welk feitencomplex aan deze inwilligingen ten grondslag lag, leidt ook deze verwijzing niet tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel.

8. Het voorgaande betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er tussen eisers en referent geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Anders dan eisers hebben betoogd, is er geen sprake inmenging op hun recht op familieleven en hoefde verweerder dus ook geen belangenafweging te maken.

9. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de feiten en omstandigheden van dit geval niet zodanig bijzonder zijn dat verweerder artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht had moeten toepassen. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2019. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak van deze rechtbank van 23 september 2015, AWB 15/10325 (niet gepubliceerd) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Europees Hof van de Rechten van de Mens, zie bijvoorbeeld de arresten A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk van 12 januari 2010 (47486/06) en Onür tegen het Verenigd Koninkrijk van 17 februari 2009 (27319/07). Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 10 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW3337) en van 29 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1417). Uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 juli 2016, AWB 16/4573 (niet gepubliceerd) en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 26 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:5683).

Kamerstukken II, vergaderjaar 2013-2014, 32 175, nr. 52, p. 8.