Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:10396 ECLI:NL:RBDHA:2019:10396 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:10396 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:10396
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL19.20511 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2019 in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. J. Hemelaar), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Jonkman). Procesverloop Bij besluit van 29 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Al Othman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1974 en in het bezit te zijn van de Syrische nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland en heeft op 25 maart 2019 een asielaanvraag ingediend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:10396 · Rechtbank Den Haag: Voor zover eiser en zijn ouders in Syrië nog een gezin vormde, en er om die reden sprake is van emotionele banden, maakt dit niet dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1787).

Keywords

AI generated
asylum for Syrian family deportation despite health issues medical care requirements advance care directive compulsory medical treatment deportation of family

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:1787
201405639/1/V3. Datum uitspraak: 29 mei 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), van 18 juni 2014 in zaken nrs. 14/8392, 14/8396, 14/8399, 14/8393, 14/8398 en 14/8400 in het geding tussen: [vreemdeling 1], mede voor haar minderjarige kind, en [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 2 april 2014 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2019:2845
201901380/1/V3. Datum uitspraak: 22 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2019 in zaken nrs. NL19.980 en NL19.982 in het geding tussen: [de vreemdelingen] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 15 januari 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:1388
201809704/1/V3 Datum uitspraak: 25 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 november 2018 in zaak nr. NL18.20440 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 26 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL19.20511 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2019 in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. J. Hemelaar), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Jonkman). Procesverloop Bij besluit van 29 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Al Othman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1974 en in het bezit te zijn van de Syrische nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland en heeft op 25 maart 2019 een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft met het bestreden besluit eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000), omdat op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser betoogt dat verweerder zijn asielaanvraag in behandeling had moeten nemen op grond van artikel 16 van de Dublinverordening. Verweerder stelt zich volgens eiser ten onrechte op het standpunt dat hij niet afhankelijk is van zijn ouders die hier in Nederland verblijven. Hoewel hij en zijn ouders noodgedwongen in verschillende landen terecht zijn gekomen, hebben zij een hechte band. In Syrië woonde hij dicht bij zijn ouders en zag hij ze dagelijks. Vanwege zijn medische klachten is hij kwetsbaar en heeft hij de steun en waarborgen van zijn familie nodig. Hij heeft depressieve en suïcidale klachten, wat blijkt uit het overgelegde huisartsenjournaal en medicijnenrecept. Tot slot voelt eiser zich verantwoordelijk voor zijn ouders die oud beginnen te worden.

4. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat om toepassing te geven aan artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. 4.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening zorgen, wanneer, wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, een verzoeker afhankelijk is van de hulp van zijn kind, broer of zus of ouder dat of die wettig verblijft in een van de lidstaten, of het kind, de broer of zus, of de ouder van de verzoeker dat of die wettig verblijft in een van de lidstaten afhankelijk is van de hulp van de verzoeker, de lidstaten er normaliter voor dat de verzoeker kan blijven bij of wordt verenigd met dat kind, die broer of zus, of die ouder, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden, het kind, de broer of zus, of de ouder of de verzoeker in staat is voor de afhankelijke persoon te zorgen en de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen. 4.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen hem en zijn ouders. Alhoewel uit de in beroep overgelegde documenten volgt dat eiser medische klachten heeft, is daarin niet vermeld dat hij door die klachten afhankelijk is van de zorg van zijn ouders. Evenmin is gebleken van door de ouders concreet verleende of te verlenen hulp aan eiser of van een afhankelijkheidsrelatie waarbij de ouders afhankelijk van eiser zijn.

Voor zover eiser en zijn ouders in Syrië nog een gezin vormde, en er om die reden sprake is van emotionele banden, maakt dit niet dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1787).

5. De rechtbank ziet zich tot slot gesteld voor de vraag of eisers medische omstandigheden maken dat hij niet naar Frankrijk kan worden overgedragen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. 5.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845) volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127), dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden.

De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, bijvoorbeeld door aan te tonen met stukken van zijn behandelaar(s) dat er een reëel of hoog risico op suïcide bestaat als gevolg van zijn overdracht. Vervolgens moet de staatssecretaris bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. 5.2. De door eiser overgelegde stukken bevatten geen inschatting door een medisch deskundige van het suïciderisico wanneer eiser aan Frankrijk zou worden overgedragen.

Evenmin blijkt hieruit dat de voorgenomen overdracht anderszins tot onomkeerbare gevolgen of een onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou leiden. Met deze stukken heeft eiser dus niet aannemelijk gemaakt dat zijn overdracht aan Frankrijk zal leiden tot een met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige situatie. Eisers beroep ter zitting op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 22 maart 2019 (NL18.18885) en zittingsplaats Groningen van 21 juni 2019 (NL19.80) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu uit deze uitspraken blijkt dat de vreemdelingen in die zaken wel hadden aangetoond dat er een reëel of hoog risico op suïcide bestond. 5.3.

Het bovenstaande maakt dat eiser ook niet aan te merken is als een kwetsbaar persoon als bedoeld in het arrest Tarakhel van het EHRM van 4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712). Het is dan ook niet aannemelijk dat hij zonder individuele garanties geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen in Frankrijk. De door eiser ter zitting aangehaalde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 25 juli 2019 (NL19.13266) en zittingsplaats Haarlem van 28 november 2018 (NL18.20440), brengen de rechtbank niet tot een andere conclusie, voor zover uit deze uitspraken zou blijken dat een ruime invulling aan het begrip kwetsbaar moet worden gegeven.

Daarbij merkt de rechtbank op dat de uitspraak van rechtbank Haarlem door de Afdeling is vernietigd bij uitspraak van 25 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1388).

6. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. griffier rechter Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.