Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:10096 ECLI:NL:RBDHA:2019:10096 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:10096 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:10096
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.19213 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiseres (gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Jansen). Procesverloop Bij besluit van 16 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek tijdens de zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL19.19214, plaatsgevonden op 5 september 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en stelt de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2019:10096 · Rechtbank Den Haag: In de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 28 juni 2019, ziet de rechtbank dan ook geen reden om het beroep gegrond te verklaren of om de behandeling van de zaak, onder gelijktijdige toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening, aan te houden. Gelet op de bewijslastverdeling, is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat op dit moment sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM.

Keywords

AI generated
international child abduction human trafficking safe third country status safe country of origin international protection safe return

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
Gelet op de bewijslastverdeling, is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat op dit moment sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2019:5081
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: NL19.6219 en NL19.6221 uitspraak van de meervoudige kamer van 20 mei 2019 in de zaken tussen [de man] , eiser en [de vrouw] , eiseres, mede ten behoeve van hun twee minderjarige kinderen, V-nummers: […] , […] , […] en […] hierna tezamen ook aangeduid als eisers, (gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans). Procesverloop Bij besluiten van 18 maart 2019 (hierna: de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van die wet.
ECLI:NL:RBDHA:2019:6493
Naar de mening van verweerder is de verhouding tussen de asielinstroom in Italië en de opvangplekken sinds 2018 aanzienlijk verbeterd, zodat geconcludeerd kan worden dat capaciteitsgebrek geen probleem meer zou moeten zijn. Is verweerder van mening dat thans nog (individuele) garanties zijn vereist bij kwetsbare personen als bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland van 4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712)? 2. Kan verweerder onderbouwen waarop de aanname is gebaseerd dat een gezin met minderjarige kinderen in Italië niet zal worden opgesplitst? 3.
ECLI:NL:RVS:2018:4131
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:RVS:2019:1861
201809552/1/V3. Datum uitspraak: 12 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 november 2018 in zaak nr. NL18.20043 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:2042
201901233/1/V3. Datum uitspraak: 27 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 4 februari 2019 in zaak nr. NL18.5152 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 13 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:2845
201901380/1/V3. Datum uitspraak: 22 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2019 in zaken nrs. NL19.980 en NL19.982 in het geding tussen: [de vreemdelingen] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 15 januari 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.19213 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiseres (gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Jansen). Procesverloop Bij besluit van 16 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek tijdens de zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL19.19214, plaatsgevonden op 5 september 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en stelt de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten.

2. Eiseres heeft op 16 maart 2019 een asielaanvraag ingediend. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiseres op 10 oktober 2018 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Italië te Lagos, Nigeria, in het bezit is gesteld van een Schengenvisum. Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening is Italië verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Italië heeft hier op 27 juni 2019 mee ingestemd, waardoor de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat. Daarom heeft verweerder de asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zij verwijst daartoe naar haar reeds bij zienswijze ingebrachte rapporten en naar de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 29 mei 2019 met bijlagen en het rapport van het Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) van 8 mei 2019. Verder verwijst eiseres naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Haarlem, Roermond en Utrecht. Uit deze stukken en uitspraken volgt volgens eiseres dat er zware financiële bezuinigingen zijn in de opvang in Italië en dat de behandeling van een asielaanvraag kan oplopen tot wel negen maanden.

De asielzoekerscentra zijn overvol en er is geen/onvoldoende toegang tot adequate medische zorg. Ook zijn er in Italië geen tolken en advocaten beschikbaar voor asielzoekers. Volgens eiseres is het onduidelijk waar gezinnen met minderjarigen met speciale behoeften worden opgevangen. Eiseres doet in dit kader een beroep op de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 28 juni 2019. Daarnaast persisteert eiseres dat zij moet worden aangemerkt als “bijzonder kwetsbaar”, als bedoeld in het arrest Tarakhel. Eiseres is zwanger en de uitgerekende dag voor de bevalling is 28 september 2019.

Zij zal dus met een pasgeboren kind aan Italië worden overgedragen. Eiseres voert tot slot aan dat zij in staat gesteld moet worden om aangifte te doen van mensenhandel. Zij heeft hierover al in haar aanmeldgehoor verklaard. Als slachtoffer van mensenhandel dient zij bescherming te krijgen. De rechtbank oordeelt als volgt. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 4. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet kan en dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiseres daar een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.

5. In de uitspraak van 19 december 2018 heeft de Afdeling geoordeeld dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In recente uitspraken van 12 juni 2019, 27 juni 2019 en 22 augustus 2019 heeft de Afdeling dit oordeel bevestigd, ook als het gaat om opvang van gezinnen met minderjarige kinderen.

6. De rechtbank ziet in de stukken waar eiseres in haar beroepschrift naar verwijst geen grond om anders te oordelen dan de Afdeling tot nu toe heeft gedaan. De uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Haarlem, Roermond en Utrecht, zijn van voor de uitspraken van de Afdeling van 12 juni 2019, 27 juni 2019 en 22 augustus 2019, zodat verwacht mag worden dat de Afdeling deze heeft meegenomen in die uitspraken. De rapporten waar eiseres naar verwijst schetsen geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië dan de informatie waarop de Afdeling zich in de eerder genoemde uitspraken heeft gebaseerd.

Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van de opvangvoorzieningen in Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat eiseres met de verwijzing naar de documentatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan haar (en haar kindje) geen opvang zal worden verleend. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Tarakhel 7. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er geen aanleiding bestaat om voor zwangere vrouwen of vrouwen met zuigelingen aanvullende garanties te verkrijgen ten aanzien van geschikte opvangvoorziening, als bedoeld in het arrest Tarakhel.

Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de huidige situatie in Italië nu wezenlijk anders is dan ten tijde van het Tarakhel-arrest, op basis van een cijfermatige onderbouwing van een verbeterde verhouding tussen de instroom van asielzoekers en de opvangcapaciteit en op basis van informatie over de kwaliteit van de opvangvoorzieningen. Gelet op de rechtspraak van de Afdeling en gelet op het onderbouwde standpunt van verweerder, ziet de rechtbank geen concrete aanleiding om te twijfelen aan de algemene garanties in de circular letter van 8 januari 2019 en de geldigheid en betekenis daarvan voor alle individuele gevallen, ook voor gezinnen met minderjarige kinderen zoals in het geval van eiseres.

In de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 28 juni 2019, ziet de rechtbank dan ook geen reden om het beroep gegrond te verklaren of om de behandeling van de zaak, onder gelijktijdige toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening, aan te houden. Gelet op de bewijslastverdeling, is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat op dit moment sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM.

Hierin is zij gelet op het voorgaande niet geslaagd. Aangifte mensenhandel 8. De rechtbank overweegt dat in een Dublinprocedure niet wordt toegekomen aan de vraag of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning vanwege het doen van aangifte van mensenhandel. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2018. De aangifte mensenhandel heeft in feite dus geen invloed op de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres. Dat de aangifte mogelijk gevolgen gaat hebben voor het verblijfsrecht van eiseres in Nederland, maakt de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat niet anders.

Het gaat in deze procedure immers alleen over de vraag welk land verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Conclusie 9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier. griffier rechter Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) nr. 604/2013. Vreemdelingenwet 2000. Het artikel “Warehousing Asylum Seekers” van Lorenzo Vianelli, de brief van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa van 7 februari 2019, de Factsheet Italy van de UNHCR van 31 januari 2019, een artikel uit de krant Il Sole 24 ORE van 10 februari 2019, een e-mail van ELENA contactpersoon Maria Cristina Romano, de richtlijn van de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken van juli 2018, en een rapport van USDOS van 13 maart 2019.

Hierna: het SFH-rapport. Uitspraken van 24 mei 2019 (NL19.9844 en NL19.9846) en 4 juni 2019 (NL19.9207 en NL19.9209). ECLI:NL:RBDHA:2019:5081. Uitspraak van 23 mei 2019 (NL19.3587 en NL19.3589). ECLI:NL:RBDHA:2019:6493. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RVS:2018:4131. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2019:1861.

ECLI:NL:RVS:2019:2042. ECLI:NL:RVS:2019:2845. ECLI:NL:RVS:2018:4297.