Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:10053 ECLI:NL:RBDHA:2019:10053 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:10053 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:10053
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 18/9580 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. A. Orhan) en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 november 2018 (het bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht vooraf, niet ter zitting verschenen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:10053 · Rechtbank Den Haag: Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 aan eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat tegen eiser bij besluit van 21 december 2017 een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en dat eiser niet heeft voldaan aan deze terugkeerverplichting.

Keywords

AI generated
entry permit risk of overstaying visa for temporary stay unreasonableness of expulsion temporary protection restriction of free movement

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBOBR:2019:1031
Zaaknummer C16-05 Uitspraak van 21 februari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:1031 ECLI:NL:RVS:2016:2121 ECLI:NL:RVS:2018:3922
ECLI:NL:RVS:2016:2121
201506551/1/V2. Datum uitspraak: 20 juli 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 16 juli 2015 in zaken nrs. 14/20082 en 14/20084 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 11 november 2013 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken, zijn verblijfsrecht op grond van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: besluit nr. 1/80) beëindigd, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en hem ongewenst verklaard.
ECLI:NL:RVS:2018:3922
201804864/1/V1. Datum uitspraak: 29 november 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 mei 2018 in zaak nr. 17/13332 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 21 december 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 18/9580 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. A. Orhan) en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 november 2018 (het bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht vooraf, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Turkse nationaliteit. Bij besluit van 21 december 2017 heeft verweerder een aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 27 juli 2018 is het daartegen door eiser ingediend bezwaar ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 2 november 2018 het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak staat in rechte vast.

Bij besluit van 27 juli 2018 heeft verweerder een tweede aanvraag van eiser om een reguliere verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 aan eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat tegen eiser bij besluit van 21 december 2017 een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en dat eiser niet heeft voldaan aan deze terugkeerverplichting.

3. Eiser heeft in de gronden van beroep gesteld dat verweerder geen inreisverbod had mogen opleggen. Eiser beroept zich daarbij op artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Het opleggen van een inreisverbod is volgens eiser in strijd met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol (hierna: AP), nu de verblijfsrechtelijke procedure voor arbeid als zelfstandige nog loopt. Eiser heeft daarbij verwezen naar het arrest Tum & Dari van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eiser heeft ter zitting, onder verwijzing van een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, nog gesteld dat verweerder de belangen van eiser had dienen mee te wegen bij het bestreden besluit. Indien eiser het Schengengebied niet meer kan inreizen, is het voor hem niet meer mogelijk om zijn onderneming voort te zetten. De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het opleggen van het inreisverbod niet in strijd is artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g van het Vb of met artikel 41, eerste lid, van het AP. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat eisers eerdere aanvragen om een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ zijn afgewezen, en dat deze afwijzingen in rechte vaststaan. Anders dan eiser heeft betoogd, loopt er geen verblijfsrechtelijke procedure meer. Nu eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft, is het tegen eiser uitgevaardigd inreisverbod geen verboden beperking in de zin van artikel 41, eerste lid, van het AP.

De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2016 en 29 november 2018. De stelling van eiser ter zitting dat verweerder de belangen van eiser ten onrechte niet heeft meegewogen, kan niet worden gevolgd. Eiser heeft immers nagelaten een zienswijze in te dienen tegen het voornemen van verweerder van 30 juli 2018 om het inreisverbod op te leggen. Hierin had eiser zijn eventuele belangen kenbaar kunnen maken.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. AWB 18/6257 Bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (PB 1972 L 293). Zaaknummer C16-05 Uitspraak van 21 februari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:1031 ECLI:NL:RVS:2016:2121 ECLI:NL:RVS:2018:3922