Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:9789 ECLI:NL:RBDHA:2018:9789 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:9789 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:9789
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/3495 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2018 in de zaak tussen [eiseres], te [woonplaats] (Polen), eiseres (gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: I.S. IJserinkhuijsen) Procesverloop Bij besluit van 30 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. Bij besluit van 13 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3:58 BW, artikel 1:209 BW, artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2018:9789 · Rechtbank Den Haag: Eiseres voert aan dat gelet op de normale regels van erkenning niets aan de erkenning van de geboorteakte in de wegstaat. De vraag of sprake is van strijd met de openbare orde dient ex nunc te worden beantwoord. Aangezien er naar huidig recht geen beletsel zou zijn voor de erkenning door haar vader is van strijd met de openbare orde geen sprake. Eiseres verwijst in dit verband naar de Groene Serie (GS Personen- en Familierecht, artikel 4 RWN, aant. 4.1.3) en een vonnis van 13 oktober 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:12511) van de civiele kamer van deze rechtbank.

Keywords

AI generated
nationality passport family residence permit right to naturalisation golden passport right to know one's parentage

Cited Legislation

AI generated
artikel 3:58 BW
Voorts beroept eiseres zich op artikel 3:58 BW en stelt dat de erkenning is bekrachtigd.
artikel 1:209 BW
Tevens voert eiseres aan dat haar een beroep toekomt op artikel 1:209 BW, nu zij een staat conform de geboorteakte heeft.
artikel 8 van het EVRM
De rechtbank volgt niet het standpunt van eiseres dat de eis dat deze band moet worden vastgesteld door een rechtbank in strijd is met de beschermingsgedachte van artikel 8 van het EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2014:12511
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 14-1952 Zaaknummer: C/09/462155 Datum beschikking: 13 oktober 2014 Aantal fotokopieën per beschikking 4 bij 1 advocaat 6 bij 2 advocaat 1 extra bij: - last aan de Raad voor Rechtbijstand tot toevoeging advocaat ex 817 Rv - Ipr zaak - uitgebracht of uit te brengen rapport Raad voor de Kinderbescherming – gezagswijziging ten behoeve van het gezagsregister - Kostenveroordeling ex art. 243 rv 2 extra bij: - Benoeming van elke deskundige Beschikking op het op 17 maart 2014 ingekomen verzoek van: [de man], de man, wonende te [woonplaats] Bondsrepubliek Duitsland, advocaat: mr.
ECLI:NL:HR:2017:942
19 mei 2017 Eerste Kamer 16/05572 JS/TT Hoge Raad der Nederlanden Prejudiciële beslissing in de zaak van: [verzoeker] , in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige: [kind 1] ,wonende te Marokko, VERZOEKER in eerste aanleg, t e g e n de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),zetelende te Den Haag, VERWEERDER in eerste aanleg, advocaat in de prejudiciële procedure: mr. M.M. van Asperen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de Staat.
ECLI:NL:HR:2003:AL8544
Het geding in feitelijke instantie Met een op 21 maart 2002 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot die rechtbank en verzocht op de voet van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) vast te stellen dat [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit bezit. De Staat heeft bij brief van 21 mei 2002 zijn standpunt kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft na een mondelinge behandeling op 17 oktober 2002, alwaar tevens de officier van justitie is gehoord, bij beschikking van 14 november 2002 het verzoek van [verzoeker] afgewezen. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/3495 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2018 in de zaak tussen [eiseres], te [woonplaats] (Polen), eiseres (gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: I.S. IJserinkhuijsen) Procesverloop Bij besluit van 30 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. Bij besluit van 13 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2018. Eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Polen) als kind van [naam 1]. Zij verkreeg bij haar geboorte de Poolse nationaliteit. Op 16 september 1994 is zij bij de burgerlijke stand in [plaats] erkend door de heer [naam 2].

Op 11 oktober 2016 heeft eiseres bij de Nederlandse ambassade in Warschau een Nederlands paspoort aangevraagd.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van een nietige erkenning waaraan eiseres niet het Nederlanderschap kan ontlenen. Zij is erkend door een Nederlander die ten tijde van de erkenning gehuwd was met een andere vrouw dan haar moeder. Of de in Polen ontstane familierechtelijke betrekking tussen belanghebbende en de heer [naam 2] in Nederland kan worden erkend, dient te worden bepaald aan de hand van de bepalingen van Boek 10 BW. Volgens artikel 10:101, tweede lid en onder a, van het BW doet zich een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10:100, eerste lid en onder c, van het BW met betrekking tot de erkenning in elk geval voor indien deze is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen.

Ingevolge artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder e, van het BW, zoals dat luidde tot 1 april 2014, was een erkenning gedaan door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwde man nietig, tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijk betrekking bestond. Het feit dat per 1 april 2014 het BW is gewijzigd, waardoor erkenning door een gehuwde man wel is toegestaan, maakt dit niet anders.

De wetswijziging voorziet niet in overgangsrecht en in het nationaliteitsrecht geldt dat wordt uitgegaan van het recht dat van toepassing is wanneer een rechtsfeit zich voordoet. Het moment van de erkenning bepaalt dus welk recht van toepassing is op de afstamming en de eventuele verkrijging van het Nederlanderschap.

3. Eiseres voert aan dat gelet op de normale regels van erkenning niets aan de erkenning van de geboorteakte in de wegstaat. De vraag of sprake is van strijd met de openbare orde dient ex nunc te worden beantwoord. Aangezien er naar huidig recht geen beletsel zou zijn voor de erkenning door haar vader is van strijd met de openbare orde geen sprake. Eiseres verwijst in dit verband naar de Groene Serie (GS Personen- en Familierecht, artikel 4 RWN, aant. 4.1.3) en een vonnis van 13 oktober 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:12511) van de civiele kamer van deze rechtbank.

Zij heeft er ook op gewezen dat zij in het verleden drie maal een paspoort heeft gekregen. Voorts beroept eiseres zich op artikel 3:58 BW en stelt dat de erkenning is bekrachtigd. In de periode tussen de erkenning en het einde van het huwelijk hadden eiseres (via haar wettelijk vertegenwoordiger) en haar moeder zich op het gebrek in de erkenning kunnen beroepen. Dat hebben zij niet gedaan. De moeder van eiseres heeft met de erkenning ingestemd. De bekrachtiging werkt terug tot het moment van erkenning. Tevens voert eiseres aan dat haar een beroep toekomt op artikel 1:209 BW, nu zij een staat conform de geboorteakte heeft.

Zij gaat al vanaf haar geboorte door het leven onder de achternaam van haar vader en heeft nooit een andere achternaam gehad. Eiseres kan haar bezit van staat aan een ieder tegenwerpen, dus ook aan de minister. Ook stelt eiseres zich op het standpunt dat tussen haar en haar vader een nauwe persoonlijke betrekking bestaat en bestond op grond waarvan de erkenning niet nietig was. De eis dat family life door de rechter zou moeten worden vastgesteld is in strijd met de beschermingsgedachte van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Artikel 4, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) luidde tot 1 april 2003 als volgt: “Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend”. Ingevolge artikel 1:204, eerste lid en onder e, van het BW - zoals dat luidde tot 1 april 2014 - is de erkenning nietig, indien zij is gedaan door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwd man, tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat.

5. Niet in geschil is dat de vader van eiseres ten tijde van de erkenning gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat het BW per 1 april 2014 is gewijzigd, waardoor erkenning door een gehuwde man wel is toegestaan, niet maakt dat eiseres aan de erkenning het Nederlanderschap kan ontlenen. Het stelsel van de RWN staat in de weg aan het met terugwerkende kracht tot het tijdstip van de erkenning verkrijgen van het Nederlanderschap door eiseres.

Artikel 2, eerste lid, van de RWN bevat het uitgangspunt dat de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. In het licht van de zekerheid die dient te bestaan omtrent het mogelijke Nederlanderschap van een kind op grond van zijn afstamming kan niet worden aanvaard dat een familierechtelijke betrekking die op het moment dat deze ontstond niet kon worden erkend wegens onverenigbaarheid met de (Nederlandse) openbare orde op een later moment alsnog wordt erkend en leidt tot het verkrijgen van het Nederlanderschap met terugwerkende kracht.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:942). Ten tijde van het bestreden besluit was niet door een rechtbank vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de vader en moeder van eiseres een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijk betrekking bestond, zodat eiseres niet op deze grond alsnog het Nederlanderschap had verkregen. De rechtbank volgt niet het standpunt van eiseres dat de eis dat deze band moet worden vastgesteld door een rechtbank in strijd is met de beschermingsgedachte van artikel 8 van het EVRM.

Hiertoe wordt overwogen dat deze eis niet in de weg staat aan de uitoefening van de rechten die door artikel 8 van het EVRM worden beschermd. Voorts heeft verweerder terecht gesteld dat hij niet bevoegd is om vast te stellen dat de erkenning is bekrachtigd of om bezit van staat vast te stellen. Eiseres dient zich hiervoor tot de civiele rechter te wenden. Voor zover eiseres stelt dat verweerder een paspoort aan haar had moeten verstrekken omdat drie keer eerder aan haar een paspoort is verstrekt en zij hiermee een beroep doet op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiseres aan een ten onrechte verstrekt paspoort niet het Nederlanderschap kan ontlenen.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2003 in zaak nr. R03/007HR (ECLI:NL:HR:2003:AL8544) volgt dat het Nederlanderschap kan worden verkregen noch behouden door de werking van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

6. De rechtbank stelt vast dat de civiele kamer van deze rechtbank op 22 december 2017 heeft vastgesteld dat ten tijde van de erkenning tussen eiseres en haar vader sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking, zodat de erkenning alsnog wordt erkend. Deze vaststelling dateert van na het bestreden besluit. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaar terecht ongegrond is verklaard. Door de beslissing van de civiele rechter is achteraf vastgesteld dat eiseres ten tijde van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar de Nederlandse nationaliteit had. Op het moment dat het bestreden besluit werd genomen kon verweerder echter niet anders oordelen dan dat aan eiseres geen paspoort kon worden verstrekt. Dat verweerder zelf eerder tot drie keer toe zonder tussenkomst van een rechter een Nederlands paspoort aan eiseres heeft verstrekt doet hier niet aan af.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.