Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:9507 ECLI:NL:RBDHA:2018:9507 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:9507 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:9507
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL18.12389 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. J.S. Dobosz), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Bicer). Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.12390, plaatsgevonden op 19 juli 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:9507 · Rechtbank Den Haag: Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bericht dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers op 18 juli 2018 heeft vastgesteld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

Keywords

AI generated
deportation despite health issues withdrawal leading to termination unlawful departure unreasonableness of expulsion deemed withdrawal discontinuation of prosecution
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL18.12389 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. J.S. Dobosz), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Bicer). Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.12390, plaatsgevonden op 19 juli 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

2. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bericht dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers op 18 juli 2018 heeft vastgesteld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

3. Nu eiser met onbekende bestemming is vertrokken en hij ook niet ter zitting is verschenen, stelt hij kennelijk geen prijs meer op een inhoudelijke beoordeling van de door hem tegen het bestreden besluit ingestelde rechtsmiddelen. Reeds hierom heeft eiser geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep.

4. Nu aldus het procesbelang is komen te ontvallen, zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.