Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:8272 ECLI:NL:RBDHA:2018:8272 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:8272 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:8272
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.9093 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiseres (gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. van Hoof). Procesverloop Bij besluit van 9 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:8272 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2124. Gezien het voorgaande heeft verweerder het dossier van de zus van eiseres niet hoeven te onderzoeken, zoals door eiseres gesteld.

Keywords

AI generated
international fraud investigation international responsibility european Supervisory Authorities international child abduction inter-state application situation in country of origin

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:2124
201704943/1/V3 Datum uitspraak: 7 augustus 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 juni 2017 in zaak nr. 17/8823 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 24 april 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2017:134
201604688/1/V3 Datum uitspraak: 17 januari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2016 in zaak nr. 16/10627 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 18 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2017:780
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, 2.
ECLI:NL:RVS:2017:1454
201603474/1/V3. Datum uitspraak: 30 mei 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 4 mei 2016 in zaak nr. 16/7210 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 7 april 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.9093 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiseres (gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. van Hoof). Procesverloop Bij besluit van 9 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer NL18.9094, plaatsgevonden op 24 mei 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Haile. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk op 24 mei 2018 ter zitting uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Eiseres wordt niet gevolgd in haar stelling dat Nederland op grond van artikel 8 van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor haar aanvraag, omdat zij minderjarig zou zijn.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volstaat informatie uit een andere lidstaat waaruit blijkt dat een vreemdeling meerderjarig is, om een vreemdeling ook in Nederland als meerderjarige te beschouwen, tenzij in Nederland authentieke, identificerende documenten zijn overgelegd. Uit het dossier blijkt dat eiseres in Italië als meerderjarige staat geregistreerd. Zij heeft weliswaar een kopie van een doopakte overgelegd, maar dit document vormt geen bewijs van de gestelde minderjarigheid omdat het geen identificerende gegevens bevat, zoals een pasfoto.

De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2124. Gezien het voorgaande heeft verweerder het dossier van de zus van eiseres niet hoeven te onderzoeken, zoals door eiseres gesteld.

2. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder redelijkerwijs had moeten besluiten om de behandeling van het verzoek om internationale bescherming aan zich te trekken. Zeker nu Italië heeft ingestemd met de overname van eiseres, moet ervan uit worden gegaan dat Italië het asielverzoek zal behandelen met in achtneming van de communautaire asielrichtlijnen. Volgens de heersende rechtspraak dient voor wat betreft de opvangcondities in Italië uit te worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft een beroep gedaan op de update van 28 februari 2017 van het ASGI - AIDA - Country Report Italy 2016, met daarin een verwijzing naar een rapport van MSF uit februari 2018, ter onderbouwing van haar stelling dat in Italië sprake is van systeemfouten met betrekking tot de opvang van asielzoekers.

Het genoemde rapport is al eerder onderwerp geweest van een rechterlijke beoordeling, waarbij voor wat betreft Dublinclaimanten is geconcludeerd dat het bedoelde rapport geen reden vormt voor twijfel aan de toegang tot de asielprocedure of het aannemen van systeemfouten in die procedure en de opvangvoorzieningen in Italië. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.

3. Met betrekking tot het beroep op de humanitaire clausule overweegt de rechtbank dat aan verweerder beoordelings- en beleidsruimte toekomt bij de vraag of sprake is van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden dat overdracht van kennelijke hardheid getuigt. De gestelde afhankelijkheid van de in Nederland verblijvende zus is in het geheel niet onderbouwd. De overige aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet zodanig bijzonder, dat verweerder toepassing had moeten geven aan de humanitaire clausule.

4. De slotsom is dat het beroep ongegrond is.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op 24 mei 2018. Het proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Verordening 604/2013/EU. Zie de uitspraken van 17 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:134, en 20 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:780. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1454.