Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:6960 ECLI:NL:RBDHA:2018:6960 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:6960 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:6960
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/1340 V-nummer: [nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 mei 2018 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] , eiser (gemachtigde mr. J. Sprakel), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde mr. E.T. ‘t Jong). Procesverloop Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de feitelijke handeling van verweerder, die daarin bestaat dat de hem op grond van het Programma Vreemdelingen geboden 24-uursopvang in de [locatie] is beëindigd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:5 van de Awb, Artikel 6:6 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2018:6960 · Rechtbank Den Haag: Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden. Op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan onder andere van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hoefde verweerder in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding te zien voor de conclusie dat een hoorzitting tot een ander standpunt zou kunnen leiden.

Keywords

AI generated
duration of stay extension of detention deportation involuntary civil placement periodic review of detention duration of judicial expulsion deportation despite health issues

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan onder andere van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.
artikel 6:5 van de Awb
Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten.
Artikel 6:6 van de Awb
Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:3415
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:CRVB:2015:3803
14/4389 WMO, 15/5095 WMO, 14/4382 WMO, 15/5094 WMO, 14/4387 WMO, 15/5093 WMO Datum uitspraak: 26 november 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van 11 juli 2014, 14/3244, 14/3260, 14/2925, 14/3265 en 14/2961 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellante 1] (appellante 1), [appellante 2] (appellante 2) en [appellante 3] (appellante 3), allen verblijvend te [woonplaats] , (appellanten) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr.
ECLI:NL:CRVB:2015:3834
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2015, 14/4474 (aangevallen uitspraak 1), 14/5856 (aangevallen uitspraak 2), 15/656 (aangevallen uitspraak 3), 14/3887 en 14/5609 (aangevallen uitspraak 4) Partijen: [betrokkene 1] te [woonplaats 1] (betrokkene 1), [betrokkene 2] te [woonplaats 2] (betrokkene 2), [betrokkene 3] te [woonplaats 3] (betrokkene 3), [betrokkene 4] te [woonplaats 3] (betrokkene 4) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens betrokkenen heeft mr.
ECLI:NL:CRVB:2010:BL6167
09/3458 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2009, 08/2517 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) Datum uitspraak: 2 maart 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2010.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/1340 V-nummer: [nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 mei 2018 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] , eiser (gemachtigde mr. J. Sprakel), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde mr. E.T. ‘t Jong). Procesverloop Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de feitelijke handeling van verweerder, die daarin bestaat dat de hem op grond van het Programma Vreemdelingen geboden 24-uursopvang in de [locatie] is beëindigd.

Met het besluit van 20 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Op 23 februari 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018, waar de zaken AMS 18/2469, AMS 18/2474, AWB 18/793, AWB 18/1061 en AWB 18/1340 gevoegd zijn behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken weer gesplitst. Overwegingen Onderwerp van de procedure Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft van [datum] tot [datum] en van [datum] tot [datum] 24-uursopvang genoten in de [locatie] . In de tussenliggende periode verbleef eiser bij het Medisch Opvangproject Ongedocumenteerden (MOO). Vanaf 20 november 2017 verblijft eiser in de 24-uurs BBB. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de feitelijke handeling de 24-uursopvang in de [locatie] te beëindigen.

Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen de feitelijke handeling kennelijk ongegrond verklaard, omdat eiser al gedurende de maximale 12 maanden 24-uursopvang in [locatie] heeft genoten. Op grond van het Programma Vreemdelingen is 24-uursopvang in de BBB daarom volgens verweerder het maximale waarvoor eiser in aanmerking kan komen. Eiser stelt in beroep dat hij na ommekomst van de periode van een jaar ten onrechte overgeplaatst is naar de BBB. Volgens eiser had verweerder moeten onderzoeken of hij kan doorstromen naar begeleid wonen van het Leger des Heils of een andere reguliere zorgaanbieder.

Eiser heeft daarbij verwezen naar het ‘Jaarplan 2017 vreemdelingenbeleid’ dat op 16 februari 2017 naar de leden van de Commissie Algemene Zaken is gestuurd. Beoordeling door de rechtbank Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft daartoe op 6 februari 2018 een verklaring overgelegd, waarin hij heeft aangegeven dat hij geen vermogen heeft, noch in Nederland, noch in het buitenland en dat hij in Nederland niet over een geldige verblijfsstatus beschikt, waardoor het hem niet is toegestaan om in Nederland te werken of om een sociale uitkering te ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser, gelet op de door hem overgelegde verklaring, aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om in staat te zijn het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt dan ook, waardoor eiser wordt vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen voor de behandeling van zijn beroep. 5.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de uitspraken van 26 november 2015 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep (Raad) volgt dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk is voor de opvang van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen.

Daarnaast biedt verweerder, ondanks dat daartoe geen wettelijke verplichting of specifieke publiekrechtelijke bevoegdheid bestaat, opvang aan niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen op grond van het Programma Vreemdelingen. Op grond van dit buitenwettelijke beleid biedt verweerder 24-uursopvang in de [locatie] gedurende maximaal 12 maanden en (24-uurs)opvang in de BBB zonder maximale duur. Omdat sprake is van buitenwettelijk, begunstigend beleid, wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad, de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als gegeven aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of dat beleid op consistente wijze is toegepast. 5.2.

De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting toegelicht dat het bij het begeleid wonen, zoals dat wordt genoemd op pagina 5 van het ‘Jaarplan 2017 voor vreemdelingenbeleid’, gaat om de 24-uursopvang gedurende de eerste 12 maanden op grond van het Programma Vreemdelingen. Dit wordt uitgevoerd door partners als het Leger des Heils en HVO en betreft geen zorg. De rechtbank acht deze uitleg niet onredelijk. 5.3. Verweerder heeft de 24-uursopvang van eiser in de [locatie] conform het Programma Vreemdelingen na 12 maanden beëindigd en eiser, de GGD-indicatie van [datum] in acht nemend, in de 24-uurs BBB geplaatst.

Niet is gebleken van concrete feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat verweerder dit beleid inconsistent toepast. De grond slaagt niet.

6. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden. Op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan onder andere van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hoefde verweerder in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding te zien voor de conclusie dat een hoorzitting tot een ander standpunt zou kunnen leiden.

Conclusie 7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Conc.: EKS D: VK Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres:

Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. ECLI:NL:RVS:2015:3415, ECLI:NL:CRVB:2015:3803 en ECLI:NL:CRVB:2015:3834. ECLI:NL:CRVB:2010:BL6167