Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:5869 ECLI:NL:RBDHA:2018:5869 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:5869 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:5869
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/3031 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Grigorjan), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), verweerder (gemachtigde: mr. J.W. Kreumer). Procesverloop Verweerder heeft verzoeker medegedeeld dat de opvangvoorzieningen van het COA per 23 april 2018 worden beëindigd. Verzoeker heeft op 23 april 2018 onderhavig beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat verweerder de opvangvoorzieningen niet zal beëindigen voordat op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het asielbesluit is beslist (AWB 18.3032).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:5869 · Rechtbank Den Haag: Bij uitspraak van deze rechtbank van dezelfde datum is het verzoek toegewezen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2018. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Verzoeker betoogt dat hij recht heeft op opvangvoorzieningen omdat hij op grond van artikel 7.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 de uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep tegen het asielbesluit van 23 april 2018 in Nederland mag afwachten.

Keywords

AI generated
discontinuation of proceedings revocation of asylum extension of detention deportation suspension of naturalization removal under immigration law suspension of benefit entitlement

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBOBR:2017:5057
Verzoeker heeft in dat kader verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 september 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:5057).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/3031 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Grigorjan), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), verweerder (gemachtigde: mr. J.W. Kreumer). Procesverloop Verweerder heeft verzoeker medegedeeld dat de opvangvoorzieningen van het COA per 23 april 2018 worden beëindigd. Verzoeker heeft op 23 april 2018 onderhavig beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat verweerder de opvangvoorzieningen niet zal beëindigen voordat op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het asielbesluit is beslist (AWB 18.3032).

Bij uitspraak van deze rechtbank van dezelfde datum is het verzoek toegewezen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2018. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Verzoeker betoogt dat hij recht heeft op opvangvoorzieningen omdat hij op grond van artikel 7.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 de uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep tegen het asielbesluit van 23 april 2018 in Nederland mag afwachten.

Verzoeker heeft in dat kader verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 september 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:5057).

2. Nu de rechtbank bij uitspraak van heden het beroep tegen het asielbesluit van 23 april 2018 ongegrond verklaard heeft (NL18.7924), heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep gericht tegen de mededeling dat de opvangvoorzieningen van het COA worden beëindigd.

3. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2018. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.