Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:5513 ECLI:NL:RBDHA:2018:5513 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:5513 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:5513
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 18/2056 uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 8 mei 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam] , verzoekster, gemachtigde: mr. F.A. van den Berg, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit (het primaire besluit) van 5 oktober 2016 heeft verweerder de aanvraag voor het wijzigen van de reguliere verblijfsvergunning van eiseres en haar dochter afgewezen en zijn de reguliere verblijfsvergunningen van eiseres en haar dochter ingetrokken.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2018:5513 · Rechtbank Den Haag: Ingevolge artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich met betrekking tot het onderhavige verzoek een situatie als bedoeld in voormelde bepaling voor, waartoe wordt overwogen als volgt.

Keywords

AI generated
suspension of tax recovery outstanding tax liabilities deductions and refunds tax deferral income reduction suspension of pension

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 18/2056 uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 8 mei 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam] , verzoekster, gemachtigde: mr. F.A. van den Berg, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit (het primaire besluit) van 5 oktober 2016 heeft verweerder de aanvraag voor het wijzigen van de reguliere verblijfsvergunning van eiseres en haar dochter afgewezen en zijn de reguliere verblijfsvergunningen van eiseres en haar dochter ingetrokken.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft op 21 maart 2018 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (AWB 18/2055). Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst tot op het beroep is beslist (AWB 18/2056). Verweerder heeft de op zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:

Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich met betrekking tot het onderhavige verzoek een situatie als bedoeld in voormelde bepaling voor, waartoe wordt overwogen als volgt.

3. Bij schrijven van 17 april 2018 heeft verzoekster de gronden van het verzoek ingediend. Op 3 mei 2018 heeft eiseres verzocht met spoed buiten zitting een voorlopige voorziening te treffen nu de Belastingdienst alle toeslagen van verzoekster heeft beëindigd en de voorschotbedragen heeft teruggevorderd omdat zij geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Verweerder heeft op dit verzoek bij schrijven van 4 mei 2018 gereageerd.

4. Uit artikel 9, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) volgt dat een vreemdeling alleen zijn recht op toeslagen behoudt indien sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2017). Nu niet op voorhand is uitgesloten dat het beroep kans van slagen heeft en alleen het toewijzen van de voorziening in afwachting van dit beroep het besluit van de Belastingdienst schorst is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek voor toewijzing in aanmerking komt. Het belang van verzoekster om de uitkomst van het beroep af te wachten is groter dan het belang van de Belastingdienst om de toeslagen per direct te beëindigen en terug te vorderen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: - Treft de voorlopige voorziening dat de uitzetting van verzoekster achterwege blijft, hangende de beoordeling van haar beroep met AWB nummer 18/2055. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. ECLI:NL:RVS:2017:828, rechtsoverweging 15.