Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:5244 ECLI:NL:RBDHA:2018:5244 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:5244 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:5244
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL17.8498 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2018 in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. H.E. Visscher), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.M. Maas). Procesverloop Bij besluit van 22 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure ingewilligd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:5244 · Rechtbank Den Haag: Eiser voert verder aan dat verweerder hem in strijd met artikel 3.109d, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 geen leeftijdsonderzoek heeft aangeboden. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. Uit jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2591, volgt dat indien de leeftijdsregistratie in een andere lidstaat onvoldoende wordt betwist, reeds om die reden geen aanleiding bestaat voor het aanbieden van een leeftijdsonderzoek.

Keywords

AI generated
visas, asylum, immigration, etc unlawful stay applicability of immigration law residence permits immigration law fraud Nigerian asylum application

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:134
201604688/1/V3 Datum uitspraak: 17 januari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2016 in zaak nr. 16/10627 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 18 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2017:780
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, 2.
ECLI:NL:RVS:2003:AL3294
Daarnaast heeft de Afdeling in de uitspraak van 17 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AL3294, geoordeeld dat er procesbelang bestaat bij de betwisting van persoonsgegevens.
ECLI:NL:RVS:2017:3288
201708491/1/V3 en 201708491/2/V3 Datum uitspraak: 29 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 oktober 2017 in zaak nr. NL17.8652 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris.
ECLI:NL:RVS:2016:2591
201602905/1/V3. Datum uitspraak: 22 september 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 april 2016 in zaak nr. 16/5615 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 maart 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL17.8498 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2018 in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. H.E. Visscher), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.M. Maas). Procesverloop Bij besluit van 22 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure ingewilligd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en aanvullende beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Haile. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de zitting heeft de rechtbank de uitspraaktermijn eenmaal verlengd. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] . Hij bezit de Eritrese nationaliteit. Op 25 april 2017 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag ingewilligd en aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dient te worden uitgegaan van de geboortedatum die eiser eerder in Italië heeft opgegeven, te weten: [geboortedatum 2] . Verweerder baseert zich daarbij op een van de Italiaanse autoriteiten verkregen informatie van 17 juli 2017, waaruit blijkt dat eiser in Italië is geregistreerd met twee geboortedata: [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] . Verweerder verwijst ook naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:134 en 20 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:780, waaruit blijkt dat behoudens tegenbewijs mag worden uitgegaan van een in een andere lidstaat opgegeven geboortedatum.

3. Eiser voert kort weergegeven aan dat verweerder ten onrechte heeft vastgesteld dat hij meerderjarig is. Eiser heeft verklaard dat hij in Italië heeft gelogen over zijn leeftijd omdat minderjarigen daar worden vastgehouden terwijl hij wilde doorreizen naar Nederland. Hij stelt dat verweerder er niet enkel op grond van de registratie in Italië van mag uitgaan dat hij meerderjarig is.

4. Allereerst ziet de rechtbank zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser belang heeft bij het voeren van deze procedure. Hij heeft namelijk de door hem gevraagde asielvergunning gekregen, zodat hij in zoverre niet in een gunstigere positie kan komen te verkeren. Eiser heeft er echter op gewezen dat hij er belang bij heeft om als minderjarige te worden aangemerkt gelet op een toekomstig verzoek om nareis. Daarnaast heeft de Afdeling in de uitspraak van 17 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AL3294, geoordeeld dat er procesbelang bestaat bij de betwisting van persoonsgegevens. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij het voeren van deze procedure en zal de rechtbank zijn beroep inhoudelijk behandelen.

5. Niet in geschil is dat eiser in Italië tweemaal heeft verklaard dat hij meerderjarig is, te weten bij zijn aanmelding en bij het indienen van zijn asielaanvraag. In dat kader heeft verweerder er terecht op gewezen dat mag worden uitgegaan van een in een andere lidstaat opgegeven geboortedatum totdat de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij een andere geboortedatum heeft. Dat blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3288.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen aanknopingspunten naar voren heeft gebracht om aan te nemen dat hij minderjarig is. De stelling dat verweerder eiser niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn leeftijd aannemelijk te maken kan eiser ook niet baten nu eiser in beroep geen inzicht geeft in de wijze waarop hij zijn gestelde minderjarigheid aannemelijk had willen maken.

7. Eiser voert verder aan dat verweerder hem in strijd met artikel 3.109d, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 geen leeftijdsonderzoek heeft aangeboden. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. Uit jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2591, volgt dat indien de leeftijdsregistratie in een andere lidstaat onvoldoende wordt betwist, reeds om die reden geen aanleiding bestaat voor het aanbieden van een leeftijdsonderzoek.

8. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat zijn rechten als minderjarige zoals die worden beschermd door het Verdrag inzake de rechten van het kind, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn geschonden. Deze grond faalt omdat niet aannemelijk is dat eiser minderjarig is.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2018. griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.