Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:4521 ECLI:NL:RBDHA:2018:4521 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:4521 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:4521
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 18/493 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2018 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld), en de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [plaats], verweerder. De bestreden beslissing op bezwaar De beslissing van verweerder van 5 december 2017 op het bezwaar van eiser tegen de hierna te noemen beschikking kindgebonden budget voor het berekeningsjaar 2017. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Kruseman (kantoorgenoot van de gemachtigde). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger]. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Bij besluit van 28 december 2016 heeft verweerder aan eiser een voorschot kindgebonden budget over 2017 toegekend van € 5.116. Het voorschot is verstrekt naar de norm van een alleenstaande.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2018:4521 · Rechtbank Den Haag: Eiser stelt recht te hebben op de alokop, omdat zijn echtgenote in het asielzoekerscentrum verbleef en zij niets kon bijdragen voor de verzorging van de kinderen. Volgens eiser is sprake van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder doet eiser een beroep op artikel 8 van het EVRM, stelt hij dat verweerder ten onrechte onderscheid maakt tussen zijn kinderen en kinderen met een alleenstaande ouder en is volgens hem ook sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Keywords

AI generated
spousal joint tax liability employed spouse liability of tax advisor couples' disability pension family taxation dependent connecting factor

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 van het EVRM
Verder doet eiser een beroep op artikel 8 van het EVRM, stelt hij dat verweerder ten onrechte onderscheid maakt tussen zijn kinderen en kinderen met een alleenstaande ouder en is volgens hem ook sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2010:BO4841
Procesverloop Bij besluit van 25 oktober 2008 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] voor 2006 toe te kennen huurtoeslag op nihil gesteld en van haar het aan haar uitgekeerde voorschot ten bedrage van € 2.229,00 teruggevorderd. Bij besluit van 2 juli 2009 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 januari 2010, verzonden op 29 januari 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend. [appellante] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2010, waar [appellante], bijgestaan door mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. A.D. Schreutelkamp, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.
ECLI:NL:RVS:2013:BZ3348
201201834/1/A2. Datum uitspraak: 6 maart 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], mede voor haar minderjarige kinderen, allen wonend te [woonplaats], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]) tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2012 in zaak nr. 11/ 3800 in het geding tussen: [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 24 mei 2011 heeft de Belastingdienst de aanvraag van [appellant] om een kindgebonden budget voor 2011 afgewezen. Bij besluit van 18 juli 2011 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2013:CA0142
201207292/1/A2. Datum uitspraak: 15 mei 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 juli 2012 in zaak nr. 12/445 in het geding tussen: [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 12 december 2011 heeft de Belastingdienst het aan [appellant] toegekende voorschot zorgtoeslag voor het jaar 2011 herzien en op nihil gesteld. Bij besluit van 22 december 2011 heeft de Belastingdienst het door [appellant] reeds ontvangen voorschot zorgtoeslag voor het jaar 2011 teruggevorderd.
ECLI:NL:RVS:2014:4179
201400704/1/A2. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 december 2013 in zaak nr. 13/1489 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 6 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 voor [appellante] herzien en vastgesteld op nihil. Bij besluit van 31 januari 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 18/493 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2018 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld), en de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [plaats], verweerder. De bestreden beslissing op bezwaar De beslissing van verweerder van 5 december 2017 op het bezwaar van eiser tegen de hierna te noemen beschikking kindgebonden budget voor het berekeningsjaar 2017. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Kruseman (kantoorgenoot van de gemachtigde). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger]. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Bij besluit van 28 december 2016 heeft verweerder aan eiser een voorschot kindgebonden budget over 2017 toegekend van € 5.116. Het voorschot is verstrekt naar de norm van een alleenstaande.

2. Bij besluiten van 21 februari 2017 en 21 augustus 2017 heeft verweerder het voorschot kindgebonden budget opnieuw vastgesteld op € 5.116.

3. Bij besluit van 22 oktober 2017 heeft verweerder het aan eiser toegekende voorschot kindgebonden budget herzien en vastgesteld op € 2.040, omdat uit de Basisregistratie personen blijkt dat eiser sinds 2005 gehuwd is met [echtgenote] (echtgenote). Echtgenote wordt voor de toeslagen aangemerkt als toeslagpartner, zodat volgens verweerder geen recht bestaat op de tegemoetkoming voor alleenstaande ouders (alokop).

4. Bij beslissing op bezwaar zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

5. In geschil is of eiser recht heeft op de alokop.

6. Eiser stelt recht te hebben op de alokop, omdat zijn echtgenote in het asielzoekerscentrum verbleef en zij niets kon bijdragen voor de verzorging van de kinderen. Volgens eiser is sprake van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder doet eiser een beroep op artikel 8 van het EVRM, stelt hij dat verweerder ten onrechte onderscheid maakt tussen zijn kinderen en kinderen met een alleenstaande ouder en is volgens hem ook sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

7. Op grond van artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget (Wkb) heeft een ouder zonder partner recht op een verhoging van het kindgebonden budget. Dat eiser gehuwd is met echtgenote is niet in geschil noch dat zij daardoor zijn toeslagpartner is. Voor de toepassing van de Wkb wordt hij dus niet als alleenstaande ouder aangemerkt, zodat eiser ten onrechte een verhoging van het kindgebonden budget heeft ontvangen. Dat echtgenote in een asielzoekerscentrum verbleef en eiser de kosten voor de verzorging van de kinderen niet met haar kon delen, doet aan het voorgaande niet af.

Ook de omstandigheid dat eiser voor de toepassing van de Participatiewet (Pw) wel als alleenstaande wordt aangemerkt, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het toekennen van een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande heeft immers betrekking op de normen die gelden voor de Pw. De verwijzing naar de op 27 maart 2018 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) aan verweerder gestelde vragen, kan eiser niet baten omdat uit die brief blijkt dat er vragen zijn gesteld over de gevolgen van de werking van het koppelingsbeginsel bij de overheveling van de alokop van de Wet werk en bijstand naar de Wkb in het geval van een partner zonder rechtmatig verblijf.

Gelet hierop en de ter zitting overgelegde reactie van verweerder van 6 april 2018, is van een met eiser vergelijkbaar geval geen sprake omdat toepassing van het koppelingsbeginsel in de onderhavige zaak niet aan de orde is.

8. Ook het beroep op artikel 1 van het EP bij het EVRM slaagt niet. Nu eiser sinds 2005 gehuwd is, kon hij bij zijn aanvraag geen gerechtvaardigde verwachting hebben dat hij aanspraak had op de alokop. Die aanspraak is dan ook geen “possession” zoals bedoeld in artikel 1 van EP bij het EVRM (zie ABRvS 24 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4841).

9. Dat zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen, op basis waarvan de toepassing van artikel 2, zesde lid, van de Wkb zich niet verdraagt met artikel 8 van het EVRM, is in de situatie van eiser niet gebleken. De rechtbank overweegt verder dat tegemoetkomingen niet strekken tot het waarborgen van het bestaansminimum. De rechtbank wijst in dit kader op de uitspraken van de ABRvS van 6 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ3348) en 15 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0142). Dat de alokop bedoeld is voor de verzorging van de kinderen en eiser niet gecompenseerd wordt voor het missen van de alokop, kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Het beroep op artikel 8 van het EVRM faalt.

10. Voor zover eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel door te stellen dat zijn kinderen anders behandeld worden dan kinderen die in een éénoudergezin opgroeien, overweegt de rechtbank dat voor een geslaagd beroep hierop een rechtens vergelijkbaar geval moet worden genoemd dat verweerder ongelijk heeft behandeld. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld, faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

11. Uit artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) volgt voorts dat verweerder geen discretionaire bevoegdheid heeft met betrekking tot de herziening en terugvordering van te veel ontvangen toeslagen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan daarom niet slagen. Zoals de ABRvS heeft overwogen in de uitspraak van onder meer 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4179, is in de Awir geen bepaling opgenomen op grond waarvan verweerder van terugvordering kan afzien.

12. Gelet op het voorafgaande heeft verweerder, voor zover het de toekenning van alokop betreft, in redelijkheid kunnen besluiten om het voorschot kindgebonden budget over 2017 te herzien. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)