ECLI:NL:RBDHA:2018:3982 · Rechtbank Den Haag
Legislator summary
AI generatedRechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/9255 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 april 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoekster], verzoekster, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Orhan), tegen de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Overwegingen 1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak in onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:81 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2018:3982 · Rechtbank Den Haag: A. Orhan), tegen de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Overwegingen 1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak in onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedRelated Decisions
AI generatedFull text
Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/9255 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 april 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoekster], verzoekster, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Orhan), tegen de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Overwegingen 1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak in onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening.
2. De voorzieningenrechter is verzocht om hangende het beroep met zaaknummer AWB 17/9252 te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, totdat op het beroep is beslist.
3. De rechtbank heeft heden het beroep ongegrond verklaard, zodat niet langer wordt voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste.
4. Het verzoek is om die reden kennelijk niet-ontvankelijk.
5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2018. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld