Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:3941 ECLI:NL:RBDHA:2018:3941 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:3941 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:3941
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/545274 / KG ZA 17-1633 Vonnis in kort geding van 5 april 2018 in de zaak van [eiser] , thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te [locatie] , eiser, advocaat mr. E. Sahin te Eindhoven, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties; - de brieven van de Staat van 19 en 23 januari 2018 en van 13 en 19 maart 2018, (telkens) met producties; - de op 22 maart 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 EVRM, artikel 6 EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2018:3941 · Rechtbank Den Haag: Uit de artikelen 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten, zoals bedoeld in onder meer artikel 3 EVRM, in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister en zal deze bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533).

Keywords

AI generated
fitness for detention maintenance of security detention validity of pre-trial detention rights of detainees detention for transfer lawful administrative detention

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 EVRM
Er zijn geen concrete, de opgeëiste persoon betreffende omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij, toen hij in een Servische penitentiaire inrichting in voorarrest verbleef, het slachtoffer is geweest van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.
artikel 6 EVRM

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2003:AE5288
8 juli 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De procesgang 1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 20 mei 2003. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage vernietigd voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment, afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998, omschreven klacht ontoelaabaar is verklaard. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. 1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, die voor hem het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities. Ook heeft de opgeëiste persoon zelf het woord ter verdediging gevoerd. Zijn pleitnotities zijn eveneens aan voornoemd proces-verbaal gehecht. De Advocaat-Generaal Jörg heeft een schriftelijke samenvatting gegeven die ertoe strekt de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 toelaatbaar te verklaren. 2. Het verzoek tot uitlevering 2.1. Het hernieuwde verzoek tot uitlevering, verder aan te duiden als het verzoek, is gedaan bij nota no. 15 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 6 februari 2001, gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In dit verzoek wordt verwezen naar het hieronder onder 2.3 (i) nog te noemen, reeds eerder gedane, doch ingetrokken, verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon voor dezelfde strafbare feiten. 2.2. Het verzoek, voorzover thans nog aan de orde, strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten 2 en 3, aangeduid als "prohibited foreign trade practices" en omschreven in de hieronder onder 2.3 (v) vermelde "affidavit in support of request for extradition" op p. 3 onder a t/m o. 2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd: (i) een nota no. 24 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 4 mei 2000 inhoudende een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging; (ii) een door de Assistant Authentication Officer, Department of State, gecertificeerde verklaring van Madeleine K. Albright, Secretary of State van 20 april 2000 dat het hierna onder (iii) genoemde document het zegel van het Department of Justice van de Verenigde Staten van Amerika draagt; (iii) een door de Director/Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division of the United States Department of Justice gecertificeerde verklaring van 19 april 2000 van Janet Reno, Attorney General of the United States, dat Russel Bikoff zowel ten tijde van de ondertekening van het daaraan gehechte document als ten tijde van het opmaken van de onderhavige verklaring Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division, U.S. Department of Justice, Washington DC, was; (iv) een verklaring van 19 april 2000 houdende de certificering door voornoemde Russel Bikoff van de onder (v) genoemde verklaring en onder (vi) genoemde bijlagen; (v) een door John M. Facciola, United States Magistrate Judge, beëdigd en door Philip Urofsky, employed by the United States Department of Justice as a Trial Attorney in the Criminal Division, op 31 maart 2000 afgelegde verklaring tot staving van het verzoek om uitlevering waarin is opgenomen de identiteit van de opgeëiste persoon, de nationaliteit, de vermoedelijke verblijfplaats, een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht met vermelding van plaats en tijd ervan, het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, de wettelijke omschrijving en de toepasselijke Amerikaanse strafbepalingen; (vi) de bijlagen, gevoegd bij de onder (v) genoemde verklaring: a. een gewaarmerkt afschrift van een Superseding Indictment van de United States District Court for the District of New Jersey, van 11 september 1998, houdende een nader overzicht van de feiten en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, ondertekend door Nicholas R. Abitante, foreperson van de Grand Jury, en Faith S. Hochberg, United States Attorney; b. een gewaarmerkt afschrift van een door Anne E. Thompson, Chief, United States District Judge, te Trenton, New Jersey, gegeven Warrant for Arrest betreffende de opgeëiste persoon, inhoudende een korte aanduiding van de feiten (zonder datering); c. de tekst van de toepasselijke strafbepalingen van de desbetreffende Amerikaanse wet waarvoor uitlevering wordt verzocht en van de wetsbepalingen houdende de straf die op de feiten is gesteld; d. een foto van drie personen onder wie de opgeëiste persoon. Voorts bevinden zich bij de stukken de vertaling in het Nederlands van de hierboven onder (ii) t/m (vi) a t/m c aangeduide stukken. 3. Beoordeling van de gevoerde verweren 3.1.1. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de bijzonderheden van de onderhavige zaak een inbreuk rechtvaardigen op het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden beheerst, aangezien de opgeëiste persoon het risico loopt te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op aan de opgeëiste persoon ingevolge het EVRM toekomende rechten. In het bijzonder wordt gesteld dat een plea agreement in strijd is met art. 6 EVRM. In dit verband wordt aangevoerd dat de verwachte duur van de procedure indien geen plea agreement wordt gesloten (full trial) onevenredig lang zal zijn in verhouding tot de situatie dat wel een plea agreement wordt gesloten. De opgeëiste persoon zou aldus in redelijkheid geen vrije keus hebben. Verder wordt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens de afdoening van de zaak, in geval van een full trial, vermoedelijk niet binnen een naar Nederlandse maatstaven redelijk te achten termijn zal plaatsvinden. Tot slot wordt betoogd dat de eventuele toepassing van de terugkeerregeling en omzettingsprocedure illusoir zal zijn, omdat de te verwachten vrijheidsstraf waarschijnlijk zodanig zal zijn dat deze reeds zal zijn ondergaan voordat terugkeer naar Nederland zal zijn geëffectueerd vanwege de procedurele complicaties en doorlooptijden. 3.1.2. Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad neemt derhalve als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren. Dat brengt mee dat evenzeer van dat vertrouwen uitgegaan moet worden bij toepassing in de Verenigde Staten van Amerika van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds ten tijde van de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid. Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de op-geëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat. 3.1.3. Gelet op de door de raadsman hiervoor onder 3.1.1 gestelde omstandigheden, welke alle betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen waaromtrent nog niets met zekerheid is vast te stellen noch ten nadele noch ten voordele van de opgeëiste persoon, kan mede in het licht van het voorgaande niet worden gezegd, dat tussen de mogelijkheden waaruit de opgeëiste persoon zal moeten kiezen - het ondergaan van een full trial dan wel het aangaan van een plea agreement - gelet op de duur van de onderscheiden procedures en de mogelijke verschillen in uitkomst een zodanige flagrante wanverhouding bestaat, dat de opgeëiste persoon wordt gedwongen een plea agreement aan te gaan. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.1.4. Ten aanzien van het verweer dat, indien het tot een full trial in de Verenigde Staten van Amerika komt, er vermoedelijk geen sprake zal zijn van een berechting binnen een redelijke termijn, geldt dat dat enkele vermoeden niet dwingt tot het oordeel dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. 3.1.5. Het betoog tenslotte dat de terugkeerregeling illusoir kan blijken te zijn - gelet enerzijds op de te verwachten hoogte van de straf en anderzijds op de duur van de administratieve afhandeling van de terugkeer naar Nederland - wordt gevoerd met de kennelijke strekking dat op grond daarvan de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Dat betoog faalt, aangezien daarmee wordt miskend dat het de uitleveringsrechter niet vrijstaat bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering de vraag te betrekken of de opgeëiste persoon zal kunnen terugkeren naar Nederland teneinde aldaar de opgelegde vrijheidsstraf (verder) te ondergaan en of die terugkeer daartoe tijdig zal geschieden. 3.2.1. Verder is door de raadsman ten verwere aangevoerd dat het legaliteitsbeginsel wordt geschonden, indien de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika zou worden uitgeleverd. Nederland kan de opgeëiste persoon zelf niet vervolgen voor de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, aangezien deze feiten ten tijde van het begaan ervan niet strafbaar waren naar Nederlands recht, aldus de raadsman. 3.2.2. Met dit betoog wordt miskend dat de rechter de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te beoordelen naar het tijdstip van de behandeling van het verzoek daartoe. In dit geval staat vast dat de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, inmiddels in Nederland strafbaar zijn gesteld. Derhalve faalt het betoog. 3.2.3. Voorzover het verweer tevens moet worden bezien in het verband van een te zijner tijd te nemen beslissing op een verzoek tot overdracht van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde hier de vrijheidsstraf (verder) te ondergaan, faalt het verweer op de door de Hoge Raad reeds in zijn te dezer zake gewezen tussenarrest van 20 mei 2003 gegeven gronden. 3.3.1. Tenslotte heeft de raadsman gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota heeft hij daartoe het volgende aangevoerd: "17. Overigens merk ik nog op dat de verdenkingen krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, aanvankelijk alleen de corrupte betaling van eigen onderdanen en van bedrijven gevestigd in de Verenigde Staten aan buitenlandse officials strafbaar stelde. Eerst sinds 1998 stelt deze wet dergelijk handelen van buitenlanders en buitenlandse bedrijven ook strafbaar. Kort en goed: hetgeen cliënt wordt verweten was ten tijde van de gedraging ook niet strafbaar in de Verenigde Staten (krachtens de FCPA)." 3.3.2. Uit de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, blijkt dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon bestaat ter zake van gedragingen van hem in zijn hoedanigheid van onder meer voorzitter van de raad van beheer van Saybolt North America Inc., een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde onderneming. De Foreign Corrupt Practices Act 1977 is derhalve ook op deze onderneming van toepassing. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag. 4. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering 4.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering ter strafvervolging als volgt. 4.2. De persoon die is gehoord ter zitting van 10 juni 2003 heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. 4.3. De stukken voldoen aan de eisen die art. 9, tweede en derde lid, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika stellen. Ook is voldaan aan art. 18 Uitleveringswet. 4.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, United States Code, titel 15, art. 78DD-2 en titel 18, art. 2. Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar als het misdrijf van art. 177 Sr en/of het misdrijf van art. 177a Sr, in verbinding met art. 178a Sr (omkoping van buitenlandse ambtenaren). Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.6. Aan het in art. 2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan. 5. Slotsom Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan, dient, gelet op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, als volgt te worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad verklaart de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar voor de onder 2.2 bedoelde, in het verzoek onder 2 en 3 aangeduide, feiten. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 juli 2003. 20 mei 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/DAT Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het beroep en het middel zijn uitsluitend gericht tegen de weigering de verzochte uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de in het verzoek onder 2 en 3 genoemde feiten, te weten: - verboden buitenlandse handelspraktijken, in overtreding van titel 15, art. 78DD-2 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek; - reizen naar het buitenland en van Staat naar Staat ten behoeve van criminele ondernemingen, in overtreding van titel 18, art. 1952 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek. Namens de opgeëiste persoon is het cassatieberoep tegengesproken door mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep op grond dat de schriftuur niet is ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 2.2. Bij tussenarrest van 3 december 2002 heeft de Hoge Raad de Officier van Justitie ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Kort samengevat heeft de Hoge Raad geoordeeld: dat een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW meebrengt dat de officier van justitie in uitleveringszaken gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen, en dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak op 10 juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 2.3. De Hoge Raad gedraagt zich naar het tussenarrest. Weliswaar is nadien namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep op grond dat de uitspraak niet op 10 juni 2002, maar op 4 juni 2002 ter beschikking is gekomen, maar de juistheid van hetgeen aldus is aangevoerd kan in het midden blijven nu vaststaat dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank niet eerder dan eind juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen. 2.4. De Advocaat-Generaal Jörg heeft aanvullend geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een dag zal bepalen waarop de zaak voor de Hoge Raad zal dienen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt met rechtsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 ontoelaatbaar dient te worden verklaard. 3.2. De Rechtbank heeft de uitlevering voor die feiten ontoelaatbaar verklaard en daartoe het volgende overwogen: "De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De Verenigde Staten van Amerika en Nederland zijn beide partij bij het op 21 maart 1983 gesloten Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. In verbinding met de exchange of letters of understanding, General Affairs Department DA2/J2-ISN-38245 No 81 van 11 juli 1991 zou dus technisch de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika ter zake van het feitencomplex sub 2 en sub 3, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, teruglevering aan Nederland gegarandeerd kunnen worden om in Nederland tenuitvoerlegging van het gewijsde te ondergaan of verder te ondergaan. Ten tijde van de periode waarin het feitencomplex sub 2 en sub 3 volgens het uitleveringsverzoek zou zijn begaan, was dit complex als zodanig niet strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank zou door in casu uitlevering toe te laten, voorziend dat wegens het hierna te noemen legaliteitsbeginsel exequatur bij teruglevering in zoverre geweigerd zou moeten worden, inbreuk maken op het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht ongeclausuleerde en onvoorwaardelijk verbod tot berechting en bestraffing van iemand ter zake van feiten die ten tijde van begaan daarvan niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar waren gesteld. Immers, de opgeëiste persoon heeft, zoals overwogen, de Nederlandse nationaliteit en bij teruglevering van de opgeëiste persoon aan Nederland zou overneming en positieve erkenning van het veroordelend gewijsde een inbreuk inhouden van dit ongeclausuleerde verbod. Weliswaar kan het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM - waaraan Nederland als verdragsluitende partij gebonden is - vervatte legaliteitsbeginsel door verdragen of krachtens besluiten van volkenrechtelijke organisaties opzij worden gezet, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk overweegt in zijn arrest van 18 december 2001 in de zaak tegen [A] (de Hoge Raad leest: HR 18 september 2001, NJ 2002, 559), zulks op een voordracht tot cassatie in het belang der wet van een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 20 november 2000, maar in het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag is geen voorziening opgenomen waaruit deze terzijdestelling zou volgen. Derhalve staat vooralsnog vast dat aan enige veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika voor de sub 2 en 3 genoemde feiten als gekwalificeerd in het uitleveringsverzoek, bij teruglevering exequatur geweigerd zal moeten worden. De uitlevering dient mitsdien voor deze feiten op voornoemde gronden ontoelaatbaar verklaard te worden. Mochten de Verenigde Staten van Amerika slechts voornemens zijn geldboetes op te leggen, dan dient te gelden dat het te dezen toepasselijke verdrag niet voorziet in rechtshulp daartoe." 3.3. De eerste klacht van het middel, die in een aantal onderdelen uiteenvalt, is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat in geval van een veroordeling in de Verenigde Staten van Amerika ter zake van genoemde feiten het exequatur - waarmee de Rechtbank klaarblijkelijk doelt op het verlof tot tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) - geweigerd zou moeten worden. Het meest verstrekkende onderdeel van die klacht luidt dat de Rechtbank aldus ten onrechte is vooruitgelopen op de beslissing van de exequaturrechter. Dit onderdeel van de klacht treft doel. De beantwoording van de vraag of verlof dient te worden verleend tot tenuitvoerlegging van een vonnis van een buitenlandse rechter is voorbehouden aan de rechter die daaromtrent ingevolge de bepalingen van de WOTS heeft te oordelen. Het staat de uitleveringsrechter niet vrij de (te verwachten) beantwoording van die vraag bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering te betrekken. De gegrondheid van dit onderdeel van de klacht brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en de overige klachten geen bespreking behoeven. 3.4. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding het middel nog te bespreken voorzover het kennelijk strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de exequaturrechter - na overdracht van de gevonniste persoon aan Nederland - het vereiste van strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht (art. 3, eerste lid onder c, WOTS) dient te beoordelen naar het moment waarop die feiten zijn gepleegd. Het middel bestrijdt dat oordeel terecht. De strekking van genoemd vereiste is immers te voorkomen dat Nederland medewerking zou moeten verlenen aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht. Voor de beantwoording van de vraag of aan dat vereiste is voldaan is daarom beslissend of de desbetreffende feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn ten tijde van de beslissing van de daartoe ingevolge de WOTS aangewezen rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging. Het verlenen door die rechter van een verlof tot tenuitvoerlegging kan niet worden aangemerkt als "berechting en bestraffing" van die feiten, zodat, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, in geval van een dergelijk verlof ten aanzien van feiten die op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd naar Nederlands recht nog niet strafbaar waren gesteld, van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998 omschreven aanklacht ontoelaatbaar is verklaard; Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 te 12:00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 mei 2003. ======================= 3 december 2002 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon, mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het cassatieberoep tegengesproken. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In zijn verweerschrift tegen het cassatieberoep is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde beroep, aangezien de middelen niet zijn ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 3.2. Op grond van art. 31, derde lid, UW is de Officier van Justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie. 3.3. Het cassatieberoep is blijkens de daarvan opgemaakte akte ingesteld op 31 mei 2002. De schriftuur is blijkens een daarop geplaatst stempel op 9 juli 2002 bij de Hoge Raad ingekomen. De schriftuur is derhalve niet binnen de bij de wet bepaalde termijn ingediend. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een schrijven van de Officier van Justitie van 19 juli 2002, inhoudende dat zij eerst op 10 juni 2002 kon beschikken over de uitgewerkte uitspraak. De Hoge Raad gaat uit van de juistheid van deze mededeling. Kennelijk heeft de Officier van Justitie aangenomen dat de wettelijke termijn van een maand voor het indienen van de schriftuur aanving op de datum van ontvangst van de uitgewerkte uitspraak waartegen het cassatieberoep was gericht. 3.4. In zijn beslissing van 16 april 1996, NJ 1996, 527, heeft de Hoge Raad in een strafzaak waarin het openbaar ministerie een van de kernstukken van het geding - het proces-verbaal van de terechtzitting - pas na verloop van de termijn voor het indienen van de schriftuur had ontvangen, beslist dat een redelijke toepassing van art. 433 (oud) Sv meebrengt dat die termijn pas begint te lopen na de ontvangst van het ontbrekende stuk. 3.5.1. Sedert de inwerkingtreding op 1 oktober 2000 van de wetswijziging van 28 oktober 1999, Stb. 467, is de regeling voor het indienen van de cassatieschriftuur in strafzaken neergelegd in art. 437 Sv. De termijn voor het indienen van de schriftuur van een maand vangt voor het openbaar ministerie thans aan nadat de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv aan hem is verzonden. Ook de verdachte is thans op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden zijn schriftuur binnen een termijn (twee maanden) nadat de aanzegging aan hem is betekend te doen indienen. 3.5.2. Voor de toepassing van art. 437 Sv heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2000, NJ 2000, 581, in een geval waarin de raadsman van een verdachte de kernstukken van het geding niet tijdig had ontvangen, beslist dat een dergelijk verzuim van de strafadministratie kan meebrengen dat de raadsman door de rolraadsheer (de enkelvoudige strafkamer van de Hoge Raad) desverzocht alsnog een termijn wordt gegund om een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken voorzover kennisneming van die stukken onontbeerlijk is voor het formuleren van de middelen. Naar de stand van de huidige rechtspraak is het dan ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de officier van justitie onderscheidenlijk de verdachte een nadere termijn voor het indienen van de middelen wordt gegund en geldt niet meer de hiervoor onder 3.4 gegeven regel dat in ieder geval aanspraak kan worden gemaakt op de volle termijn vanaf de ontvangst van de kernstukken. 3.6. De te beantwoorden vraag is thans of het vorenstaande evenzeer geldt in uitleveringszaken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. De regeling van art. 31, derde lid, UW wijkt in zoverre af van die van art. 437 Sv dat de termijn van een maand, waarbinnen de officier van justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad moet indienen, niet aanvangt na de verzending van een aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv, derhalve nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, maar nadat hij het beroep in cassatie heeft ingesteld. De opgeëiste persoon die beroep in cassatie instelt kan, anders dan de officier van justitie, een schriftuur indienen, en wel tot de dienende dag. 3.7. Dit verschil tussen de regeling van het Wetboek van Strafvordering en die van de Uitleveringswet heeft tot gevolg dat zaken waarin art. 437 Sv van toepassing is, reeds wel bij de Hoge Raad bekend zijn op het moment dat de termijn voor het indienen van de schriftuur begint te lopen, zodat de rolraadsheer dienaangaande in voorkomend geval kan beoordelen of er aanleiding is een nadere termijn te gunnen, terwijl de stukken van het geding in uitleveringszaken veelal nog niet bij de Hoge Raad ingekomen zijn in de fase waarin de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur voor de officier van justitie loopt. De rolraadsheer zal in die gevallen dan ook niet in staat zijn een verzoek om verlenging van de termijn te beoordelen. 3.8. Gelet hierop brengt een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW mee dat de officier van justitie in uitleveringszaken, naar analogie van de hiervoor onder 3.4 weergegeven - voor strafzaken inmiddels achterhaalde - rechtspraak, gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen. 3.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 4. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat het door de Officier van Justitie ingestelde beroep in behandeling kan worden genomen. De zaak dient - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - te worden verwezen naar de rolzitting van de Hoge Raad voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel. 5. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de Officier van Justitie ontvankelijk in het cassatieberoep; Verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2003 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel; Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 december 2002.
ECLI:NL:HR:1996:ZD0547
De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard voor de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.
ECLI:NL:HR:2006:AV7387
Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploot van 8 oktober 2004 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd de Staat te veroordelen om [verweerster] niet uit te leveren aan Turkije. De Staat heeft de vordering bestreden. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 8 november 2004 de Staat verboden [verweerster] aan Turkije uit te leveren. Tegen dit vonnis van de voorzieningenrechter heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Verweerster] heeft (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 20 januari 2005 heeft het hof in het principaal appel het vonnis waarvan hoger beroep bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2014:1680
11 juli 2014 Eerste Kamer nr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/545274 / KG ZA 17-1633 Vonnis in kort geding van 5 april 2018 in de zaak van [eiser] , thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te [locatie] , eiser, advocaat mr. E. Sahin te Eindhoven, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties; - de brieven van de Staat van 19 en 23 januari 2018 en van 13 en 19 maart 2018, (telkens) met producties; - de op 22 maart 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Bij uitspraak van de Hogere Rechtbank te Novi Sad van 7 september 2012 is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar wegen medeplegen van een gewapende roofoverval. Deze uitspraak is op 27 september 2013 bekrachtigd door de "Court of Appeal" te Novi Sad. 2.2. Op 23 november 2016 hebben de Servische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten om de uitlevering van [eiser] verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van voormelde straf. 2.3.

Bij uitspraak van 21 februari 2017 heeft de rechtbank Oost-Brabant de uitlevering van [eiser] toelaatbaar verklaard. In de uitspraak wordt onder meer het volgende overwogen: "De rechtbank volgt het verweer niet. Er zijn geen concrete, de opgeëiste persoon betreffende omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij, toen hij in een Servische penitentiaire inrichting in voorarrest verbleef, het slachtoffer is geweest van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Omdat aldus niet gebleken is dat in Servië reeds een inbreuk op artikel 3 EVRM heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat het verweer een dreigende schending van artikel 3 EVRM betreft.

Om die reden staat het verweer niet ter beoordeling van de rechtbank, maar van de Minister van Veiligheid en Justitie. De rechtbank zal dan ook niet, zoals de verdediging heeft verzocht, de uitlevering ontoelaatbaar achten. Ook zal de rechtbank daarom geen vragen stellen aan de Servische autoriteiten omtrent de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting waar de gevangenisstraf van de opgeëiste persoon ten uitvoer zal worden gelegd gelet op het vonnis van de verzoekende staat. Het vorenstaande laat onverlet dat de rechtbank het CPT-rapport dat door de verdediging is overgelegd in het dossier zal voegen en in haar adviesbrief aan de Minister aandacht zal vragen voor dit rapport en de zorgen van de verdediging over de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon in een Servische penitentiaire inrichting komt te verkeren indien hij wordt uitgeleverd.

De rechtbank acht het van belang, gelet op de inhoud van het rapport, dat de Minister aandacht besteedt aan die zorgen met het oog op een mogelijke dreigende schending van artikel 3." 2.4. Op 21 februari 2017 adviseert de rechtbank Oost-Brabant de minister van Justitie en Veiligheid (hierna 'de Minister') aan het verzoek van de Servische autoriteiten tot uitlevering van [eiser] gevolg te geven. 2.5. Bij arrest van 12 september 2017 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiser] tegen de uitspraak van 21 februari 2017 verworpen. 2.6. Op 8 november 2017 heeft de Minister aan de Servische autoriteiten een aantal vragen gesteld over de detentieomstandigheden die op [eiser] van toepassing zullen zijn en verzocht om een toezegging dat de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf in overeenstemming zal zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden ('EVRM'). 2.7.

De Servische autoriteiten hebben vervolgens op 27 november 2017 gereageerd. Daarbij geven zij - onder andere - aan dat [eiser] zijn straf zal moeten ondergaan in de penitentiaire inrichting " [naam PI] ", met de toezegging dat daarbij de internationale standaarden - en meer specifiek het bepaalde in artikel 3 EVRM - in acht zullen worden genomen. 2.8. Bij beschikking van 7 december 2017 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] aan Servië toegestaan. 2.9. Op 22 en 29 januari 2018 heeft de Minister nadere/aanvullende vragen gesteld aan de Servische autoriteiten.

Deze hebben daarop op 24 januari 2018 respectievelijk 2 maart 2018 gereageerd. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert, zakelijk weergegeven: primair - zijn uitlevering aan Servië te verbieden; subsidiair - zijn uitlevering aan Servië te verbieden of uit te stellen totdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ('EHRM') een eindbeslissing heeft genomen op zijn klacht; meer subsidiair - zijn uitlevering aan Servië uit te stellen tot op zijn verzoek op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen ('Wots') een onherroepelijk beslissing is gegeven; meest subsidiair - zijn uitlevering aan Servië te verbieden of uit te stellen totdat hij in de nieuwe penitentiaire inrichting te [plaats] terecht kan; een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan. De door de Minister voorgenomen uitlevering van [eiser] naar Servië is onrechtmatig, aangezien sprake is van: (i) een voltooide schending van artikel 3 EVRM, nu hij destijds door de Servische politie - door middel van foltering - is gedwongen een bekennende verklaring af te leggen in de onderliggende strafzaak; (ii) een voltooide schending van artikel 6 EVRM, nu hij op basis van die onder dwang, bedreiging en mishandeling afgelegde (bekennende) verklaring is veroordeeld door de Servische strafrechter; (iii) een dreigende schending van artikel 3 EVRM, gelet op de slechte detentieomstandigheden en het gevaar voor zijn persoonlijke veiligheid in de penitentiaire inrichting waarin [eiser] na zijn uitlevering zal worden geplaatst.

Voor zover wordt geoordeeld dat de uitlevering van [eiser] naar Servië toch toelaatbaar is, moet deze worden verboden c.q. uitgesteld totdat is beslist op een nog in te dienen klacht bij het EHRM wegens schending van de artikelen 3, 6 en 13 EVRM, dan wel op een nog in te dienen Wots-verzoek. Indien ook dat niet toewijsbaar is, moet met de uitlevering worden gewacht totdat [eiser] kan worden geplaatst in de in aanbouw zijnde penitentiaire inrichting in [plaats] , waar de detentieomstandigheden beter zijn dan in de penitentiaire inrichting [naam PI] , waar de Servische autoriteiten hem willen plaatsen. 3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil 4.1. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek, dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). 4.2. Op grond van de Uitleveringswet (Uw) vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan.

In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister, zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon. 4.3.

Uit de artikelen 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten, zoals bedoeld in onder meer artikel 3 EVRM, in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister en zal deze bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533).

Indien vervolgens tegen een besluit van de Minister om de uitlevering toe te staan, wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007, 277). 4.4. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd sprake is van een voltooide inbreuk op diens fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. 4.5.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1680) kan echter worden afgeleid dat in de hiervoor omschreven taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister een uitzondering kan worden aanvaard indien vaststaat dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd en er is dus sprake is van een voltooide inbreuk. In een zodanig geval is een besluit van de Minister waarbij de uitlevering (desondanks) wordt toegestaan zonder meer onrechtmatig en moet de uitlevering door de burgerlijke rechter worden verboden.

Beroept de opgeëiste persoon zich daarbij echter op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep worden voorbijgegaan indien daaraan niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet aan de orde is gesteld en in de civiele procedure wel naar voren wordt gebracht, zal door de burgerlijke rechter in de beoordeling moeten worden betrokken. In voorkomend geval kan dit ook ertoe leiden dat in de civiele procedure op grond van deze nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure. 4.6.

Reeds op grond van het voorgaande treft het beroep van [eiser] op voltooide schendingen van de artikelen 3 en 6 EVRM geen doel. Deze - vermeende - schendingen zijn immers reeds, overeenkomstig voormelde taakverdeling, beoordeeld door de rechtbank Oost-Brabant, als uitleveringsrechter, en door haar ongegrond verklaard, welke beslissing vervolgens door de Hoge Raad in stand is gelaten, terwijl [eiser] zich noch bij de Minister, noch in het kader van het onderhavige kort geding heeft beroepen op nieuwe feiten en/of omstandigheden, dan wel ander bewijsmateriaal.

In feite komen de stellingen van [eiser] in dit kort geding neer op een verkapt rechtsmiddel tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant en de Hoge Raad, maar daarvoor leent deze procedure zicht niet. 4.7. Voor wat betreft de door [eiser] gestelde dreigende schending van artikel 3 EVRM geldt in het algemeen dat aan uitlevering in de weg staat de omstandigheid dat er gegronde redenen ("substantial grounds") zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in geval van uitlevering een reëel gevaar ("a real risk") loopt te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, (o.a.

EHRM 7 juli 1989, ECLI:NL:XX:AB9902, NJ 1990, 158). Doet zo’n situatie zich voor, dan kan de Minister niet volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel. Bij de beoordeling van de vraag of die situatie zich voordoet heeft als uitgangspunt te gelden dat de "mere possibility of ill-treatment on account of an unsettled situation in the requesting country does not in itself give rise to a breach of Article 3" (EHRM 11 februari 2013, zaak 17455 / 11 Umirov-Russia). 4.8. Voor zover [eiser] zich in de onderhavige zaak heeft beroepen op de foltering die hij destijds heeft ondergaan toen hij in Servië in voorarrest verbleef, op grond waarvan - volgens hem - moet worden aangenomen dat hij ook na zijn uitlevering zal worden gefolterd, moet daaraan worden voorbijgegaan.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen, kan in het bestek van dit kort geding immers niet ervan worden uitgegaan dat tijdens het voorarrest sprake is geweest van een schending van artikel 3 EVRM. Overigens bracht [eiser] het voorarrest door in een politiecel, wat na zijn uitlevering niet het geval zal zijn. 4.9. Uitgangspunt bij de beoordeling van de onderhavige kwestie is dat [eiser] na zijn uitlevering zal worden geplaatst in de penitentiaire inrichting [naam PI] , zoals aangegeven door de Servische autoriteiten op 27 november 2017. Voorts wordt - gelet op de onweersproken stellingen van [eiser] - ervan uitgegaan dat [eiser] zal worden gedetineerd in een meerpersoonscel.

Verder is van belang [eiser] aannemelijk moet maken dat er daadwerkelijke concrete redenen bestaan op grond waarvan moet worden aangenomen dat juist hij het hiervoor onder 4.7 beschreven risico loopt. 4.10. Voor wat betreft de door hem gestelde slechte detentieomstandigheden doet [eiser] een beroep op het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna 'CPT') van 14 juni 2015 naar aanleiding van een bezoek van een delegatie aan Servië van 26 mei 2015 tot 5 juni 2015 en (de samenvatting van) het Serbia 2015 Human Rights Rapport van het United States Department of State. 4.11.

Uit die rapporten volgt dat de detentieomstandigheden in 2015 in Servië - in het algemeen - als zorgelijk moeten worden aangemerkt. In het CPT-rapport wordt (op de pagina's 37 en 38) ook nog specifiek ingegaan op de penitentiaire inrichting [naam PI] , waar [eiser] zal worden geplaatst. Met betrekking tot bepaalde paviljoens van die inrichting is het rapport (zeer) kritisch. 4.12. Mede met het oog op het voorgaande heeft de Minister verschillende keren om nadere - specifiek op de persoon/situatie van [eiser] toegesneden - informatie verzocht aan de Servische autoriteiten.

Hieraan is echter slechts gedeeltelijk voldaan. De Servische autoriteiten garanderen weliswaar dat de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf in overeenstemming zal zijn met artikel 3 EVRM, maar zij werken dat voor wat betreft alle door de Minister aangevoerde punten/aspecten niet verder uit. Volgens hen kan daarover eerst na afloop van een intakeprocedure, waarbij ten aanzien van [eiser] onder andere de risicocategorie, gezondheid en individuele behoeften worden beoordeeld, uitsluitsel worden gegeven. 4.13. Uit de - in feite onweersproken gebleven - reacties van de Servische autoriteiten naar aanleiding van de door de Minister gestelde vragen volgt overigens wel, dat zich na het uitbrengen van voormelde rapportages voor wat betreft de inrichting [naam PI] positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan, zoals: - inmiddels afgeronde renovatiewerkzaamheden met betrekking tot de ziekenafdeling, de keuken en paviljoen [paviljoen] ; - geplande renovatiewerkzaamheden voor wat betreft paviljoen 4; - de bouw van een nieuw paviljoen ten behoeve van 320 gedetineerden; - de bouw van een nieuwe penitentiaire inrichting te [plaats] , met een capaciteit van 500 gedetineerden, mede bedoeld om de overbevolking binnen [naam PI] te doen afnemen; - invoering van een trainingsprogramma teneinde de agressie tussen gedetineerden (meer/beter) te reguleren; - uitbreiding van het aantal bewakers. 4.14.

Daarnaast hebben de Servische autoriteiten en/of de Staat - ook onbetwist - gewezen op: - het bestaande klachtrecht van gedetineerden in twee instanties en de mogelijkheid van rechtsbijstand daarbij; - controle van de inrichting door een onafhankelijke Ombudsman; - het in maart 2016 verschenen jaarrapport 2015 van die Ombudsman, waaruit volgt dat vooruitgang is geboekt bij de preventie van foltering; - het jaarrapport van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken voor wat betreft 2016, waarin is vermeld dat voor wat betreft geheel Servië bij een capaciteit voor 9.459 gedetineerden feitelijk sprake was van de insluiting van 10.065 gedetineerden (ofwel een bezetting van ruim 106%) en in de periode 2012-2016 de totale detentiecapaciteit is toegenomen met 50%. 4.15.

Op grond van een en ander moet in het bestek van dit kort geding worden aangenomen dat de situatie binnen de penitentiaire inrichting [naam PI] de laatste jaren - en dus ook na het uitbrengen van de onder 4.10 vermelde rapportages - substantieel is verbeterd. 4.16. Op de zitting heeft [eiser] aangegeven dat het dreigende gebrek aan persoonlijke ruimte - als gevolg van overbevolking binnen de inrichting [naam PI] - zijn voornaamste bezwaar is tegen zijn uitlevering. 4.17. Uit het arrest van (de Grote Kamer van) het EHRM van 20 oktober 2016 tussen Muršiç en Kroatië (applicatienummer 7334/13) volgt dat een sterk vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM moet worden aangenomen indien de persoonlijke ruimte van een gedetineerde in een meerpersoonscel minder dan 3m² bedraagt, zij het dat bepaalde omstandigheden dat vermoeden kunnen wegnemen, waarbij onder andere de volgende factoren van belang kunnen zijn: "the time and extent of restriction; freedom of movement and adequacy of out-of-cell activities; and general appropriateness of the detention facility." 4.18.

Aan voormelde (specifieke/concrete) voorwaarde dient - ter voorkoming van een schending van artikel 3 EVRM - derhalve te worden voldaan gedurende de gehele periode dat [eiser] is gedetineerd na zijn uitlevering, dus zowel vóór als ná de intakeprocedure in [naam PI] . Niet valt in te zien waarom de Servische autoriteiten dienaangaande geen concrete/specifieke garantie zouden kunnen verstrekken, wat zij tot op heden hebben nagelaten. 4.19. Het vorenstaande brengt mee dat [eiser] in ieder geval niet mag worden uitgeleverd zolang een dergelijke garantie van de Servische autoriteiten ontbreekt.

Dat klemt te meer nu uit het door de Staat - als productie 12 - overgelegde vonnis van de voorzieningenrechter van 12 februari 2015 blijkt dat de Servische autoriteiten in die zaak wel bereid zijn geweest garanties te verstrekken, ook voordat een intakeprocedure had plaatsgevonden. 4.20. Mede bezien in het licht van het voorgaande - in het bijzonder hetgeen onder 4.13 en 4.14 is overwogen - is de voorzieningenrechter met de Staat van oordeel dat [eiser] zijn stelling dat schending van artikel 3 EVRM dreigt vanwege het gevaar dat zijn persoonlijke veiligheid loopt in [naam PI] als gevolg van discriminatie wegens zijn (Roma-)Kroatische afkomst en de mogelijkheid dat andere betrokken (medeverdachten c.q -daders) bij de achterliggende strafzaak, die hij heeft 'verraden', ook zijn gedetineerd in [naam PI] , niet voldoende heeft onderbouwd/geconcretiseerd. 4.21.

Voor een verbod of uitstel van de uitlevering in afwachting van de eindbeslissing van het EHRM op een nog door [eiser] in te dienen klacht tegen Servië ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, aangezien [eiser] - desgewenst - aan het EHRM een interim measure kan vragen. In die situatie is voor een voorziening in kort geding geen plaats. 4.22. De uitlevering zal ook niet behoeven te worden uitgesteld totdat op een nog door [eiser] nog in te dienen Wots-verzoek zal zijn beslist, omdat - zoals de Staat onbetwist heeft aangevoerd - voor wat betreft [eiser] niet wordt voldaan aan de voor zo'n verzoek geldende voorwaarden. 4.23.

Tot slot komt ook de meest subsidiaire vordering van [eiser] , strekkende tot een verbod c.q. uitstel van zijn uitlevering totdat hij in de (nog in aanbouw zijnde) penitentiaire inrichting te [plaats] zal worden geplaatst, niet voor toewijzing in aanmerking. De Servische autoriteiten zijn voornemens [eiser] te detineren in de penitentiaire inrichting [naam PI] . Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat dit niet in de weg staat aan de uitlevering, mits de hiervoor bedoelde garantie wordt verstrekt. Bovendien is het niet aan de Nederlandse kort gedingrechter om te bepalen in welke Servische penitentiaire inrichting [eiser] moet worden geplaatst na zijn uitlevering. 4.24.

Het bovenstaande brengt mee dat de uitlevering van [eiser] aan Servië op zichzelf toelaatbaar is, maar niet ongeclausuleerd. Daaraan zal de voorwaarde worden verbonden dat de Servische autoriteiten een garantie verstrekken zoals bedoeld onder 4.18. Dit betekent dat zal worden beslist zoals hieronder in het dictum vermeld. 4.25. Nu partijen op hoofdpunten in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

5De beslissing

De voorzieningenrechter: 5.1. verbiedt de uitlevering van [eiser] aan Servië, tenzij de Servische autoriteiten garanderen dat de persoonlijke ruimte van [eiser] gedurende zijn gehele detentie (dus zowel vóór als ná de intakeprocedure) minimaal 3m² bedraagt; 5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.3. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.4. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018. jvl