Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:3898 ECLI:NL:RBDHA:2018:3898 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:3898 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:3898
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

REchtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR AWB 18/1924 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoekers], te [plaats], verzoekers (gemachtigde: mr. E.A. Blok), tegen de burgemeester van Krimpenerwaard, verweerder (gemachtigde: mr. M.G.T. van Leyenhorst). Procesverloop Bij besluit van 14 februari 2018 heeft verweerder, in het kader van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet, verzoekers een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende dat het gedurende een periode van 3 maanden verboden is de woning en de daarbij behorende opstallen gelegen aan [adres] te [plaats] te betreden.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:3898 · Rechtbank Den Haag: Uit het woord "daartoe" in deze bepaling volgt dat deze bevoegdheid ontstaat door de enkele aanwezigheid in een woning of lokaal, dan wel in of op het daarbij behorende erf, van een handelshoeveelheid drugs bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbenden op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. 5 De voorzieningenrechter overweegt het volgende. 5.1 Op basis van de bestuurlijke rapportage van de politie van 24 januari 2018 is voldoende komen vast te staan dat op 4 december 2017 onder het afdak naast de schuur behorend bij de woning en in de auto van verzoeker een (aanzienlijke) handelshoeveelheid hennep is aangetroffen.

Keywords

AI generated
drug screening test substance addiction narcotics law violation discharge of substances qualified narcotics offense compulsory medication

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2013:2365
201300425/1/A3. Datum uitspraak: 11 december 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de burgemeester van Haarlem, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 december 2012 in zaak nr. 12/3337 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te Haarlem, en de burgemeester. Procesverloop Bij besluit van 13 februari 2012 heeft de burgemeester [wederpartij] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woonwagen op het perceel [locatie] te Haarlem (hierna: de woonwagen) met ingang van 21 maart 2012 te sluiten voor de duur van zes maanden.
ECLI:NL:RVS:2015:2616
201505809/1/A3 en 201505809/2/A3.
ECLI:NL:RVS:2004:AP0351
Procesverloop Bij besluit van 23 april 2002 heeft appellant op grond van artikel 13b van de Opiumwet met ingang van 27 april 2002 de sluiting bevolen van de door [wederpartij]) geëxploiteerde horeca-inrichting [naam inrichting] aan de [locatie] te Heerlen voor de duur van twaalf maanden. Bij besluit van 5 september 2002 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 oktober 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.
ECLI:NL:RVS:2014:371
201311182/1/A3 en 201311182/2/A3.
ECLI:NL:RVS:2016:3167
201600196/1/A3. Datum uitspraak: 30 november 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Dorst, gemeente Oosterhout, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 november 2015 in zaak nr. 15/3788 in het geding tussen: [appellante] en de burgemeester van Oosterhout. Procesverloop Bij besluit van 13 februari 2015 heeft de burgemeester [appellante] gelast de woning aan de [locatie] te Dorst (hierna: de woning) te sluiten voor een periode van drie maanden met ingang van 20 februari 2015.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

REchtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR AWB 18/1924 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoekers], te [plaats], verzoekers (gemachtigde: mr. E.A. Blok), tegen de burgemeester van Krimpenerwaard, verweerder (gemachtigde: mr. M.G.T. van Leyenhorst). Procesverloop Bij besluit van 14 februari 2018 heeft verweerder, in het kader van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet, verzoekers een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende dat het gedurende een periode van 3 maanden verboden is de woning en de daarbij behorende opstallen gelegen aan [adres] te [plaats] te betreden.

Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft toegezegd de werking van het bestreden besluit op te schorten tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Verzoekers zijn hierbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Tevens zijn twee dochters van verzoekers verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn namens verweerder verschenen [persoon 1] en [persoon 2].

Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2 De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verweerder bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet over beleidsvrijheid beschikt. Daaruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder met enige terughoudendheid moet toetsen. 3 Ter invulling van zijn bevoegdheid heeft verweerder de beleidsregels ‘Beleidsregels artikel 13b gemeente Krimpenerwaard 2017’ vastgesteld. 4.1 Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2365) brengt de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een pand met zich dat aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de bevoegdheid tot sluiting van dat pand kan worden ontleend.

Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking, waarbij een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester bevoegd ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. 4.2 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2616), is voor het ontstaan van de bevoegdheid, om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestuursdwang toe te passen, niet vereist dat daadwerkelijk drugs zijn verhandeld.

Uit het woord "daartoe" in deze bepaling volgt dat deze bevoegdheid ontstaat door de enkele aanwezigheid in een woning of lokaal, dan wel in of op het daarbij behorende erf, van een handelshoeveelheid drugs bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbenden op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. 5 De voorzieningenrechter overweegt het volgende. 5.1 Op basis van de bestuurlijke rapportage van de politie van 24 januari 2018 is voldoende komen vast te staan dat op 4 december 2017 onder het afdak naast de schuur behorend bij de woning en in de auto van verzoeker een (aanzienlijke) handelshoeveelheid hennep is aangetroffen.

Verweerder heeft geen grond hoeven zien voor twijfel aan de juistheid van de bestuurlijke rapportage en heeft zich op grond hiervan op het standpunt mogen stellen dat, nu de hoeveelheid (veel) groter was dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, aannemelijk is dat die bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking. In het kader van deze bestuursrechtelijke procedure kan worden uitgegaan van het feitencomplex zoals dat uit de rapportage naar voren is gekomen. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 2 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP0351) en 30 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:371).

Eerder is in 2016 een handelshoeveelheid drugs aangetroffen in de woning. Verweerder was dan ook bevoegd was tot sluiting van de woning. 5.2 Dat de drugs aan de inwonende – thans gedetineerde – zoon van verzoekers zouden toebehoren, doet niet af aan de bevoegdheid van verweerder om over te gaan tot sluiting. Uit vaste rechtspraak volgt dat de persoonlijke verwijtbaarheid van betrokkenen geen rol speelt. Dat verzoekers geen strafrechtelijke antecedenten hebben doet daarbij evenmin ter zake. Het is eveneens vaste rechtspraak dat hoofdbewoners/huurders verantwoordelijk zijn voor wat zich afspeelt in de woning.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3167). Voorts heeft verzoeker zelf verklaard op 4 december 2017 drugs in een sporttas van het erf en/of de woning mee te hebben genomen en in zijn auto gelegd te hebben, alwaar deze vervolgens door de politie is aangetroffen en doorzocht. Verzoeker heeft hierover in eerste instantie verklaard dat deze hennep voor eigen gebruik was, maar later verklaard dit te hebben gedaan om zijn zoon niet verder in de problemen te brengen. Hieruit volgt dat verzoeker wel degelijk enige kennis had over de activiteiten van zijn zoon en de aanwezigheid van drugs op het erf.

Dat verzoekers hebben aangegeven hun gedetineerde zoon te doen uitschrijven uit de woning en niet meer in de woning welkom is, doet evenzeer niet af aan de verantwoordelijkheid van verzoekers. 5.3 Hoewel het voor verzoekers beslist een ingrijpende maatregel is, omdat verzoekers – zoals zij hebben betoogd - op leeftijd zijn en (chronische) medische klachten hebben, en niet beschikken over financiële middelen om andere woonruimte te bekostigen, kan niet worden gezegd dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De sluiting betreft een periode van 3 maanden – de minimale sluitingsperiode volgens verweerders Beleidsregels artikel 13b Opiumwet - en gesteld noch gebleken is dat verzoekers in deze periode geen onderdak zouden kunnen krijgen bij hun andere - uitwonende en in Nederland woonachtige - kinderen.

Er is geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat het (tijdelijk) verlaten van de woning voor verzoekster medisch te bezwaarlijk zou zijn. Tenslotte weegt de voorzieningenrechter bij de belangenoverweging in het nadeel van verzoeker mee dat hij zelf heeft verklaard op 4 december 2017 een aanzienlijke hoeveelheid drugs – volgens hem toebehorend aan zijn zoon - in een sporttas van het erf en/of de woning mee te hebben genomen en in zijn auto gelegd te hebben. 6 De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. 7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.