Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:3701 ECLI:NL:RBDHA:2018:3701 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:3701 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:3701
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE Rechtbank Den Haag Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/2243 uitspraak van 30 maart 2018 in de zaak tussen [verzoekster], verzoekster, V-nummer: [V-nummer], mede namens haar twee minderjarige kinderen: [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2009, en [kind 2] ,geboren op [geboortedatum] 2014, allen van Syrische nationaliteit, (gemachtigde: mr. L.J. Meijering), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.J. Kaspers). Procesverloop Verzoekster heeft op 28 maart 2018 bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verweerder om haar en haar minderjarige kinderen op 3 april 2018 over te dragen aan de Duitse autoriteiten in het kader van de Dublinverordening.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2018:3701 · Rechtbank Den Haag: Dit is hun eigen keuze geweest en de voorzieningenrechter is van oordeel dat de onmogelijkheid van een gelijktijdige overdracht dan ook niet aan verweerder kan worden toegerekend. Nu de scheiding tussen verzoekster, haar kinderen en haar echtgenoot/hun vader slechts van zeer tijdelijke aard is, is de voorgenomen overdracht naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in strijd met artikel 8 van het EVRM en/of artikel 3 van het IVRK.

Keywords

AI generated
departure of spouse transfer of assets Dublin transfer to Croatia deportation of family transfer of custody living separate and apart

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
artikel 8 van het EVRM
Nu de scheiding tussen verzoekster, haar kinderen en haar echtgenoot/hun vader slechts van zeer tijdelijke aard is, is de voorgenomen overdracht naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in strijd met artikel 8 van het EVRM en/of artikel 3 van het IVRK.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE Rechtbank Den Haag Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/2243 uitspraak van 30 maart 2018 in de zaak tussen [verzoekster], verzoekster, V-nummer: [V-nummer], mede namens haar twee minderjarige kinderen: [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2009, en [kind 2] ,geboren op [geboortedatum] 2014, allen van Syrische nationaliteit, (gemachtigde: mr. L.J. Meijering), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.J. Kaspers). Procesverloop Verzoekster heeft op 28 maart 2018 bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verweerder om haar en haar minderjarige kinderen op 3 april 2018 over te dragen aan de Duitse autoriteiten in het kader van de Dublinverordening.

Verzoekster heeft tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van de door verweerder voorgenomen overdracht, totdat op het bezwaar is beslist. Eveneens op 28 maart 2018 heeft verzoekster een herhaald asielverzoek ingediend. Hierop heeft verweerder op 29 maart 2018 met toepassing van artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 afwijzend beslist. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid. Gezien de voorgenomen overdracht van verzoekster aan de Duitse autoriteiten op 3 april 2018, bestaat daarvoor in dit geval aanleiding.

3. Verzoekster voert aan, kort samengevat en voor zover van belang, dat zij op zichzelf genomen niet langer bezwaar heeft tegen de overdracht aan Duitsland, zolang dit maar samen met haar echtgenoot gebeurt. Immers, nu verweerder op 26 maart 2018 ook ten aanzien van haar echtgenoot een claimakkoord heeft ontvangen van de Duitse autoriteiten, ligt het voor de hand om het hele gezin gelijktijdig over te dragen. Om dit mogelijk te maken heeft de echtgenoot van verzoekster zijn nog lopende asielaanvraag in Nederland ingetrokken, zodat er geen feitelijke beletselen meer zijn voor een gezamenlijke overdracht. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat een gescheiden overdracht in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet (langer) in geschil is dat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de beoordeling van de asielverzoeken van alle gezinsleden van verzoekster en dat evenmin in geschil is dat verzoekster en haar gezinsleden om die reden dienen te worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten. Hoewel de voorzieningenrechter er begrip voor heeft dat de voorkeur van verzoekster uitgaat naar een gezamenlijke overdracht aan Duitsland, ziet de voorzieningenrechter hier evenwel geen reden in om de voorgenomen gescheiden overdracht van verzoekster op 3 april 2018 onrechtmatig te achten.

Bij dit oordeel weegt de voorzieningenrechter mee dat verweerder heeft aangegeven dat de overdracht van de echtgenoot aan Duitsland op korte termijn, naar alle waarschijnlijkheid binnen veertien dagen, zal plaatsvinden. Verweerder heeft vandaag geprobeerd de overdracht van de echtgenoot van verzoekster gelijktijdig met verzoekster en haar kinderen te laten plaatsvinden. Verweerder is hierbij afhankelijk van de medewerking van de Duitse autoriteiten en afspraken over de gelijktijdige overdracht zijn niet gelukt. De voorzieningenrechter heeft bij de beslissing meegewogen dat de gescheiden overdracht het gevolg is van het feit dat verzoekster en haar echtgenoot hun asielaanvraag niet gelijktijdig hebben ingediend.

Dit is hun eigen keuze geweest en de voorzieningenrechter is van oordeel dat de onmogelijkheid van een gelijktijdige overdracht dan ook niet aan verweerder kan worden toegerekend. Nu de scheiding tussen verzoekster, haar kinderen en haar echtgenoot/hun vader slechts van zeer tijdelijke aard is, is de voorgenomen overdracht naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in strijd met artikel 8 van het EVRM en/of artikel 3 van het IVRK.

6. Het verzoek wordt afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2018. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.