Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:2838 ECLI:NL:RBDHA:2018:2838 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:2838 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:2838
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.4103 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen). Procesverloop Bij besluit van 28 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:2838 · Rechtbank Den Haag: B.J. Manspeaker), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen). Procesverloop Bij besluit van 28 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Keywords

AI generated
asylum application of Ethiopian removal international responsibility European arrest warrant international protection countries outside Europe
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.4103 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen). Procesverloop Bij besluit van 28 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.4104, plaatsgevonden op 8 maart 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Eiser is een alleenstaande man van Egyptische nationaliteit. Hij heeft op 14 december 2017 een asielaanvraag ingediend.

Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder in Duitsland een verzoek heeft gedaan om internationale bescherming. Duitsland heeft ingestemd met terugname van eiser.

2. Verweerder heeft in eisers verklaringen dat hij vreest in Duitsland nog een openstaande gevangenisstraf te moeten uitzitten en dat hij daarnaast uitgezet kan worden naar Egypte, geen aanleiding gezien om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken. Daarbij heeft verweerder terecht overwogen dat een en ander de verantwoordelijkheid van Duitsland onverlet laat. Mede gelet op het claimakkoord moet worden aangenomen dat het verzoek om internationale bescherming in Duitsland zal worden behandeld met inachtneming van de communautaire asielrichtlijnen. De enkele omstandigheid dat dit niet met zoveel woorden is vastgelegd in het claimakkoord is geen reden om hieraan te twijfelen. Er is niet gebleken van aanwijzingen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen jegens eiser niet na zal komen. Eiser heeft zijn vrees ook niet verder onderbouwd.

3. Nu verweerder voldoende gemotiveerd is ingegaan op hetgeen door en namens eiser eerder naar voren is gebracht en de gronden van beroep overigens alleen een herhaling daarvan vormen, kan het beroep niet slagen.

4. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2018. griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.