Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:2118 ECLI:NL:RBDHA:2018:2118 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:2118 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:2118
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL18.1809 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Luijendijk), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.P. de Boo). Procesverloop Bij besluit van 25 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:2118 · Rechtbank Den Haag: Volgens eiser kan verweerder daarom niet volstaan met een verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en moet verweerder zijn asielaanvraag met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich trekken. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. In geschil is of verweerder de behandeling van het verzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, onverplicht aan zich dient te trekken. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid ervan uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt.

Keywords

AI generated
asylum procedure removal family asylum for eritreans applicability of immigration law refugee rights asylum of Sri Lankan nationals

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:2278
201508456/1/V3. Datum uitspraak: 10 augustus 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 november 2015 in zaken nrs. 15/18823, 15/18831, 15/18834 en 15/18837 in het geding tussen: [vreemdeling 1] (hierna: de vreemdeling), [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] (hierna: gezamenlijk de vreemdelingen) en de staatssecretaris.
ECLI:NL:RVS:2016:2533
201507537/1/V3 Datum uitspraak: 16 september 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), van 22 september 2015 in zaken nrs. 15/13170, 15/13171, 15/13172, 15/13173, 15/13175 en 15/13176 in het geding tussen: [vreemdeling 1], mede voor haar minderjarige kind, [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3] (hierna tezamen: de vreemdelingen) en de staatssecretaris.
ECLI:NL:RVS:2016:3291
201605509/1/V3. Datum uitspraak: 9 december 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2016 in zaak nr. NL 16.1221 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2017:73
201607228/1/V3 Datum uitspraak: 16 januari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2016 in zaken nrs. 16/17984 en 16/17979 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 9 augustus 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2017:971
201702011/1/V3. Datum uitspraak: 7 april 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 27 februari 2017 in zaken nrs. 17/2240 en 17/2242 in het geding tussen: [vreemdeling A] en [vreemdeling B], mede voor hun minderjarig kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 27 januari 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL18.1809 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Luijendijk), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.P. de Boo). Procesverloop Bij besluit van 25 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.1810, plaatsgevonden op 20 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eiser stelt de Malinese nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening).

Uit Eurodac is verweerder gebleken dat eiser het grondgebied van de lidstaten op 8 september 2017 via Italië illegaal is ingereisd. Verweerder heeft daarom bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard. Eiser voert aan dat overdracht aan Italië zal resulteren in (in)direct refoulement en dus in schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de mogelijkheid voor het indienen van een verzoek om internationale bescherming met alle waarborgen die daarbij horen in Italië niet gegarandeerd is.

Italië komt volgens eiser nog steeds zijn internationale verplichtingen niet na. Eiser stelt dat hij met alle in de zienswijze aangehaalde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat Italië zijn asielaanvraag niet in behandeling zal nemen. Daarbij heeft hij het gedeelte van zijn zienswijze dat toeziet op de zogeheten “hotspotbenadering” van Italië nadrukkelijk herhaald. Eiser heeft naar eigen zeggen in Italië ook een hotspotbenadering gekregen en een aanzeggingsbrief ontvangen dat hij het land binnen zeven dagen moest verlaten. Dit biedt geen perspectief voor een asielaanvraag, aldus eiser.

Volgens eiser kan verweerder daarom niet volstaan met een verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en moet verweerder zijn asielaanvraag met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich trekken. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. In geschil is of verweerder de behandeling van het verzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, onverplicht aan zich dient te trekken. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid ervan uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt.

Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Italië dit niet doet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende arresten (zie onder meer het arrest van 26 november 2015 in de zaak J.A. en anderen tegen Nederland, nr. 21459/14, ECLI:CE:ECHR:2015:1103DEC002145914 en van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland, nr. 5868/13, ECLI:CE:ECHR:2016:0517DEC000586813) geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige situatie.

Er zijn weliswaar tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en de asielprocedure, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. Dit is ook het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278). Meer recent heeft de Afdeling ook in de uitspraken van 16 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2533), 9 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3291), 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971) geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit een voldoende gemotiveerd en een op de door eiser ingeroepen stukken toegespitst standpunt ingenomen. Nu eiser in beroep niet nader heeft onderbouwd op welke punten verweerders standpunt onvoldoende is gemotiveerd, bestaat voor de rechtbank geen aanleiding om anders te concluderen dan de Afdeling in voormelde uitspraken heeft gedaan. Daarbij overweegt de rechtbank dat de door eiser in beroep opnieuw aangehaalde stukken ten aanzien van de hotspotbenadering in Italië niet toezien op de situatie van Dublinclaimanten, waardoor deze stukken ook om die reden niet tot de conclusie kunnen leiden dat er ten aanzien van Dublinclaimanten sprake is van ernstige tekortkomingen in de opvang dan wel (asiel)procedure.

Dat eiser, naar hij stelt, eerder een hotspotbenadering heeft gehad en een aanzegging heeft gehad Italië binnen zeven dagen te verlaten, doet niet af aan het feit dat hij inmiddels onder het bereik van de Dublinverordening valt. Eiser heeft nog niet eerder asiel aangevraagd in Italië, waardoor zijn gestelde ervaringen in Italië geen indicaties bieden voor het oordeel dat de Italiaanse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Voor zover eiser betoogt dat Italië zich niet houdt aan de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en/of de Procedurerichtlijn heeft verweerder voorts terecht, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak K.R.S. t. het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (zaaknr. 32733/08, JV 2009/41), gesteld dat eiser zich hierover dient te beklagen bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten dan wel geëigende instanties.

Dat het op voorhand zinloos is om zich te wenden tot de geëigende, dan wel hogere autoriteiten, is gesteld noch gebleken. Eisers standpunt ter zitting dat hij ook uit Italië is weggegaan omdat hij daar samen met mensen van een vijandige stam in één kamp verbleef, leidt evenmin tot het oordeel dat verweerder eisers aanvraag onverplicht aan zich moet trekken. Nog daargelaten dat eiser dit standpunt niet met stukken heeft onderbouwd, kan in lijn met het bovenstaande worden geconcludeerd dat eiser zich bij voorkomende problemen in Italië tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten dient te wenden.

Verweerder heeft derhalve geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser onverplicht aan zich te trekken. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018. griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.