Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:2117 ECLI:NL:RBDHA:2018:2117 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:2117 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:2117
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL18.1963 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.E. Temmen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.P. de Boo). Procesverloop Bij besluit van 29 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2018:2117 · Rechtbank Den Haag: Naar het oordeel van de rechtbank schetst de informatie in de door eiser aangehaalde rapporten, voor zover deze in voornoemde uitspraken nog niet zijn beoordeeld, geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië. Weliswaar bevestigen deze rapporten dat sprake is van tekortkomingen; zij bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan overdracht aan Italië zonder meer in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De enkele opmerking van eiser dat hij in Italië geen opvang, voorzieningen en juridische informatie heeft gekregen, acht de rechtbank ook onvoldoende om te concluderen dat sprake is van systematische tekortkomingen.

Keywords

AI generated
Albanian asylum request visas, asylum, immigration, etc delayed asylum application refugee rights family asylum for eritreans secondary asylum

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:2278
201508456/1/V3. Datum uitspraak: 10 augustus 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 november 2015 in zaken nrs. 15/18823, 15/18831, 15/18834 en 15/18837 in het geding tussen: [vreemdeling 1] (hierna: de vreemdeling), [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] (hierna: gezamenlijk de vreemdelingen) en de staatssecretaris.
ECLI:NL:RVS:2016:2533
201507537/1/V3 Datum uitspraak: 16 september 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), van 22 september 2015 in zaken nrs. 15/13170, 15/13171, 15/13172, 15/13173, 15/13175 en 15/13176 in het geding tussen: [vreemdeling 1], mede voor haar minderjarige kind, [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3] (hierna tezamen: de vreemdelingen) en de staatssecretaris.
ECLI:NL:RVS:2016:3291
201605509/1/V3. Datum uitspraak: 9 december 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2016 in zaak nr. NL 16.1221 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2017:73
201607228/1/V3 Datum uitspraak: 16 januari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2016 in zaken nrs. 16/17984 en 16/17979 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 9 augustus 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2017:971
201702011/1/V3. Datum uitspraak: 7 april 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 27 februari 2017 in zaken nrs. 17/2240 en 17/2242 in het geding tussen: [vreemdeling A] en [vreemdeling B], mede voor hun minderjarig kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 27 januari 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL18.1963 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.E. Temmen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.P. de Boo). Procesverloop Bij besluit van 29 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.1964, plaatsgevonden op 20 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is verweerder gebleken dat eiser op 5 juni 2017 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op grond van deze bevindingen heeft verweerder bij Italië een verzoek om terugname gedaan.

Italië heeft dit verzoek aanvaard. Eiser voert aan dat hij in Italië geen asiel heeft aangevraagd. Verder voert eiser aan dat de omstandigheden waaronder hij in Italië verbleef slecht waren. Zo zou eiser in Italië geen opvang of andere voorzieningen hebben gekregen en evenmin juridische informatie over de toegang tot de asielprocedure. Verweerder gaat hieraan volgens eiser ten onrechte voorbij. Volgens eiser is in Italië sprake van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser verwijst in dit verband naar paragraaf 5.3.5 van het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van 15 augustus 2016 en naar het AIDA Country Report:

Italy van 10 maart 2017. Eisers standpunt dat hij in Italië geen asiel heeft aangevraagd slaagt niet. Uit voornoemde Eurodactreffer blijkt dat eiser in Italië wel een asielaanvraag heeft ingediend. Daarbij heeft eiser ter zitting aangegeven dat hij in Italië een naar een advocaat is gegaan, met instanties heeft gesproken en een brief heef ontvangen waarin stond dat hij zich binnen twee maanden moest melden. Ook dit duidt op een asielaanvraag van eiser in Italië. Voor zover eiser heeft willen betogen dat het niet zijn intentie was om in Italië asiel aan te vragen overweegt de rechtbank, gelijk verweerder heeft gesteld, dat het karakter van de Dublinverordening onverenigbaar is met de opvatting dat de intentie van de vreemdeling bepalend is voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat.

Ook eisers standpunt, onder verwijzing naar voornoemde rapporten, dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, slaagt niet. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende arresten (zie onder meer het arrest van 26 november 2015 in de zaak J.A. en anderen tegen Nederland, nr. 21459/14, ECLI:CE:ECHR:2015:1103DEC002145914 en van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland, nr. 5868/13, ECLI:CE:ECHR:2016:0517DEC000586813) geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige situatie.

Er zijn weliswaar tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en de asielprocedure, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. Dit is ook het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278). Meer recent heeft de Afdeling ook in de uitspraken van 16 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2533), 9 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3291), 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971) geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Naar het oordeel van de rechtbank schetst de informatie in de door eiser aangehaalde rapporten, voor zover deze in voornoemde uitspraken nog niet zijn beoordeeld, geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië. Weliswaar bevestigen deze rapporten dat sprake is van tekortkomingen; zij bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan overdracht aan Italië zonder meer in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De enkele opmerking van eiser dat hij in Italië geen opvang, voorzieningen en juridische informatie heeft gekregen, acht de rechtbank ook onvoldoende om te concluderen dat sprake is van systematische tekortkomingen.

Verweerder heeft derhalve geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser onverplicht aan zich te trekken. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018. griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.