Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:16502 ECLI:NL:RBDHA:2018:16502 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:16502 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:16502
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Parketnummer: 09/767233-15 Raadkamernummer: 16/5422 Beslissing van de rechtbank Den Haag, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: DH03, domicilie kiezende aan de Burgemeester Patijnlaan 35, 2585 BG Den Haag, bijgestaan door mr. L.E.G. van der Hut, advocaat, kantoorhoudende aan de Javastraat 1c, 2585 AA Den Haag, (hierna: verzoeker). Inleiding Verzoeker werd verdacht van (zware) mishandeling, de dood ten gevolge hebbende, althans dood door schuld van Mitch Henriquez.

Legislator headnote

AI generated

artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 591a Sv; ECLI:NL:RBDHA:2018:16502 · Rechtbank Den Haag: De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de kosten van rechtsbijstand op grond van het bepaalde in artikel 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (hierna: de Regeling) door de Nationale Politie, de werkgever van verzoeker, zijn voldaan. Gelet op het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Regeling is verzoeker verplicht tot indiening van een verzoek tot vergoeding van deze kosten op grond van artikel 591 en/of artikel 591a Sv. Ingevolge ditzelfde artikel zal verzoeker bij toewijzing van het verzoek ervoor zorgdragen dat de vergoeding toekomt aan de Nationale Politie.

Keywords

AI generated
party costs of attorney remuneration of work wage cost assessment of costs payment of surcharges overpaid insurance benefits

Cited Legislation

AI generated
artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering
artikel 591a Sv
Gelet op het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Regeling is verzoeker verplicht tot indiening van een verzoek tot vergoeding van deze kosten op grond van artikel 591 en/of artikel 591a Sv.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2018:1428
Indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest. (...) 4. Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de rechtskundige hulp terugvorderen, indien a de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk vonnis het gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos handelen van de ambtenaar, of b indien de ambtenaar strafrechtelijk wordt veroordeeld. (...) Artikel 5 Regeling: (...) 3.
ECLI:NL:HR:1973:AB3408
1 mei 1973 No. 66808 MIG. De Hoge Raad der Nederlanden, Op het beroep van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, rekwirant van cassatie in het belang der wet tegen een beschikking van de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 30 augustus 1971 waarbij een door [verzoeker], wonende te [woonplaats], gedaan verzoek tot toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van een raadsman is afgewezen; Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur; Gehoord de Procureur-Generaal in zijn voordracht, houdende als middel van cassatie: "Schending van het Nederlandse recht met name van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering door te oordelen dat laatstgenoemd voorschrift vergoeding uitsluit van die kosten van rechtsbijstand waarvoor de verzoeker een vordering tot vergoeding heeft krachtens een met het oog op zodanige kosten gesloten verzekeringsovereenkomst of althans van die kosten die de verzekeraar aanstonds voor zijn rekening heeft genomen", en in zijn voordracht strekkende tot vernietiging van de aangevallen beschikking, zonder dat deze vernietiging aan de rechten door partijen verkregen nadeel toebrenge;
NJ 1973/355
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Parketnummer: 09/767233-15 Raadkamernummer: 16/5422 Beslissing van de rechtbank Den Haag, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: DH03, domicilie kiezende aan de Burgemeester Patijnlaan 35, 2585 BG Den Haag, bijgestaan door mr. L.E.G. van der Hut, advocaat, kantoorhoudende aan de Javastraat 1c, 2585 AA Den Haag, (hierna: verzoeker). Inleiding Verzoeker werd verdacht van (zware) mishandeling, de dood ten gevolge hebbende, althans dood door schuld van Mitch Henriquez.

De strafzaak tegen verzoeker is bij brief van de officier van justitie van 19 september 2016 geseponeerd. Daarmee is de zaak geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel. Op 15 december 2016 ontving de rechtbank een verzoekschrift van verzoeker. De procedure in raadkamer De rechtbank heeft dit verzoek op 10 juli 2018 (pro forma) en 11 december 2018 in raadkamer behandeld en kennisgenomen van het proces-verbaal van de politie, met nummer 20150055. Op 11 december 2018 is verzoeker – hoewel goed opgeroepen – niet verschenen. Wel aanwezig was zijn advocaat, mr.

L.E.G. van der Hut. Het verzoek Er wordt verzocht om een vergoeding van € 101.477,10, exclusief 21% BTW, voor de kosten van rechtsbijstand en een vergoeding van € 550,00 voor de kosten van de indiening en behandeling van dit verzoek. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat, gelet op het inmiddels gewezen arrest van de Hoge Raad van 4 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1428), het verzoek gedeeltelijk kan worden toegewezen, in die zin dat de kosten gemaakt na de sepotmededeling niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Het oordeel van de rechtbank Bevoegdheid van rechtbank De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het verzoek. Ontvankelijkheid verzoeker Het verzoekschrift is tijdig ingediend. Verzoeker is ontvankelijk in het verzoek. Inhoudelijke beoordeling Op grond van artikel 591a, tweede lid, Sv kan aan een gewezen verdachte, wiens strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel een vergoeding worden toegekend van de kosten van een raadsman of raadsvrouw. Ingevolge artikel 90, eerste lid, Sv dient tot toekenning van vergoeding te worden overgegaan indien en voor zover daartoe volgens de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de kosten van rechtsbijstand op grond van het bepaalde in artikel 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (hierna: de Regeling) door de Nationale Politie, de werkgever van verzoeker, zijn voldaan. Gelet op het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Regeling is verzoeker verplicht tot indiening van een verzoek tot vergoeding van deze kosten op grond van artikel 591 en/of artikel 591a Sv. Ingevolge ditzelfde artikel zal verzoeker bij toewijzing van het verzoek ervoor zorgdragen dat de vergoeding toekomt aan de Nationale Politie.

Op 10 juli 2018 is behandeling van het verzoekschrift door de rechtbank aangehouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad op het cassatieberoep in het belang der wet met betrekking tot de vraag of en zo ja in hoeverre een politieambtenaar op grond van artikel 591a Sv kan verzoeken om vergoeding van gemaakte kosten wanneer geen sprake is van een situatie waarin de verzoeker zelf de kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen of zal moeten dragen. Bij arrest van 4 september 2018 heeft de Hoge Raad, voor zover relevant, het volgende overwogen:

“In HR 1 mei 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB3408, NJ 1973/355 is deze bepaling aldus uitgelegd dat zij plaats laat voor het toekennen van een tegemoetkoming in (thans: vergoeding van) de door een gewezen verdachte geleden of verschuldigde kosten van een raadsman indien de gewezen verdachte krachtens een rechtsbijstandsverzekering op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van die kosten heeft. Er bestaat geen goede grond anders te oordelen indien de gewezen verdachte op grond van een andere rechtsverhouding zo een vordering heeft op een derde, bijvoorbeeld zijn werkgever.

Aan toekenning van een vergoeding staat evenmin in de weg dat de rechtsbijstandskosten door die derde worden gedragen.” Uit dit arrest volgt dat rechtsbijstandskosten van de politieagent kunnen worden vergoed op grond van artikel 591a Sv, ook als de werkgever van de politieagent deze betaalt. Uit het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Regeling volgt dat deze vergoeding uiteindelijk ten goede komt aan de werkgever, de Nationale Politie. Het verzoek is onderbouwd met declaraties en urenspecificaties. De raadsvrouw heeft deze in raadkamer toegelicht.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de kosten van rechtsbijstand redelijk en billijk zijn en dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. Het ging om een buitengewoon complexe strafzaak waarbij meerdere verdachten waren betrokken. Gelet op de aard, omvang en mate van juridische complexiteit zijn de kosten van rechtsbijstand naar het oordeel van de rechtbank niet bovenmatig of onredelijk. De rechtbank constateert dat het in eerste instantie ging om vijf verdachten en dat de overige vier allen werden bijgestaan door kantoorgenoten van de raadsvrouw.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk gemaakt dat dit heeft geleid tot een zekere kostenbesparing nu de taken zoveel waar mogelijk tussen de raadslieden onderling zijn verdeeld. Kosten van rechtsbijstand gemaakt na de sepotmededeling op 19 september 2016 komen echter niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal dat gedeelte van het verzoek - werkzaamheden verricht vanaf 20 september 2016 - daarom afwijzen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding van € 101.477,10 – € 4.069,60 (€ 1.804,00 + € 132,00 + € 242,00 + € 1.320,00 + € 198,00 + € 44,00 + € 132,00; alles vermeerderd met 5% kantoorkosten ad €193,60 plus € 4,00 reiskosten) = € 97.407,50 toe te kennen voor de kosten van rechtsbijstand.

Verder acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding van € 550,00 toe te kennen voor de indiening en behandeling van het verzoek. Dat komt neer op een totaalbedrag van € 97.957,50. Beslissing De rechtbank kent aan verzoeker toe ten laste van de Staat een bedrag van in totaal € 97.957,50 (zegge: zevenennegentigduizendnegenhonderdzevenenvijftig euro en vijftig eurocent) en wijst af het anders of meer verzochte. Aldus gedaan te Den Haag door mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter, mr. M.J.C. Dijkstra, rechter, mr. E.M.M. Smilde-Schölvinck, rechter, in tegenwoordigheid van mr.

R. Moese, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 december 2018. Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier. BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING De voorzitter, beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing en mitsdien de betaling ten laste van de Staat der Nederlanden door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: € 97.957,50 (zegge: zevenennegentigduizendnegenhonderdzevenenvijftig euro en vijftig eurocent), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van Stichting Beheer Derdengelden van Sjöcrona van Stigt Advocaten te Rotterdam, onder vermelding van dossiernummer [dossiernummer] .

Den Haag, 21 december 2018 mr. E.A.G.M. van Rens