Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:1395 ECLI:NL:RBDHA:2018:1395 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:1395 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:1395
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 17/14215 uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 januari 2018 in de zaak tussen [naam] , eiser, gemachtigde: mr. R.C. van den Berg, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers) verweerder, gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 augustus 2017 (het bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft niet gereageerd op het voornemen van de rechtbank om het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

Legislator headnote

AI generated

artikel 9 van de Vw; ECLI:NL:RBDHA:2018:1395 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank is onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.1.3. van de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2011 van oordeel dat voor het vaststellen van andere rechten en verplichtingen van eiser van belang kan zijn of hij voorafgaand aan de afgifte van het document als bedoeld in artikel 9 van de Vw over rechtmatig verblijf op grond van het gemeenschapsrecht beschikte. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Eiser heeft daarom belang bij de vaststelling van de ingangsdatum van zijn verblijfsrecht.

Keywords

AI generated
Iraqi asylum application minimum period of residence foreign resident rights retroactive residence permit reasonable duration of the proceedings undue delay in asylum

Cited Legislation

AI generated

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2011:BP5947
Procesverloop Bij besluit van 3 augustus 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Bij besluit van 16 november 2009 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan de vreemdeling het aangevraagde document verstrekt. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 10 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 maart 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
ECLI:NL:RVS:2017:2501
201609005/1/V3. Datum uitspraak: 15 september 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 november 2016 in zaak nr. 16/17483 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2016 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 17/14215 uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 januari 2018 in de zaak tussen [naam] , eiser, gemachtigde: mr. R.C. van den Berg, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers) verweerder, gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 augustus 2017 (het bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft niet gereageerd op het voornemen van de rechtbank om het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze bepaling luidt sinds 12 juni 2017, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraakse nationaliteit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat eiser in het bezit zal worden gesteld van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet (Vw).

2. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Volgens eiser dient verweerder alsnog een ingangsdatum van zijn verblijfsrecht vast te stellen.

3. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat de bevoegdheid om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van een vreemdeling vast te stellen op grond van het gemeenschapsrecht ontbreekt. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 februari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP5947). In het bestreden besluit is derhalve terecht gesteld dat het verblijfsdocument een bevestiging is van een verblijfsrecht dat mogelijk eerder is ontstaan. Het belang om de ingangsdatum vast te stellen ontstaat eerst bij een aanvraag duurzaam verblijf. Het beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, aldus verweerder.

4. Eiser heeft zich in een schriftelijke reactie van 20 december 2017 beroepen op een uitspraak van 15 september 2017 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2017:2501, rechtsoverweging 3.1. Volgens eiser kan op grond van deze uitspraak kennelijk niet worden vastgesteld wanneer het verblijfsrecht is ontstaan, maar a contrario redenerend stelt eiser dat wel kan worden beoordeeld of het duurzaam verblijfsrecht is ontstaan. Het beroep is ontvankelijk. De rechtbank overweegt als volgt.

5. De rechtbank is onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.1.3. van de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2011 van oordeel dat voor het vaststellen van andere rechten en verplichtingen van eiser van belang kan zijn of hij voorafgaand aan de afgifte van het document als bedoeld in artikel 9 van de Vw over rechtmatig verblijf op grond van het gemeenschapsrecht beschikte. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Eiser heeft daarom belang bij de vaststelling van de ingangsdatum van zijn verblijfsrecht.

6. De Afdeling heeft in diezelfde uitspraak ook overwogen dat de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, er niet aan in de weg staat dat het nationale recht voorziet in de mogelijkheid om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf op grond van het gemeenschapsrecht vast te stellen, indien daar uitdrukkelijk om is verzocht. Bij of krachtens de Vw is echter niet in een dergelijke bevoegdheid van verweerder voorzien.

7. De door eiser aangehaalde Afdelingsuitspraak van 15 september 2017 kan niet leiden tot een ander oordeel. In die zaak moest worden beoordeeld of de duurzame relatie van de vreemdeling langer dan drie jaar had geduurd, en niet vanaf welke datum aan het gemeenschapsrecht rechtmatig verblijf wordt ontleend.

8. De slotsom is dat verweerder vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag niet bevoegd is om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van eiser op grond van het gemeenschapsrecht vast te stellen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2018. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.