ECLI:NL:RBDHA:2018:13666 · Rechtbank Den Haag
Legislator summary
AI generatedRechtbank DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/16588 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer], en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beschikking van verweerder van 30 november 2017. Bij aangetekende brief van is eiser eraan herinnerd dat hij griffierecht moet betalen (de herinnering). De enveloppe waarin deze herinnering is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen. Omdat eiser zich in een asielzoekerscentrum bevindt en alle aan eiser gezonden post retour is gekomen, heeft verweerder desgevraagd als verblijfadres opgegeven [verblijfadres], [postcode] [plaats]. De herinnering is nogmaals aangetekend verstuurd maar nu naar dit door verweerder opgegeven adres. Ook deze enveloppe is ongeopend ter griffie terugontvangen. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:41 van de Awb, artikel 8:55 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2018:13666 · Rechtbank Den Haag: Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41 van de Awb griffierecht betalen. Voor deze zaak is het griffierecht vastgesteld op € 168,-. De griffier stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet zijn betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht betrokkene niet is toe te rekenen.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedRelated Decisions
AI generatedFull text
Rechtbank DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/16588 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer], en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beschikking van verweerder van 30 november 2017. Bij aangetekende brief van is eiser eraan herinnerd dat hij griffierecht moet betalen (de herinnering). De enveloppe waarin deze herinnering is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen. Omdat eiser zich in een asielzoekerscentrum bevindt en alle aan eiser gezonden post retour is gekomen, heeft verweerder desgevraagd als verblijfadres opgegeven [verblijfadres], [postcode] [plaats]. De herinnering is nogmaals aangetekend verstuurd maar nu naar dit door verweerder opgegeven adres. Ook deze enveloppe is ongeopend ter griffie terugontvangen. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41 van de Awb griffierecht betalen. Voor deze zaak is het griffierecht vastgesteld op € 168,-. De griffier stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet zijn betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht betrokkene niet is toe te rekenen.
3. In de herinnering is eiser er nog eens op gewezen dat het griffierecht binnen vier weken moet zijn betaald en dat anders het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Eiser heeft het griffierecht niet betaald. Dat dit eiser niet is toe te rekenen, is niet gebleken. Dat de herinnering eiser niet heeft bereikt, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Eiser heeft immers zelf verzuimd zijn adreswijziging door te geven 4. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van C.P. van Veldhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 van de Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.