Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:13011 ECLI:NL:RBDHA:2018:13011 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:13011 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:13011
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 18/6999 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2018 op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam] , verzoekster, gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft op 20 september 2018 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar van 13 februari 2018. Dit bezwaar was gericht tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2018:13011 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank ziet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aanleiding om uitspraak te doen zonder zitting. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

Keywords

AI generated
procedural costs overpaid insurance benefits deduction of professional expenses assumption of costs party costs of attorney untimely advance on costs

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank ziet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aanleiding om uitspraak te doen zonder zitting.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:904
201503138/1/A4. Datum uitspraak: 6 april 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Beverwijk, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 maart 2015 in zaak nr. 14/4135 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk. Procesverloop Bij besluit van 4 maart 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om intrekking van de op 25 april 2006 aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning en vrijstelling voor het wijzigen van een deel van een kerkgebouw in een woning met naaiatelier op het perceel [locatie 1] te Beverwijk afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2015:1753
201408391/1/A3. Datum uitspraak: 3 juni 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 september 2014 in zaak nr. 13/2736 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 25 april 2013 heeft de minister een verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ingewilligd. Bij besluit van 3 december 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2017:2471
201604044/1/A1. Datum uitspraak: 13 september 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: AGRAforce Take 2 C.V. en [appellant] (hierna: AGRAforce en [appellant]), gevestigd te Veere, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 april 2016 in zaken nrs. 15/5858 en 15/7164 in het geding tussen: AGRAforce en [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Veere. Procesverloop Bij besluit van 18 december 2014 heeft het college aan [belanghebbende] een kampeervergunning verleend voor bepaalde tijd tot 1 maart 2016.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 18/6999 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2018 op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam] , verzoekster, gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft op 20 september 2018 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar van 13 februari 2018. Dit bezwaar was gericht tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis.

Verweerder heeft op 8 oktober 2018 alsnog een besluit genomen op het bezwaar. Vervolgens heeft de gemachtigde van verzoekster het beroep ingetrokken, met het verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft schriftelijk meegedeeld bereid te zijn de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van € 125,25. Verweerder is van mening dat een wegingsfactor “zeer licht” van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Ter ondersteuning van dit standpunt wijst verweerder op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 april 2016 (de Afdeling).

De rechtbank ziet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aanleiding om uitspraak te doen zonder zitting. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

2. Indien niet tijdig is beslist, is sprake van tegemoetkomen als bedoeld in dit artikel als hangende beroep alsnog een besluit wordt genomen. Dit blijkt uit vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015. Dit beginsel lijdt slechts uitzondering als de indiener wist dat op korte termijn een besluit zou worden genomen of als het besluit is genomen kort na ontvangst van noodzakelijke aanvullende gegevens van de indiener.

3. In het geval van verzoekster heeft verweerder erkend dat de beslistermijn is overschreden en heeft hij hangende het beroep een besluit genomen. De genoemde uitzonderingen zijn niet aan de orde.

4. Gelet hierop ziet de rechtbank voldoende aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekster tijdens de beroepsfase heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 250,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 0,5 (licht)). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht omdat het bij dit beroep uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit en gelet op de recentere uitspraak van de Afdeling van 13 september 2017 dan die waar verweerder naar verwijst.

5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht ten bedrage van € 170,- aan verzoekster moet vergoeden. Daarom hoeft de rechtbank verweerder daartoe niet te veroordelen. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 501 (tweehonderdvijftig euro en vijftig cent). Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2018. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. ECLI:NL:RVS:2016:904 ECLI:NL:RVS:2015:1753 ECLI:NL:RVS:2017:2471