Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:11539 ECLI:NL:RBDHA:2018:11539 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:11539 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:11539
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.13916 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács). Procesverloop Bij besluit van 25 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:11539 · Rechtbank Den Haag: Eiser voert verder aan dat de opvangproblemen bij asielzoekers zo ernstig zijn, dat er sprake is van systeemfouten, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Volgens de heersende rechtspraak mag verweerder ten opzichte van Italië nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit niet meer kan. Eiser is daarin niet geslaagd. Wat hij heeft aangevoerd heeft betrekking op het niet toelaten van bootvluchtelingen tot de Italiaanse havens. Dit staat los van de positie van Dublinclaimanten, zoals eiser.

Keywords

AI generated
language barriers english-speaking Africa regional languages use of languages countries outside Europe language skills

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:1454
201603474/1/V3. Datum uitspraak: 30 mei 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 4 mei 2016 in zaak nr. 16/7210 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 7 april 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2018:1910
201709131/1/V3. Datum uitspraak: 7 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 november 2017 in zaak nr. NL17.11331 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 23 oktober 2017 heeft de staatssecretaris (lees: de minister van Veiligheid en Justitie) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2018:2614
het rapport "Report on the current situation of asylum seekers and beneficiaries of protection, in particular Dublin returnees, in Italy" van de Swiss Refugee Council (SFH/OSAR) van 15 augustus 2016; het rapport "Is mutual trust enough? The situation of persons with special reception needs upon return to Italy" van de Danish Refugee Council (DRC) en de Swiss Refugee Council (SFH/OSAR) van 9 februari 2017;
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.13916 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács). Procesverloop Bij besluit van 25 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.13917, plaatsgevonden op 30 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E.M. Spruit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van een niet-registertolk.

Verweerder heeft daartegen in het bestreden besluit ingebracht dat er geen registertolken zijn in de taal van eiser, het Bambara (ook genoemd: Bamanankan). Daarmee doet zich één van de twee uitzonderingen voor, als genoemd in artikel 26, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers, op de hoofdregel dat verweerder van een registertolk gebruik moet maken. Nu het Bambara de moedertaal van eiser is, heeft verweerder niet hoeven onderzoeken of er wel een registertolk in de Franse taal beschikbaar was. Deze beroepsgrond faalt.

2. Eiser heeft gesteld dat Italië niet heeft gereageerd op het overnameverzoek en dat verweerder daarom nader onderzoek had moeten verrichten. Als gevolg van het verstrijken van een termijn van twee maanden na de datum van het overnameverzoek wordt Italië geacht met dat verzoek te hebben ingestemd. Dit fictief akkoord heeft dezelfde rechtsgevolgen als een expliciet akkoord. Eiser heeft ook niet bestreden dat hij in Italië heeft verbleven voordat hij naar Nederland kwam. Verweerder heeft daarom terecht Italië verantwoordelijk geacht. Nader onderzoek naar de verantwoordelijkheid is niet nodig. Deze beroepsgrond faalt.

3. Eiser voert verder aan dat de opvangproblemen bij asielzoekers zo ernstig zijn, dat er sprake is van systeemfouten, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Volgens de heersende rechtspraak mag verweerder ten opzichte van Italië nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit niet meer kan. Eiser is daarin niet geslaagd. Wat hij heeft aangevoerd heeft betrekking op het niet toelaten van bootvluchtelingen tot de Italiaanse havens. Dit staat los van de positie van Dublinclaimanten, zoals eiser.

Dat eiser tijdens zijn verblijf in Italië geen opvang heeft gekregen en onvoldoende medicijnen – wat overigens niet is onderbouwd – leidt niet tot een ander oordeel, omdat eiser in Italië geen asiel had aangevraagd. Het feit dat eiser in Nederland een operatie heeft ondergaan en zich nog steeds niet fit voelt, betekent niet dat behandeling in Italië niet adequaat zal zijn. Eiser heeft immers als asielzoeker aanspraak op alle noodzakelijke medische zorg en op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel moet ervan uit worden gegaan dat Italië die zorg ook levert.

4. Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op de humanitaire clausule, oordeelt de rechtbank dat verweerder geen zodanig bijzondere feiten of omstandigheden aanwezig heeft hoeven achten, dat overdracht van eiser tot kennelijke hardheid zou leiden.

5. De slotsom is dat verweerder niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, en dat hij de verantwoordelijkheid daarvoor ook niet aan zich heeft hoeven trekken met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.

6. Het beroep op het arrest Gnandi kan geen doel treffen, omdat in deze zaak geen sprake is van een terugkeerbesluit. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat eiser niet over een effectief rechtsmiddel beschikt tegen het bestreden besluit.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier, op 30 augustus 2018. Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Artikel 22, zevende lid, van de Verordening nr. (EU) 604/2013 (Dublinverordening) zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1454, van 7 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1910 en van 6 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2614 arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juni 2018, C-181/16