Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:11528 ECLI:NL:RBDHA:2018:11528 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:11528 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:11528
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.13755 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. F.A. van den Berg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui). Procesverloop Bij besluit van 20 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2018:11528 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank is van oordeel dat de informatie in de door eiser aangehaalde rapporten geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië schetst. Weliswaar bevestigen deze rapporten dat sprake is van tekortkomingen, maar het biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan overdracht aan Italië zonder meer in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

Keywords

AI generated
refugee status deportation despite health issues removal international protection Roma asylum application safe return

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
67981/16) geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:2278
201508456/1/V3. Datum uitspraak: 10 augustus 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 november 2015 in zaken nrs. 15/18823, 15/18831, 15/18834 en 15/18837 in het geding tussen: [vreemdeling 1] (hierna: de vreemdeling), [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] (hierna: gezamenlijk de vreemdelingen) en de staatssecretaris.
ECLI:NL:RVS:2016:2533
201507537/1/V3 Datum uitspraak: 16 september 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), van 22 september 2015 in zaken nrs. 15/13170, 15/13171, 15/13172, 15/13173, 15/13175 en 15/13176 in het geding tussen: [vreemdeling 1], mede voor haar minderjarige kind, [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3] (hierna tezamen: de vreemdelingen) en de staatssecretaris.
ECLI:NL:RVS:2016:3291
201605509/1/V3. Datum uitspraak: 9 december 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2016 in zaak nr. NL 16.1221 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2017:73
201607228/1/V3 Datum uitspraak: 16 januari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2016 in zaken nrs. 16/17984 en 16/17979 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 9 augustus 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2017:971
201702011/1/V3. Datum uitspraak: 7 april 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 27 februari 2017 in zaken nrs. 17/2240 en 17/2242 in het geding tussen: [vreemdeling A] en [vreemdeling B], mede voor hun minderjarig kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 27 januari 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2018:2614
het rapport "Report on the current situation of asylum seekers and beneficiaries of protection, in particular Dublin returnees, in Italy" van de Swiss Refugee Council (SFH/OSAR) van 15 augustus 2016; het rapport "Is mutual trust enough? The situation of persons with special reception needs upon return to Italy" van de Danish Refugee Council (DRC) en de Swiss Refugee Council (SFH/OSAR) van 9 februari 2017;
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.13755 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. F.A. van den Berg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui). Procesverloop Bij besluit van 20 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.13756, plaatsgevonden op 15 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Diaby. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is van Guinese nationaliteit en geboren op [geboortedatum] . Hij heeft in Nederland op 24 maart 2018 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, zodat sinds 2 juni 2018 de verantwoordelijkheid van Italië voor de asielaanvraag van eiser vast staat. In de omstandigheid dat eiser psychische problemen heeft ziet verweerder geen aanleiding de aanvraag aan zich te trekken.

3. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Het betoog van eiser, dat Italië niet tijdig heeft gereageerd op het terugnameverzoek zodat niet duidelijk is of Italië zijn asielverzoek in behandeling zal nemen, faalt. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening staat het zonder reactie laten verstrijken van de termijn van twee weken gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek en houdt het de verplichting is om de betrokken persoon terug te nemen.

5. Eiser heeft verder betoogd dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft aangevoerd dat de Italiaanse autoriteiten de internationale verplichtingen niet nakomen en zich niet houden aan de Europese richtlijnen. Eiser heeft gewezen op problemen met de toegang tot opvang, opvangvoorzieningen en aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure. Eiser acht daarbij de handelswijze van de huidige Italiaanse regering van belang. Ter staving van zijn standpunt heeft eiser verwezen naar het rapport van "Schweizerische Flüchtelingshilfe" (SFH) van 15 augustus 2016, het rapport Amnesty International 'Hotspot Italy, How EU's flagship approach leads to violations of refugee and migrants rights’, het World Report 2017- European Union van Human Rights Watch, het rapport van UDOS van 3 maart 2017, het bericht van UNHCR van 3 juli 2017, alsmede het rapport van de Werkgroep van deskundigen over mensen met Afrikaanse afkomst van 12 augustus 2016 en het gezamenlijke monitoringsrapport van de Danish Refugee Council en de Swiss Refugee Council "Is mutual Trust enough? The situation of person's with special needs upon return to Italy” van 9 februari 2017.

Eiser voert aan dat hij aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) lijdt en dat uit de voornoemde rapporten kan worden afgeleid dat hem in Italië geen medische voorzieningen zullen worden aangeboden. Verder is er een gebrek aan tolken. Dat hij kan klagen bij de Italiaanse autoriteiten omtrent asiel dan wel opvangmodaliteiten is illusoir, omdat hij geen juridische bijstand zal krijgen, aldus eiser.

6. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen van uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Italië dit niet doet.

7. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende arresten (zie onder meer de arresten van 26 november 2015 in de zaak J.A. en anderen tegen Nederland, nr. 21459/14, van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland, nr. 5868/13 en van 7 juni 2018 in de zaak H e.a. tegen Zwitserland, nr. 67981/16) geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie.

Er zijn weliswaar tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. Het EHRM heeft verder meermaals overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278) geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Meer recent heeft de Afdeling in de uitspraken van 16 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2533), 9 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3291), 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971) eveneens geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

8. De rechtbank is van oordeel dat de informatie in de door eiser aangehaalde rapporten geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië schetst. Weliswaar bevestigen deze rapporten dat sprake is van tekortkomingen, maar het biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan overdracht aan Italië zonder meer in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

9. Voor zover eiser verder betoogt dat Italië zich niet houdt aan de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en/of de Procedurerichtlijn heeft verweerder bovendien terecht, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308), gesteld dat eiser zich hierover dient te beklagen bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten dan wel geëigende instanties. Dat stelling van eiser, dat klagen illusoir is, is niet onderbouwd. Verder volgt uit het aanmeldgehoor dat eiser alleen bij de mensen van de opvang heeft geklaagd en niet bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten.

10. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in de medische problemen van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er vanuit worden gegaan dat dat de medische voorzieningen in Italië vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Verder heeft de Afdeling in haar uitspraak van 6 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2614) geoordeeld dat de omstandigheid dat een vreemdeling lijdt aan een PTSS en hiervoor onder behandeling staat, onvoldoende is om ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan.

Verder is niet gebleken dat een overdracht aan Italië zal resulteren in een ernstige verslechtering van eisers medische situatie(arrest HvJ-EU zaak C.K. e.a. tegen Slovenië van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127). Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 27 maart 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:1438) slaagt niet, omdat het geen identieke zaak is. In die zaak was de vreemdeling immers opgenomen op een PAAZ-afdeling. Evenmin is gebleken dat eiser is aan te merken als een kwetsbare persoon in de zin van het arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712).

Reeds daarom hoeft verweerder geen individuele garanties bij de Italiaanse autoriteiten te vragen ten aan zien van de beschikbaarheid van geschikte opvang.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.