Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2018:10909 ECLI:NL:RBDHA:2018:10909 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:10909 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2018:10909
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL18.13005 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. L. Mol). Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2018:10909 · Rechtbank Den Haag: C.T.W. van Dijk), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. L. Mol). Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Keywords

AI generated
asylum for Eritrean nationals refugee rights European legal status international judicial jurisdiction Roma asylum application situation in country of origin

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL18.13005 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. L. Mol). Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.13006, plaatsgevonden op 31 juli 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Eritrese nationaliteit. Eiser stelt dat Nederland zijn asielaanvraag moet behandelen, omdat Italië niet aan zijn verdragsverplichtingen voldoet. Eiser heeft niet onderbouwd dat Italië in zijn geval niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. In tegendeel, hij heeft verklaard dat de opvang goed is. De gestelde medische klachten heeft eiser evenmin onderbouwd. Kortom, eiser heeft niet aangetoond dat de situatie in Italië is verergerd sinds de uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2017 en 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73 en ECLI:NL:RVS:2017:971), waarin is geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Eisers intentie om in Nederland asiel aan te vragen is voor de toepassing van de Dublinverordening geen relevante factor. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier, op 31 juli 2018. Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.