Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2017:8622 ECLI:NL:RBDHA:2017:8622 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:8622 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2017:8622
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL17.5161 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2017 in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. J.C. van Zundert), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. J.W. Kreumer). Procesverloop Bij besluit van 7 januari 2016 is aan eiser op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij besluit van 15 juli 2017 is eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:8622 · Rechtbank Den Haag: J.C. van Zundert), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. J.W. Kreumer). Procesverloop Bij besluit van 7 januari 2016 is aan eiser op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij besluit van 15 juli 2017 is eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond.

Keywords

AI generated
post-flight political activities reinstatement of refugee status deportation in asylum proceedings return migration credibility of asylum claims unreasonableness of return to Afghanistan
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL17.5161 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2017 in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. J.C. van Zundert), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. J.W. Kreumer). Procesverloop Bij besluit van 7 januari 2016 is aan eiser op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij besluit van 15 juli 2017 is eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond.

Bij besluit van diezelfde datum is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, zesde lid, van de Vw in samenhang met artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw opgelegd. Eiser heeft tegen de maatregel beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot het verzoek om toekenning van schadevergoeding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser voert aan dat de bewaring onrechtmatig is, omdat na afloop van de procedure kan worden volstaan met het opleggen van een lichter middel, zijnde plaatsing in een AZC zo nodig in combinatie met een intensieve meldplicht.

Eiser wijst er in dit verband op dat hij zijn authentiek bevonden identiteitsbewijzen heeft overgelegd.

2. De rechtbank overweegt als volgt. 2.1 De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden waarop de vrijheidsontnemende maatregel berust niet heeft bestreden. Verweerder heeft deze gronden aan de vrijheidsontnemende maatregel ten grondslag mogen leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet kon worden volstaan met de toepassing van een lichter middel. Het betoog van eiser dat hem een meldplicht kon worden opgelegd omdat hij beschikt over authentiek bevonden identiteitsbewijzen volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft meer belang mogen hechten aan de situatie dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Verder is niet gebleken van omstandigheden die de vrijheidsbenemende maatregel onevenredig bezwarend maken. 2.2 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring terecht aan eiser is opgelegd.

3. Het beroep is ongegrond. De rechtbank zal het verzoek om het toekennen van schadevergoeding daarom afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Verwilligen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2017. RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.