Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2017:7072 ECLI:NL:RBDHA:2017:7072 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:7072 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2017:7072
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 28 oktober 2015 en de daarin genoemde stukken; de akte overlegging producties, tevens akte vermeerdering (grondslag) van eis van de zijde van de Vereniging; de antwoordakte van de zijde van Aegon; het proces-verbaal van pleidooi van 17 januari 2017, het daarin genoemde stuk en de tijdens het pleidooi door partijen voorgedragen pleitnota’s. 1.2. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3:305a BW, art 843a Rv, artikel 22 Rv, artikel 3:303 BW, artikel 6:193a BW, artikel 6:2 BW; ECLI:NL:RBDHA:2017:7072 · Rechtbank Den Haag: Aegon betwist alle verwijten van de Vereniging. Samengevat komt haar verweer erop neer dat zij steeds alle informatie heeft verstrekt die zij moest verstrekken op grond van de destijds geldende wet- en regelgeving en dat zij haar verzekeringnemers niet heeft misleid. Aegon betwist dat zij niet overeengekomen kosten in rekening heeft gebracht. Zij betwist dat de overeenkomsten oneerlijke bedingen bevatten en dat zij met de voorbeeldproducten gebrekkige producten in het verkeer heeft gebracht. plan van behandeling 2.21. Voordat de rechtbank de verwijten van de Vereniging behandelt, gaat zij in op het (nadere) verweer van Aegon met betrekking tot de collectieve actie op de voet van artikel 3:305a BW en het door Aegon betwiste belang van de Vereniging bij haar vorderingen (II).

Keywords

AI generated
undisclosed pre-existing condition right to higher insurance cover underinsurance cost sharing of the insured fraudulent insurance claim insurance coverage gap

Cited Legislation

AI generated
artikel 3:305a BW
De op de voet van artikel 3:305a BW ingestelde primaire vordering van de Vereniging had betrekking op 115 producten, die waren opgesomd in een door haar bij de dagvaarding overgelegd “Overzicht Woekerpolissen” met productnamen van beleggingsverzekeringen van Aegon.
art 843a Rv
Na het tussenvonnis, waarin ook is beslist dat de incidentele vordering ex art 843a Rv van de Vereniging zal worden afgewezen, heeft de Vereniging haar eis in de hoofdzaak gewijzigd.
artikel 22 Rv
artikel 3:303 BW
De rechtbank stelt voorop dat zij terughoudend dient te zijn met het afwijzen van een vordering vanwege het ontbreken van voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW.
artikel 6:193a BW
De Vereniging grondt de gestelde misleiding door Aegon bij het verstrekken van informatie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten op artikel 6:194 (oud) BW, zoals dit luidde voor 15 oktober 2008, toen deze bepaling – anders dan daarna, met de inwerkingtreding van artikel 6:193a BW – nog gold voor consumenten.
artikel 6:2 BW
Daarmee omvat deze verwijzing naar artikel 6:2 BW zowel de beperkende als de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.
artikel 6:194 BW
Indien in dat geval, vervolgens, redelijkerwijs aannemelijk is dat de onjuiste of onvolledige mededeling, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang is voor de beleggingsbeslissing van de verzekeringnemer, is sprake van misleiding in de zin van artikel 6:194 BW (oud).
artikel 193a BW
In de wetsgeschiedenis van artikel 193a BW is opgemerkt: “Het gebruik van het begrip gemiddelde consument voorkomt dat de handelaar rekening moet houden met iedere consument ongeacht zijn vaardigheden of capaciteiten waaronder bijvoorbeeld de «naïeve» consument.” Zie: TK 2007-2007, nr.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2836
GERECHTSHOF AMSTERDAM Nevenzittingsplaats Arnhem Sector civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.043.825 en 200.047.090 (zaaknummer / rolnummer rechtbank 202784 / HA ZA 05-2186) arrest van de eerste civiele kamer van 26 juli 2011 in de gevoegde zaken met zaaknummer 200.043.825 inzake: de naamloze vennootschap Aegon Spaarkas N.V., (verder ook te noemen: Aegon), gevestigd te ’s-Gravenhage, appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. W.H. van Baren, tegen: de stichting Stichting Koersplandewegkwijt, (verder ook te noemen de Stichting), gevestigd te Eindhoven, geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. E. Lutjens, en met zaaknummer 200.047.090 inzake: 1. de stichting Stichting Koersplandewegkwijt, gevestigd te Eindhoven, 2. [geïntimeerde sub 2], (verder ook te noemen: [geïntimeerde sub 2]), wonende te [woonplaats], 3. [geïntimeerde sub 3], (verder ook te noemen: [geïntimeerde sub 3]), wonende te [woonplaats], 4. [geïntimeerde sub 4], (verder ook te noemen: [geïntimeerde sub 4]), wonende te [woonplaats], appellanten in het principaal hoger beroep, geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. E. Lutjens, tegen: de naamloze vennootschap Aegon Spaarkas N.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, advocaat: mrs. W.H. van Baren. 1. Eerder verloop van het geding in hoger beroep in beide zaken: Het hof verwijst naar het arrest in het incident tot voeging van 2 februari 2010 waarin de beide zaken gevoegd zijn. 2. Verder verloop van het geding in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.043.825: 2.1 Aegon heeft bij exploten van 10 en 11 augustus 2009 de Stichting aangezegd van de vonnissen van de rechtbank Utrecht van 6 juni 2007, 6 augustus 2008 en 13 mei 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de Stichting voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft Aegon twee grieven onderverdeeld in een aantal subgrieven tegen de vonnissen van 6 juni 2007 en 13 mei 2009 aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en een aantal nieuwe producties in het geding gebracht. Aegon heeft gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende: a) de Stichting alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen; b) de Stichting zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen Aegon ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan haar heeft voldaan (waaronder de proceskosten ad € 3.172,60), vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van betaling tot de dag van terugbetaling; c) de Stichting zal veroordelen om aan Aegon de kosten van de procedure in beide instanties te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, onder bepaling dat als deze kosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de vijftiende dag wettelijke rente verschuldigd is. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft de Stichting de grieven bestreden, heeft zij bewijs aangeboden en heeft zij een aantal nieuwe producties in het geding gebracht. De Stichting heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ook wat betreft de proceskostenveroordeling, de bestreden vonnissen, met inachtneming van de in paragraaf 11 van de memorie van antwoord geformuleerde vorderingen van de Stichting en eventueel met verbetering van gronden, zal bekrachtigen, met veroordeling van Aegon in de kosten van het hoger beroep. 2.4 Vervolgens is Aegon in de gelegenheid gesteld een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep te nemen. Aegon heeft dat gedaan en heeft daarbij geconcludeerd dat het hof de Stichting niet-ontvankelijk zal verklaren in haar incidenteel hoger beroep, althans dat het hof de in incidenteel hoger beroep aangevoerde grieven ongegrond zal verklaren en het niet door de grieven in principaal hoger beroep bestreden deel van het vonnis, zo nodig onder verbetering van gronden, zal bekrachtigen, onder veroordeling, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorrad verklaard arrest, van de Stichting om binnen veertien dagen na het wijzen van dit arrest aan Aegon te betalen de kosten van het geding in beide instanties en tot terugbetaling van al hetgeen Aegon ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan haar heeft voldaan (waaronder de proceskosten ad € 3.172,60), vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van betaling tot de dag van terugbetaling, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn voldaan, hierover vanaf de veertiende dag wettelijke rente verschuldigd is. in de zaak met zaaknummer 200.047.090: 2.5 De Stichting, [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] hebben bij exploot van 12 augustus 2009 Aegon aangezegd van de vonnissen van 6 juni 2007, 20 februari 2008, 6 augustus 2008 en 13 mei 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Aegon voor dit hof. De Stichting, [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] zullen hierna gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) aangeduid worden als de Stichting c.s. 2.6 Bij memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis, heeft de Stichting c.s. zes grieven tegen de vonnissen van 6 juni 2007 en 13 mei 2009 aangevoerd en toegelicht, en heeft zij bewijs aangeboden. De Stichting c.s. heeft, na vermeerdering van eis, gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest: ten aanzien van [geïntimeerde sub 4]: 1) zal verklaren voor recht dat er met betrekking tot de Koersplanovereenkomst van [geïntimeerde sub 4] geen wilsovereenstemming bestond tussen Aegon en [geïntimeerde sub 4] ten aanzien van het in rekening brengen van een premie voor een overlijdensrisicoverzekering, subsidiair dat er geen wilsovereenstemming bestond ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering; 2) zal verklaren voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomst van [geïntimeerde sub 4] moet worden herberekend door de premie op “0” vast te stellen, althans overeenkomstig de in de akte van 15 augustus 2007 genoemde uitgangspunten; dat wil zeggen primair overeenkomstig de werkelijke kostprijs voor een overlijdensrisicodekking met inachtneming van de in die akte genoemde uitgangspunten, subsidiair op een ander door het hof in redelijkheid en billijkheid vast te stellen percentage; 3) Aegon zal veroordelen de Koersplanovereenkomst met [geïntimeerde sub 4] na te komen in overeenstemming met de onder 2) geformuleerde verklaring voor recht; ten aanzien van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3]: 4) zal verklaren voor recht dat er met betrekking tot de Koersplanovereenkomsten van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] geen wilsovereenstemming bestond tussen Aegon en [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering; 5) zal verklaren voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomsten van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] moet worden herberekend overeenkomstig de in de akte van 15 augustus 2007 genoemde uitgangspunten; dat wil zeggen primair overeenkomstig de werkelijke kostprijs voor een overlijdensrisicodekking met inachtneming van de in die akte genoemde uitgangspunten, subsidiair op een ander door het hof in redelijkheid en billijkheid vast te stellen percentage; 6) Aegon zal veroordelen de Koersplanovereenkomst met [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] na te komen in overeenstemming met de onder 5) geformuleerde verklaring voor recht; ten aanzien van de Stichting: 7) zal verklaren voor recht dat er ten aanzien van de Koersplanovereenkomsten die zijn aangevangen in de jaren 1989 en 1990 geen wilsovereenstemming bestond tussen Aegon en de personen voor wier belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt ten aanzien van het in rekening brengen van een premie voor een overlijdensrisicoverzekering, althans dat er geen wilsovereenstemming bestond ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering; 8) zal verklaren voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomsten van de personen voor wier belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt en die zijn aangevangen in de jaren 1989 en 1990 moet worden herberekend door de premie op “0” vast te stellen, althans overeenkomstig de in de akte van 15 augustus 2007 genoemde uitgangspunten; dat wil zeggen primair overeenkomstig de werkelijke kostprijs voor een overlijdensrisicodekking met inachtneming van de in die akte genoemde uitgangspunten, subsidiair op een ander door het hof in redelijkheid en billijkheid vast te stellen percentage; 9) Aegon zal veroordelen de Koersplanovereenkomsten met de personen voor wier belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt en die zijn aangevangen in de jaren 1991 en 1998 na te komen in overeenstemming met de onder 8) geformuleerde verklaring voor recht; ten aanzien van de Stichting, [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4]: 10) zal verklaren voor recht dat Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding door bij de maatmanberekeningen te verzwijgen dat de in te houden overlijdensrisicopremie (substantieel) hoger kon zijn dan waarvan bij de maatmanberekening is uitgegaan, alsmede te verzwijgen dat dit van invloed was op de hoogte van het te behalen rendement voor zover de herberekening als bedoeld in de onder 2), 5) en 8) geformuleerde vorderingen als uitkomst kent dat de overlijdensrisicopremie op een lager bedrag wordt bepaald dan de premie waarvan in de maatmanberekeningen voor de betrokken deelnemer is uitgegaan; 11) Aegon zal veroordelen in de buitengerechtelijke kosten, subsidiair in de kosten gemaakt ter begroting van de schade ten bedrage van € 75.365,- te vermeerderen met omzetbelasting, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg, althans het indienen van deze memorie van grieven, voor zover het gevorderde bedrag hoger is dan in eerste aanleg, tot aan de dag van algehele voldoening; 12) Aegon zal veroordelen in de kosten van beide instanties. 2.7 Bij memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft Aegon de grieven bestreden, en heeft zij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Bij dezelfde memorie heeft Aegon incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 6 juni 2007 en 13 mei 2009, en heeft zij daartegen twee grieven onderverdeeld in een aantal subgrieven aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Aegon heeft geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende: a) onder afwijzing van de door de Stichting c.s. aangevoerde grieven, de Stichting c.s. alsnog in haar vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen; b) de Stichting zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen Aegon ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan haar heeft voldaan (waaronder de proceskosten ad € 3.172,60), vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van betaling tot de dag van terugbetaling; c) de Stichting, [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] hoofdelijk zal veroordelen om aan Aegon de kosten van de procedure in beide instanties te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, onder bepaling dat als deze kosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de vijftiende dag tot aan de dag van algehele voldoening. 2.8 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep tevens akte uitlating producties heeft de Stichting c.s. verweer gevoerd en geconcludeerd dat de incidentele grieven voor afwijzing gereed liggen en heeft zij nogmaals bewijs aangeboden. 2.9 Daarna hebben partijen met instemming van het hof ieder een schriftelijke inleiding op het pleidooi overgelegd, waarbij de Stichting c.s. tevens drie producties heeft toegezonden. 2.10 Ter zitting van maandag 16 mei 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Aegon door mrs. W.H. van Baren en B.W.G. van der Velden, beiden advocaat te Amsterdam en de Stichting c.s. door mr. E. Lutjens, advocaat te Amsterdam. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Door het hof is aan mr. Lutjens akte verleend van het in het geding brengen van voornoemde producties; Aegon heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. 2.11 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op de door partijen reeds overgelegde stukken. 3. De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank in het vonnis van 6 juni 2007 (verder ook te noemen: het eerste vonnis) in rechtsoverwegingen (r.o.) 2.1 tot en met 2.12 vastgestelde feiten en van de weergave van de contractsdocumenten en het informatiemateriaal in r.o. 3.1 tot en met 3.47 van datzelfde vonnis. Daaraan kan nog het volgende worden toegevoegd. 3.2 De contractsdocumentatie van de KoersPlan-overeenkomsten bestond in ieder geval uit: a. een brochure, (waarmee het product onder de aandacht van het publiek werd gebracht) b. een inschrijfformulier, (na inzending waarvan) c. een bevestigingsbrief (werd gestuurd aan de deelnemer met als bijlagen) d. een namens Spaarbeleg ondertekend certificaat en e. een exemplaar van de over dat jaar toepasselijke algemene voorwaarden. Deze documenten zullen hierna verder afzonderlijk worden aangeduid als respectievelijk de brochure, het inschrijfformulier, de bevestigingsbrief, het certificaat en de algemene voorwaarden en als geheel als de contractsdocumentatie. 3.3 Een door het Verbond van Verzekeraars uitgegeven brochure, met als titel: “Spaarkassparen. Dat gaat zó!” (verder te noemen: de Brochure Spaarkassparen) luidt onder meer als volgt: “(…) De spaarkasovereenkomst bestaat uit twee onderdelen: een spaardeel en een overlijdensrisicoverzekering. Deze laatste zorgt ervoor dat als één van de deelnemers komt te overlijden voordat de spaarperiode is afgelopen, dat de in de overeenkomst aangewezen begunstigde(n) uit deze verzekering een uitkering krijgen. (…) Kosten en opbrengsten De periodieke stortingen zijn opgebouwd uit drie onderdelen: spaarstorting, overlijdensrisicopremie en vergoeding voor de kosten die de maatschappij maakt voor ondermeer het administreren en beheren van de jaarkas. De maatschappij vertelt u hoe deze posten zijn onderverdeeld zodat ook duidelijk is welk deel wordt belegd. (…) De uitkering De uitkering die u aan het eind van een spaarperiode ontvangt, bestaat uit drie onderdelen: het totaal van de spaarstortingen (minus de door de spaarkasmaatschappij gemaakte kosten), de opbrengst uit beleggingen en de overlevingswinst. De totale opbrengst wordt verdeeld onder alle deelnemers die aan het einde van de looptijd nog in leven zijn. Daarbij wordt een bepaalde verdeelsleutel gehanteerd die is gebaseerd op het eigen spaarbedrag en de leeftijd van de deelnemers; oudere deelnemers ontvangen een hogere uitkering omdat zij een groter risico liepen de einddatum niet te halen (daarvoor betaalden ze ook een hogere risicopremie). (…) 3.4 Een door de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van het Spaarkasbedrijf (NVBS) uitgegeven brochure uit mei 1985 met als titel: “Prospectus Spaarkasinschrijvingen” (verder te noemen: de Prospectus Spaarkasinschrijvingen”) luidt onder meer als volgt: “In de spaarkasovereenkomst is tevens een overlijdensrisicodekking begrepen, zodat wanneer iemand overlijdt voor het einde van de looptijd van de jaarkas, de nabestaanden toch een uitkering ontvangen. Daarvoor is naast de spaarstorting in de jaarkas een aparte overlijdensrisicopremie verschuldigd. (…). Bij tussentijds overlijden van een deelnemer ontvangen de nabestaanden toch een uitkering. Deze uitkeringen worden niet uit het spaartegoed gedaan; dat is immers bestemd voor degenen die in leven blijven en doorsparen. De uitkering bij overlijden volgt uit de in de spaarkasinschrijving begrepen overlijdensrisicodekking, waarvoor -zoals op de derde bladzijde al is gezegd- een overlijdensrisicopremie wordt betaald. (…) Het bedrag van de spaarstorting wordt op het bewijs van inschrijving vermeld evenals de duur van de overeenkomst. Verder wordt de premie vermeld voor de overlijdensrisicodekking. (…)”. 3.5 Een Aanbeveling van de Ombudsman Financiële Dienstverlening (verder ook te noemen: de Aanbeveling) inzake het geschil tussen particuliere afnemers van een beleggingsverzekering (in de Aanbeveling aangeduid als “de consument”) en bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening aangesloten verzekeringsmaatschappijen (in de Aanbeveling aangeduid als “verzekeraars”) van 4 maart 2008 luidt onder meer als volgt: “(…) De Ombudsman beveelt aan met terugwerkende kracht t.a.v. in het verleden gesloten contracten een kostenmaximering toe te passen en waar een hogere kostenlading is gehanteerd de consument met inachtneming van de aanbevolen maximering te compenseren op hierna aan te geven wijze. 1. Alle omstandigheden in aanmerking genomen en op grond van de aangegeven overwegingen zou met betrekking tot de tot heden afgesloten levensverzekeringen op beleggingsbasis de inhouding van de kosten op het bruto rendement van het beleggingsdeel redelijk zijn geweest tot een maximum van 2,5%. Waar die afslag hoger is geweest, dient de consument te worden gecompenseerd op een wijze als hierna aan te geven. 2. De omstandigheden brengen met zich dat het redelijk en billijk is de onder 1. bedoelde compensatie te matigen, omdat zoals hiervoor overwogen, i.v.m. de medebetrokkenheid van andere contractspartijen en de geschetste ontwikkelingen, niet verzekeraar als enige partij in het geschil op diens verantwoordelijkheid kan worden aangesproken. De eventuele noodzakelijke compensatie dient te geschieden als volgt: 3. Actieve premiebetalende en koopsomverzekeringen die zijn afgesloten voor 1-1-2008 kennen een kostenmaximering over de gehele looptijd. De kostenmaximering houdt in dat het eindkapitaal van een contract minimaal gelijk is aan het kapitaal van een identiek contract waarbij per jaar 3,5% als percentage van de dan aanwezige fondswaarde aan totale kosten in rekening worden gebracht. Identiek contract houdt in gelijke bruto premie, risicopremie (zie 7.), premietermijn en premieverdeelsleutel, maar waarbij alle kostensoorten, dus inclusief TER en andere beleggingsfondskosten, worden vervangen door een jaarlijkse 3,5% heffing over het fonds. Deze aanpak komt overeen met een maximale afslag van 3,5% op het bruto fondsrendement over de gehele duur. (…) 5. Het effect van de kostenmaximering wordt vastgesteld per 1-1-2008. In geval van voortzetting van het contract wordt uiterlijk op de (oorspronkelijke) einddatum verrekend. Het effect van kostenmaximering zal uiterlijk in 2009 aan de polishouder worden gecommuniceerd. 6. De kostenmaximering betreft alle kosten. Premies voor overlijdensrisico, arbeidsongeschiktheid en verzorgingsdekking zijn geen kosten. 7. Voor de premie van de overlijdensrisicodekking geldt dat deze niet hoger hoort te zijn dan bij dezelfde verzekeraar voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening wordt gebracht op het moment van afsluiten van die verzekering, derhalve zulks zonder daar bovenop oneigenlijke opslagen in rekening te brengen. (…)”. 3.6 Artikel 2 van de statuten van de Stichting luidt sinds 23 juni 2009 als volgt: “Doel Artikel 2 De stichting heeft ten doel: a. de belangen te behartigen van bij de stichting geregistreerde belanghebbenden inzake een geschil met AEGON SPAARKAS N.V. (voorheen Spaarbeleg Kas N.V.) te ’s-Gravenhage (voorheen gevestigd te Nieuwegein) dan wel een daarvoor in de plaats komende rechtspersoon of instelling tussen de geregistreerde belanghebbenden en Spaarbeleg, respectievelijk Aegon Spaarkas; b. een geregistreerde belanghebbende is een persoon, die middels invulling en ondertekening van het “Registratieformulier Stichting Koersplandewegkwijt” het bestuur van de stichting gemachtigd heeft hem/haar in volledige vrijheid van handelen te vertegenwoordigen en op te treden in het onderhavige geschil bij overleg over eventuele schikking(en) en/of bij juridische procedures. De machtiging betreft zowel nog lopende KoersPlan-overeenkomsten als reeds geëxpireerde, premie vrijgemaakte en afgekochte KoersPlan-overeenkomsten. c. de stichting streeft naar het verwerven van financiële compensatie voor de geregistreerde belanghebbenden voor de door hen geleden schade; d. de stichting tracht haar doelen te bereiken door middel van overleg, juridische procedures, raadplegen van deskundigen, publicitaire en andere maatschappelijke acties en/of het verrichten van alle legale handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn; e. de kosten van de activiteiten van de stichting worden betaald vanuit bijdragen van geregistreerde belanghebbenden dan wel vanuit op andere wijze verkregen inkomsten.” 4. De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 De bestreden vonnissen zijn gewezen tegen Spaarbeleg Kas N.V. (verder ook te noemen Spaarbeleg). Blijkens de gebezigde aanduidingen in de processtukken is Aegon Spaarkas N.V. de rechtsopvolgster van Spaarbeleg. Nu partijen, ook de Stichting c.s., daarvan zonder meer uitgaan, zal het hof dit ook doen en aannemen dat Aegon Spaarkas N.V. in beide zaken in hoger beroep als partij kan optreden. Waar hieronder gesproken wordt over Aegon wordt daarmee mede Spaarbeleg bedoeld. 4.2 Partijen hebben ieder afzonderlijk hoger beroep ingesteld. In de door de Stichting c.s. aanhangig gemaakte zaak (verder ook te noemen: beroep Stichting) heeft Aegon incidenteel hoger beroep ingesteld, waarbij de inhoud van de memorie grotendeels overeenkomt met de door Aegon ingediende memorie van grieven in de door haar aanhangig gemaakte zaak in hoger beroep. In de door Aegon aanhangig gemaakte zaak (verder ook te noemen: beroep Aegon) heeft de Stichting in haar verweer verwezen naar de memorie van grieven in de door haarzelf aangebrachte zaak en heeft zij voorts gesteld dat de door haar in die zaak aangevoerde grieven als hier herhaald dienen te worden beschouwd en heeft zij geconcludeerd dat het hof met inachtneming van die grieven zal beslissen (hetgeen een incidenteel hoger beroep oplevert, waarop Aegon bij haar onder 2.4 genoemde memorie heeft gereageerd). De stellingen in beide gevoegde zaken zijn, kortom, zo verweven dat het hof de van beide kanten aangevoerde grieven en verweren hieronder gezamenlijk zal behandelen. 4.3 Tegen de tussenvonnissen van 20 februari 2008 en van 6 augustus 2008 zijn door de Stichting c.s. geen grieven aangevoerd, zodat de Stichting c.s. in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. Hetzelfde geldt wat betreft het tussenvonnis van 6 augustus 2008 voor Aegon. 4.4 De zaak betreft zogenaamde KoersPlan-overeenkomsten (verder ook te noemen: het Koersplan dan wel de Koersplanovereenkomsten) die door Spaarbeleg in de jaren 1989 tot en met 1998 zijn afgesloten met een groot aantal deelnemers, onder wie [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4]. Het betreft steeds een spaarkasovereenkomst, waarbij de deelnemers een periodieke inleg betalen. Er vindt vervolgens een spaarstorting plaats die, samen met de spaarstortingen van alle overige deelnemers, in een gezamenlijke spaarkas wordt gestort en belegd. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst (die kan variëren, doorgaans tussen de 12 en 40 jaar) worden de spaarstortingen en het daarop behaalde rendement uitgekeerd aan de deelnemers die dan nog in leven zijn. De nabestaanden van de deelnemers die voortijdig (vóór de afloop van de looptijd van hun overeenkomst) overlijden, hebben geen aanspraak op de kas. Hun storting en het daarop behaalde rendement blijft in de kas achter en wordt op de einddatum verdeeld onder de andere deelnemers (de overlevingswinst). Een overlijdensrisicoverzekering biedt bij voortijdig overlijden van een deelnemer aanspraak op een belastingvrije uitkering van de ingelegde som, vermeerderd met rente. 4.5 Kernvragen in deze zaak zijn of in de contractsdocumentatie van het Koersplan een contractuele grondslag gevonden kan worden voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie op de inleg en zo ja, of tussen Spaarbeleg en de deelnemers van het Koersplan wilsovereenstemming bestond over de hoogte van die premie. Verder ligt de vraag voor of de door Aegon verstrekte informatie op dit punt misleidend was in de zin van artikel 6:194 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ontvankelijkheid collectieve actie 4.6 Op grond van artikel 3:305a lid 1 BW kan een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. 4.7 De rechtbank heeft in het eerste vonnis in de rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.11 geoordeeld dat de Stichting ontvankelijk is in haar vorderingen op grond van artikel 3:305a lid 1 BW. Aegon heeft tegen dit oordeel een grief (I) gericht en heeft daarbij in de eerste plaats aangevoerd dat uit de doelomschrijving in de statuten van de Stichting niet blijkt dat de Stichting de belangen van andere personen behartigt, omdat daarvoor op zijn minst nodig is dat de statuten verwijzen naar specifieke belangen van anderen (grief I.A). Het hof is echter van oordeel dat uit het hiervoor onder 3.5 geciteerde artikel 2 van de statuten van de Stichting, zoals die luidden ten tijde van het instellen van de beroepen, wel degelijk blijkt dat belangen van andere personen worden behartigd, te weten de belangen van bij de Stichting geregistreerde belanghebbenden inzake het geschil met Aegon. Afgezien daarvan begrijpt het hof, evenals de rechtbank, ook uit de doelomschrijving in de eerdere statuten (ook al is dat niet expliciet vermeld) dat de Stichting opkomt voor die personen die stellen schade te hebben geleden door de handelwijze van Aegon bij het aanbieden en uitvoeren van het Koersplan. 4.8 Aegon heeft in de tweede plaats aangevoerd dat de belangen die door de Stichting worden behartigd niet gelijksoortig zijn in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW. De Stichting treedt alleen op voor geregistreerde belanghebbenden, die slechts 1,5% van alle deelnemers van het Koersplan vormen, zodat het procederen via een collectieve actie geen rechtens relevant voordeel biedt boven het procederen op naam of als vertegenwoordiger van de geregistreerde belanghebbenden. Bovendien leent de aard van de door de Stichting ingestelde vorderingen zich niet voor bundeling, nu de individuele situatie van iedere deelnemer aan het Koersplan beoordeeld dient te worden om na te gaan of er sprake is van wilsovereenstemming over de (hoogte van) de overlijdensrisicopremie of van misleiding, aldus Aegon (grief I.B). 4.9 Aan de eis dat de door de Stichting ingestelde vorderingen strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen in de zin van artikel 3:305a BW is voldaan indien de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvorderingen strekken zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. De omstandigheid dat de Stichting niet optreedt voor alle deelnemers van Koersplan, maar slechts voor een deel daarvan, de geregistreerde belanghebbenden, is daarbij niet van belang. De hiervoor weergegeven sub 7, 8 en 9 ingestelde vorderingen van de Stichting vereisen een beoordeling (op basis van de contractsdocumentatie) van de vraag of tussen Aegon en de personen voor wier belangen de Stichting opkomt wilsovereenstemming bestond over (de hoogte van) een overlijdensrisicopremie. De sub 10 ingestelde vordering van de Stichting stelt de vraag aan de orde of de deelnemers op grond van diezelfde contractsdocumentatie zijn misleid in de zin van artikel 6:194 (oud) BW. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt dat zowel de wijze van aanbieden en afsluiten van het Koersplan als de contractsdocumentatie zodanig uniform is voor alle deelnemers aan het Koersplan dat een onderzoek naar de situatie van de individuele deelnemers naar het oordeel van het hof niet nodig is om de gevorderde verklaringen voor recht, die algemeen zijn geformuleerd, te kunnen beoordelen. Daarmee lenen de in het geding zijnde belangen zich voor bundeling en kan de Stichting in haar vorderingen worden ontvangen. De grieven I.A en I.B van Aegon falen. Contractuele grondslag voor inhouden overlijdensrisicopremie? 4.10 De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vraag of er een contractuele grondslag was voor inhouding van de overlijdensrisicopremie onderscheid gemaakt tussen enerzijds de jaren 1989 en 1990 en anderzijds de jaren vanaf 1991 tot en met 1998. De rechtbank heeft geoordeeld dat de in de jaren 1989 en 1990 toepasselijke algemene voorwaarden geen contractuele grondslag boden voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie op de inleg, behoudens in de gevallen waarin een inschrijfformulier werd gebruikt als in het geval van [geïntimeerde sub 4]. Volgens de rechtbank blijkt uit dat inschrijfformulier dat slechts een deel van de inleg werd belegd en kon uit dat formulier ook de hoogte van de overlijdensrisicopremie worden opgemaakt. De vordering van [geïntimeerde sub 4] als individuele eiseres is daarom afgewezen, evenals de door de Stichting gevorderde verklaringen voor recht met betrekking tot 1989 en 1990 (zoals geciteerd in r.o. 2.2 sub 1 van het vonnis van 6 augustus 2008, zakelijk weergegeven dat Spaarbeleg ten onrechte een overlijdensrisicopremie op de inleg in mindering heeft gebracht over de jaren 1989 en 1990). 4.11 Vanaf 1991 zijn de op het Koersplan toepasselijke algemene voorwaarden gewijzigd. Uit de gewijzigde voorwaarden is volgens de rechtbank voor de in de jaren 1991 tot en met 1998 afgesloten Koersplanovereenkomsten af te leiden dat een overlijdensrisicoverzekering deel uitmaakte van het Koersplan en dat de deelnemer voor deze verzekering een premie verschuldigd was, die door Spaarbeleg op de inleg zou worden ingehouden. Tegen deze beslissing is door de Stichting c.s. pas bij gelegenheid van haar schriftelijke inleiding op het pleidooi (in alinea 5.8) een grief ingediend; noch in de memorie van grieven in het door haar aangespannen hoger beroep, noch in de memorie van antwoord in het door Aegon ingestelde hoger beroep valt een bezwaar tegen deze beslissing te ontwaren. De schriftelijke inleiding (door het hof toegestaan om de omvang van het mondeling pleidooi te beperken), maakt onderdeel uit van het pleidooi. 4.12 Met betrekking tot het stadium waarin grieven kunnen worden aangevoerd heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 20 juni 2008, (LJN: BC4959) onder meer het volgende overwogen: “De door de Hoge Raad als juist aanvaarde ruime uitleg van het begrip grief hangt samen met de bepaling van art. 347 lid 1 Rv, dat in hoger beroep slechts een conclusie van eis en een conclusie van antwoord worden genomen, welke regel beoogt het debat in hoger beroep te beperken. Deze regel brengt mee dat de geïntimeerde bij het inrichten van zijn verweer in beginsel ervan mag uitgaan dat de omvang van de rechtsstrijd in appel door de conclusie van eis is vastgelegd en geen rekening ermee hoeft te houden dat zijn verweer tot nieuwe grieven aanleiding kan geven. Daaruit volgt dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan de conclusie van eis, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) de conclusie van antwoord worden aangevoerd. Dit stelsel hangt samen met het feit dat het debat in hoger beroep voortbouwt op hetgeen in eerste aanleg is geschied en in zoverre ten opzichte van de eerste aanleg als voortgezette instantie heeft te gelden. In het belang van de concentratie van het debat en van een spoedige afdoening van het geschil, mag in dit licht van appellant in beginsel worden verlangd dat hij in zijn conclusie van eis (memorie van grieven) aanstonds niet alleen al zijn bezwaren tegen de beslissingen van de lagere rechter aanvoert, maar ook de nieuwe feiten of stellingen naar voren brengt waarop hij zich in appel mede wenst te beroepen. Het vorenstaande betekent mede dat de in art. 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel ook de — ingevolge art. 130 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv — aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis, in hoger beroep beperkt in die zin dat hij in beginsel zijn eis slechts kan veranderen of vermeerderen niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord. Dit geldt ook als de vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijk eiser is gesteld. (…)” 4.13 In zijn arrest van 19 juni 2009 (LJN: BI8771) heeft de Hoge Raad de hiervoor geformuleerde regel herhaald en de volgende verfijning aangebracht: “(…) Op deze “in beginsel strakke regel” kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken of dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden. Voorts kan in het algemeen het aanvoeren van een grief of een verandering of vermeerdering van eis na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de nieuwe grief of de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat — indien dan nog mogelijk — een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe grief of de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. (…)”. 4.14 Aegon heeft zich ter gelegenheid van het mondelinge pleidooi uitdrukkelijk verzet tegen deze nieuwe grief. Nu ook de in het voormelde arrest van 19 juni 2009 genoemde overige uitzonderingen zich niet voordoen, zal het hof geen acht slaan op deze nieuwe grief. Dit betekent dat het hof ervan dient uit te gaan dat wat betreft de Koersplanovereenkomsten waarop de algemene voorwaarden van de jaren 1991 tot en met 1998 van toepassing zijn een contractuele grondslag bestond voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie. 4.15 Met grief II.B heeft Aegon betoogd dat ditzelfde geldt voor de Koersplan-overeenkomsten die zijn gesloten in de jaren 1989 en 1990. Volgens Aegon kon de deelnemer uit het informatiemateriaal dat aan hem ter beschikking werd gesteld afleiden dat Aegon tegen betaling van een (gelijktijdig met de spaarstortingen te betalen) premie gehouden was een uitkering te doen bij zijn overlijden. Aegon heeft daarbij voor het jaar 1989 (in haar memorie van grieven) verwezen naar de brochure van dat jaar, die onder meer luidt als volgt: “(…)Met deze unieke formule wordt uw spaargeld samen met dat van de andere deelnemers in dat jaar belegd in een beleggingspool. Na afloop van de looptijd wordt het opgebouwde vermogen van de beleggingspool verdeeld over de dan nog in leven zijnde deelnemers. Extra rendement dus. Komt u plotseling te overlijden, dan garandeert Spaarbeleg uw nabestaanden een directe, belastingvrije uitkering van de ingelegde som, vermeerderd met 4% rente. Kortom: naast extra rendement ook ingebouwde zekerheid.(…)”. Aegon heeft voorts verwezen naar de algemene voorwaarden 89.01.03, overgelegd door de Stichting c.s. bij de inleidende dagvaarding en gedeeltelijk geciteerd door de rechtbank in r.o. 3.3 van het eerste vonnis en heeft met name de aandacht gevestigd op de artikelen 1 sub b, 6, 7, 8, 18, 19 en 22. Voor het jaar 1990 heeft Aegon verwezen naar dezelfde artikelen, die in de voorwaarden 90.01.03, die in dat jaar van kracht waren, ongewijzigd uit de voorwaarden van 1989 zijn overgenomen en naar de brochure van dat jaar, die onder meer luidt als volgt: “(…)Met deze unieke formule wordt uw spaargeld samen met dat van de andere deelnemers in dat jaar belegd in een beleggingspool. Uiteindelijk wordt het opgebouwde vermogen van de beleggingspool verdeeld over de dan nog in leven zijnde deelnemers. Extra rendement dus. Door de ingebouwde overlijdensrisicodekking garandeert Spaarbeleg in geval van overlijden, een belastingvrije uitkering van de ingelegde som, vermeerderd met 4% rente op rente. Kortom: naast extra rendement ook ingebouwde zekerheid.(…)”. 4.16 De rechtbank heeft in r.o. 5.15 van het eerste vonnis geoordeeld dat de genoemde algemene voorwaarden vóór het tot stand komen van de overeenkomst aan de deelnemers ter hand zijn gesteld en dus deel uitmaken van het Koersplan. Tegen dit oordeel zijn geen (tijdige) grieven gericht; pas bij haar schriftelijke toelichting heeft de Stichting zich tegen dit oordeel verzet. Zoals hiervoor is overwogen, is dit tardief. Daarmee staat in hoger beroep vast dat de algemene voorwaarden deel uitmaken van het Koersplan. 4.17 In de door Aegon opgesomde artikelen van de algemene voorwaarden wordt gesproken over “uitkeringen in geval van overlijden”, “polis”, “verzekering” en “premies”. Artikel 1 van de genoemde voorwaarden luidt onder meer als volgt: “1. In deze voorwaarden wordt verstaan onder: (…) b. spaarbelegovereenkomst: de overeenkomst waaruit voor Spaarbeleg de verplichting ontstaat om: enerzijds de aan de jaarkas ten goede komende spaarstortingen van de inschrijvers in jaarkasverband te beheren en na afloop van de jaarkas bij in leven zijn van de verzekerden het aandeel in de jaarkas uit te keren en anderzijds om in geval van overlijden van de verzekerde vóór een in de polis bepaalde datum, te haren laste één of meer uitkeringen te doen van één of meer vooraf vastgestelde of tijdens de duur der verzekering nader vastgestelde bedragen, op grond van de gelijktijdig afgesloten verzekering (de verzekering); (…)” Artikel 18 van de genoemde voorwaarden luidt onder meer als volgt: “Krachtens de verzekering is Spaarbeleg gehouden tegen betaling van een overeengekomen premie om te haren laste bij overlijden van de verzekerde vóór afloop van de jaarkas aan begunstigde bij overlijden de overeengekomen uitkering(en) te doen.” Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de inhoud van met name deze artikelen, in samenhang gelezen met de rest van de voorwaarden en de hiervoor aangehaalde tekst van de brochures, de contractuele grondslag vormen voor een verplichting van de deelnemer tot betaling van een premie voor een overlijdensrisicoverzekering. Voldoende duidelijk blijkt dat er een verzekering wordt afgesloten teneinde een uitkering bij overlijden mogelijk te maken, hetgeen nodig is omdat de in de jaarkas beheerde spaarstortingen van een vóór het einde van de looptijd overleden deelnemer in de spaarkas blijven om aldus als overlevingswinst aan de overige deelnemers ten goede te komen. 4.18 Daarbij komt dat ook in de Brochure Spaarkassparen en in de Prospectus Spaarkasinschrijvingen uitdrukkelijk wordt gesproken van een overlijdensrisicoverzekering met voormeld doel (het verstrekken van een uitkering bij overlijden terwijl het spaartegoed aan de overlevende deelnemers toevalt), waarvoor een aparte overlijdensrisicopremie is verschuldigd. De Stichting c.s. heeft (in tegenstelling tot haar eerdere betwisting dat alle deelnemers die stukken hebben ontvangen) bij pleidooi in hoger beroep expliciet meegedeeld dat het ervoor gehouden kan worden dat ook de Brochure Spaarkassparen en de Prospectus Spaarkasinschrijvingen deel uitmaken van de contractsdocumentatie. Het hof gaat daarvan dan ook uit. De conclusie luidt dat voor de in de jaren 1989 tot en met 1998 afgesloten Koersplanovereenkomsten een contractuele grondslag bestaat voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie. Hoogte premie overeengekomen? 4.19 De volgende vraag is of de deelnemers aan het Koersplan de hoogte van de premie voor de overlijdensrisicoverzekering uit de contractsdocumentatie konden afleiden en zo nee, wat daarvan de consequentie moet zijn. De rechtbank heeft de eerste vraag wat betreft alle Koersplanovereenkomsten die in de jaren 1989 tot en met 1998 zijn gesloten ontkennend beantwoord (in r.o. 5.18 tot en met 5.20 van het eerste vonnis). Volledigheidshalve overweegt het hof het volgende. De rechtbank heeft aan dit oordeel wat betreft de overeenkomsten die tot stand zijn gekomen in de jaren 1989 en 1990 geen consequenties verbonden. De reden daarvoor was dat de gevorderde verklaring voor recht dat de premies van de overlijdensrisicoverzekering moeten worden bijgesteld (de tweede vordering zoals geciteerd in r.o. 2.2 van het vonnis van 6 augustus 2008) voor de aanvangsjaren 1989 en 1990 naar haar oordeel niet kon worden toegewezen. Voor deze jaren was door de Stichting slechts een vaststelling van de premie op “0” gevorderd en niet een door de rechtbank in redelijkheid vast te stellen percentage (zie r.o. 3.30 van het vonnis van 13 mei 2009, verder ook te noemen: het eindvonnis). Dit laat echter onverlet dat voormelde vraag (naar de kenbaarheid van de hoogte van de premie en de consequenties daarvan) in hoger beroep ook relevant is voor de overeenkomsten gesloten in de jaren 1989 en 1990. De Stichting c.s. komt immers ook op tegen r.o. 3.30 van het eindvonnis en de daarop gebaseerde afwijzing van de gevorderde verklaring voor recht. Hetgeen hierna wordt overwogen omtrent de kenbaarheid van de hoogte van de premie en de consequenties daarvan heeft dus ook betrekking op de Koersplanovereenkomsten die zijn afgesloten in de jaren 1989 en 1990. 4.20 Grief II.C van Aegon richt zich tegen genoemd oordeel van de rechtbank dat de deelnemers aan het Koersplan de hoogte van de premie voor de overlijdensrisicoverzekering niet uit de contractsdocumentatie konden afleiden. Aegon licht deze grief als volgt toe. Het Koersplan biedt de deelnemer tegen betaling van de inleg een belegging in een spaarkas en een verzekerd bedrag bij overlijden. De belegging in de spaarkas biedt aanspraak op een potentieel eindkapitaal. De aankoopbeslissing van de deelnemer zal zijn gebaseerd op enerzijds de prijs (de inleg, die bestaat uit een deel spaarstorting en een deel verzekeringspremie) en anderzijds de potentiële eindopbrengst (na afloop of bij tussentijds overlijden). Over deze elementen kon bij de deelnemer geen misverstand bestaan: de prijs wordt vermeld in de bevestigingsbrief en op het certificaat onder het kopje “inleg”, de brochure bevat de hoogte van de uitkering bij tussentijds overlijden, de historische voorbeeldrendementen en de netto rendementen die de deelnemer, afhankelijk van zijn inleg en het geprognosticeerd rendement mocht verwachten. Aegon stelt dat het voor deelnemers aan het Koersplan niet van belang is waaraan de inleg wordt besteed (aan spaarstortingen, overlijdensrisicopremie of kosten) en dat het dus niet relevant is hoe hoog de overlijdensrisicopremie is, zolang het geprognosticeerde nettorendement maar gehaald wordt. Het hof beoordeelt dit standpunt als volgt. Nu het zo is dat de spaarstorting enerzijds en de overlijdensrisicopremie (en eventueel daarin verborgen kosten anderzijds) communicerende vaten zijn, in die zin dat hoe hoger de premie wordt vastgesteld, hoe lager de spaarstorting is, gaat deze stelling niet op. Naarmate de spaarstorting lager is dan de deelnemer op grond van de contractsdocumentatie mocht verwachten, dient het beleggingsrendement van de spaarkas hoger te zijn om het voorgespiegelde eindkapitaal te halen. Bij een gelijkblijvend rendement haalt een deelnemer met een hoge overlijdensrisicopremie dus een lagere opbrengst dan waarop hij kon rekenen, uitgaande van een lage of gemiddelde hoogte van de premie. De hoogte van de premie vormt daarmee een wezenlijk element van de overeenkomst en de deelnemer heeft recht op juiste informatie daarover. Dat premie meer in het algemeen een wezenlijk element van een verzekering is wordt ook bevestigd in de definitie van het begrip verzekering in artikel 7:925 BW. 4.21 Aegon heeft voorts betoogd dat de wijze van informatievoorziening moet worden gezien in het normenkader dat gold in de jaren 1989 tot 1998, welk kader wezenlijk anders is dan nu. In die jaren werd het beginsel van zogenaamde indirecte transparantie gehanteerd, inhoudende dat verzekeraars aan de verzekeringnemers slechts informatie verstrekken die noodzakelijk is voor een goed begrip van de wezenlijke bestanddelen van de overeenkomst. Dit beginsel is gebaseerd op de Derde Levenrichtlijn (Richtlijn 92/96/EEG van de Raad voor de Europese Gemeenschappen van 10 november 1992, PB EG L 360 van 9 december 1992) en de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1994 (in werking getreden op 1 juli 1994 en verder ook te noemen RIAV 1994) waarmee de Europese richtlijn in Nederland is geïmplementeerd. Aegon verwijst in dit kader ook naar de Code Rendement en Risico, door het Verbond van Verzekeraars is opgesteld en op 1 januari 1997 in werking is getreden. Uit deze regelgeving vloeit volgens Aegon voort dat verzekeraars geen informatie hoefden te verschaffen over de kosten en/of de verzekeringspremie; slechts de totale inleg diende vermeld te worden. De Stichting c.s. heeft gesteld dat uit de tekst van de Derde Levenrichtlijn (artikel 31 jo Bijlage II, sub A, a.7 en a.10), de RIAV 1994 (artikel 2 lid 2) en de Code Rendement en Risico nu juist volgt dat de deelnemer duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk moet worden geïnformeerd over de hoogte van de premie. 4.22 Het hof oordeelt als volgt. In voormelde Bijlage II is bepaald dat aan de verzekeringnemer voor de sluiting van de overeenkomst duidelijke, nauwkeurige en schriftelijke inlichtingen moeten worden verstrekt over (onder andere) de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken (sub A, a.10); in artikel 2 van de RIAV 1994 was bepaald dat een verzekeraar die een overeenkomst van levensverzekering aanbiedt er zorg voor draagt dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis wordt gesteld van (onder andere) de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd. Met de Stichting c.s. leidt het hof uit die bepalingen af dat op de verzekeraar wel degelijk de verplichting rustte de verzekeringnemer vooraf te informeren over de hoogte van de premie. Aegon heeft ook niet toegelicht uit welke bepalingen van Bijlage II zij afleidt dat kon worden volstaan met vermelding van de totale inleg. Ook overigens heeft Aegon, mede in aanmerking genomen het gemotiveerde verweer van de Stichting c.s., onvoldoende aangedragen om haar stelling te onderbouwen dat de toenmalige opvattingen meebrachten dat een verzekeraar geen informatie hoefde te verschaffen over de hoogte van een verzekeringspremie. Dit wordt ook gelogenstraft door de inhoud van de Prospectus Spaarkasinschrijvingen en de Brochure Spaarkassparen, waar door Aegon zelf naar verwezen wordt als bron van informatie voor de deelnemers. Zowel de Prospectus als de Brochure gaat ervan uit dat de verzekeraar aan de deelnemer meedeelt hoe hoog de spaarstorting, de premie en de kosten zijn bij een spaarkasovereenkomst; de Prospectus vermeldt dat de hoogte van de premie wordt weergegeven in het bewijs van inschrijving. In een door de Stichting c.s. overgelegde uitspraak van de Raad van Toezicht Verzekeringen van 13 november 2006 wordt verwezen naar deze passages uit de Prospectus en de Brochure en wordt mede op grond van die passages ter zake een kennelijk met het Koersplan vergelijkbaar product overwogen dat de verzekeraar de goede naam van het verzekeringsbedrijf heeft geschaad door niet aan klager duidelijk te maken welke premie voor de overlijdensrisicodekking verschuldigd was. Ook indien in ogenschouw wordt genomen dat de opvattingen over welke informatie door financiële instellingen aan consumenten moet worden verstrekt over financiële producten (ingrijpend) gewijzigd zijn sinds de jaren 1989-1998, geldt op grond van het hiervoor overwogene dat op Aegon ook toen de verplichting rustte de deelnemers te informeren over de hoogte van de premie. 4.23 Aegon heeft (subsidiair) gesteld dat zij die informatie heeft verstrekt doordat op basis van informatie in het certificaat op eenvoudige wijze kan worden berekend wat de omvang van de spaarstorting is en daarmee wat de omvang van de overlijdensrisicopremie is. De berekening vergt van de deelnemer, volgens de eigen stellingen van Aegon, dat deze informatie op het certificaat (het aantal beleggingseenheden) combineert met informatie uit de algemene voorwaarden (de bepaling van de omvang van een beleggingseenheid die volgt uit de elkaar in de loop der jaren opvolgende artikelen 3). De berekening van de omvang van de spaarstorting omvat zes afzonderlijke stappen en in een groot aantal gevallen is daarvoor een herleidingstabel nodig (alleen indien jaarbetalingen worden gedaan, volgens Aegon in ongeveer 11% van de Koersplan-overeenkomsten, is geen herleidingstabel nodig; in de algemene voorwaarden vanaf 1996 is niet langer gebruik gemaakt van de herleidingstabel). De herleidingstabel is door Aegon niet ter beschikking gesteld bij het aangaan van het contract en de wijze van berekening is in de contractsdocumentatie niet toegelicht. Het hof is van oordeel dat ook van een belegger die zich in de contractsdocumentatie heeft verdiept en die redelijk geïnformeerd en oplettend is, niet verwacht kon worden dat hij deze berekening zonder toelichting zou en kon uitvoeren. Dit betekent dat de stelling van Aegon niet opgaat dat het deel van de inleg dat wordt aangewend als spaarstorting eenvoudig bepaalbaar is en dat daarom evenmin de stelling opgaat dat daaruit door de deelnemers (op eenvoudige wijze) kan worden afgeleid wat de hoogte van de premie is. Aegon heeft de hoogte van de overlijdensrisicopremie daarmee niet (voldoende duidelijk) kenbaar gemaakt aan de deelnemers, zodat niet geoordeeld kan worden dat de eenzijdig door Aegon bepaalde premie met de deelnemers is overeengekomen. 4.24 Dat geldt om de volgende redenen ook voor de partij [geïntimeerde sub 4] en diegenen van de deelnemers die een vergelijkbaar inschrijfformulier als [geïntimeerde sub 4] hebben ingevuld Het inschrijfformulier van [geïntimeerde sub 4] luidt onder meer als volgt: “ Inleg f 626,22 Extra: Verzorgingstarief f……… Premievrijstelling bij invaliditeit f ……… -------------- f 626,22 Waarvan spaarstorting f 554,58 De definitieve premievaststelling geschiedt door het hoofdkantoor.” Het betreft een invulformulier, waarbij de hiervoor weergegeven bedragen handgeschreven zijn. Op de rest van het formulier komt het woord premie of overlijdensrisicoverzekering niet voor. Nu op het formulier niet wordt vermeld dat het verschil tussen de inleg en de spaarstorting wordt veroorzaakt door de inhouding van een overlijdensrisicopremie op de inleg, kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde sub 4] en de andere deelnemers die een dergelijk formulier hebben ingevuld wisten of hadden moeten begrijpen wat de hoogte van de overlijdensrisicopremie was. Op zich is juist dat uit de algemene voorwaarden kan worden opgemaakt dat de inleg bestaat uit spaarstortingen en premies, dat alleen de spaarstortingen ten goede komen aan de spaarkas, en dat de administratie-, beheers- en aankoopkosten ten laste van de spaarstorting c.q. het aandeel in de jaarkas worden gebracht. Mede gezien de verplichting van Aegon om de deelnemers duidelijk en nauwkeurig te informeren omtrent de hoogte van de premie, mag van een gemiddelde deelnemer, ook als die redelijk oplettend en geïnformeerd is, echter niet worden verwacht dat hij de informatie uit het formulier en uit de algemene voorwaarden zo zou combineren dat hem daaruit zonder nadere toelichting duidelijk moest zijn dat het verschil tussen inleg en spaarstorting niet kon zien op de in rekening te brengen kosten, maar op de hoogte van de premie. Dat het cijferkundig geen onredelijke aanname zou zijn om het verschil tussen inleg en spaarstorting op te vatten als kosten die door Aegon in rekening konden worden gebracht, blijkt uit hetgeen de Stichting c.s. bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft voorgerekend (onder 5.6 van de pleitnota). Daarbij merkt het hof nog op dat het tegen het moment van het naar voren brengen van die berekening gerichte bezwaar van Aegon wordt verworpen; anders dan Aegon stelt betreft deze berekening geen nieuwe grief, doch de uitwerking van de (onder meer onder 3.7.11 van de memorie van grieven van de Stichting c.s. verwoorde) grief dat [geïntimeerde sub 4] uit het inschrijfformulier slechts kon concluderen dat op de inleg bedragen aan kosten in mindering zouden worden gebracht. 4.25 Omdat, zoals hiervoor is overwogen, de hoogte van de premie niet in de contractsdocumentatie was opgenomen en evenmin voor de deelnemers voldoende bepaalbaar was, kan niet worden aangenomen dat die deelnemers met de door Aegon gehanteerde hoogte van de premie hebben ingestemd. De conclusie luidt dat aangenomen moet worden dat de hoogte van de overlijdensrisicopremie eenzijdig is bepaald door Aegon en dus niet met de deelnemers is overeengekomen. 4.26 Het verweer van Aegon dat de deelnemers in elk geval sinds 2001 jaarlijks (via het jaaroverzicht) expliciet zijn gewezen op het feit dat premie in rekening werd gebracht en dat zij daarom niet tijdig hebben geprotesteerd in de zin van artikel 6:89 BW gaat niet op. Weliswaar heeft Aegon onbetwist aangevoerd dat alle deelnemers in het Koersplan middels een brief van Spaarbeleg van 28 januari 2001 erop zijn gewezen dat een deel van de inleg wordt aangewend voor een overlijdensrisicopremie, maar uit die brief wordt niet duidelijk hoe hoog die premie is. Daarvoor moet de rekenexercitie worden uitgevoerd als hiervoor beschreven, waarvan aangenomen moet worden dat ook een redelijke oplettende en geïnformeerde deelnemer die niet zonder meer kon en zou uitvoeren. Gelet op de complexe, weinig inzichtelijke structuur van het beleggingsproduct is het redelijkerwijze verklaarbaar dat deelnemers niet onmiddellijk na deze brief bij Spaarbeleg zijn gaan protesteren. De Stichting c.s. heeft onbetwist aangevoerd dat [geïntimeerde sub 2] bij brief van 20 juli 2004 een klacht heeft ingediend bij Spaarbeleg en daarop op 6 augustus 2004 voor het eerst een specificatie ontving van de overlijdensrisicopremie. Gelet op voornoemde omstandigheden en het feit dat is gesteld noch gebleken dat Aegon door het tijdsverloop in een nadeliger positie is komen te verkeren moet worden aangenomen dat [geïntimeerde sub 2] (en daarmee de overige deelnemers waar de Stichting c.s. voor opkomt, waaronder [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 3]) binnen bekwame tijd in de zin van artikel 6:89 BW bij Aegon heeft/hebben geprotesteerd. Invulling van de leemte in de overeenkomst 4.27 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat door het ontbreken van wilsovereenstemming over de hoogte van de premie sprake is van een “leemte” in de overeenkomst, die in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 BW dient te worden ingevuld door het bepalen van een redelijke premie. Conform artikel 3:12 BW dient daarbij rekening gehouden te worden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij deze zaak betrokken zijn. Voorts kan inspiratie worden ontleend aan artikel 7:4 BW, dat ziet op een koopovereenkomst die is gesloten zonder dat de prijs is bepaald. Het Koersplan is opgebouwd uit de volgende elementen: een belegging in een spaarkas, die aan het eind van de looptijd verdeeld wordt onder de overlevenden en een verzekering ter dekking van het overlijdensrisico, waarvoor premie verschuldigd is. De aard van die overeenkomst brengt met zich dat deze elementen niet losgekoppeld kunnen worden en dat niet één van die elementen, de overlijdensrisicopremie, uit het verband van de overeenkomst kan worden gehaald. Nu gedurende de looptijd van het Koersplan een overlijdensrisicoverzekering van kracht is en dekking wordt verleend, is Aegon gerechtigd daarvoor een zekere premie in rekening te brengen. Dat de premie van de overlijdensrisicoverzekering op 0 gesteld zou moeten worden, zoals de Stichting c.s. primair betoogt, is daarom niet in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid die partijen als contractspartners tegenover elkaar in acht dienen te nemen. 4.28 De discussie die in eerste aanleg is gevoerd over de vraag hoe de hoogte van de premie dan wel in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid moet worden bepaald, laat zich als volgt weergeven. In het eerste vonnis heeft de rechtbank partijen onder meer de gelegenheid geboden om zich uit te laten over de mogelijke consequenties van het ontbreken van wilsovereenstemming over de hoogte van de premie. In haar akte van 15 augustus 2007 heeft de Stichting c.s. aangevoerd dat bij het bepalen van een redelijke premie de volgende uitgangspunten dienen te worden gehanteerd: - slechts de netto actuariële kosten voor overlijdensrisicodekking mogen in rekening worden gebracht, gebaseerd op actuele sterftetafels die golden op het tijdstip van totstandkoming van de Koersplanovereenkomsten; - er dient rekening gehouden te worden met de looptijd van de overeenkomst en de leeftijd en het geslacht van de deelnemer; - er dient geen rekening gehouden te worden met een winstopslag of een opslag voor administratiekosten. Op basis van deze uitgangspunten heeft de Stichting c.s. een berekening laten maken door de Amsterdam School of Economics (d.d. 8 juli 2007, overgelegd als productie F bij die akte). Daaruit blijkt dat de hoogte van de kostprijs van de premie sterk afhankelijk is van leeftijd van de deelnemer en de looptijd van de overeenkomst en in mindere mate van het geslacht van de deelnemer, en dat een premie ter hoogte van 17% of 15,3% van de inleg (zoals deze inmiddels bedraagt na de zogenaamde productverbeteringen door Aegon per respectievelijk mei 2005 en 1 januari 2006) onredelijk hoog is voor de meeste deelnemers. Aegon heeft in haar daarop volgende akte van 10 oktober 2007 gesteld dat de in rekening gebrachte premie alleszins redelijk is, omdat het Koersplan ook met deze premiestelling doet wat het belooft. In de brochure waarmee het product onder de aandacht van het publiek is gebracht wordt aan de hand van een tabel getoond welk bedrag een deelnemer netto in handen kan krijgen (verder: getoond eindkapitaal) bij een bepaalde maandelijkse inleg tegen verschillende rendementen die als voorbeeld gebruikt worden (in procenten, bij voorbeeld 10%, 11%, 12%, verder te noemen voorbeeldpercentages). In de brochure worden verder historische (gerealiseerde) rendementen (verder: historische rendementen) getoond aan de hand waarvan de lezer kan beoordelen of de getoonde eindkapitalen haalbaar zijn. Aegon stelt dat de in rekening gebrachte overlijdensrisicopremies, zeker na de productverbetering van 2005, dusdanig zijn dat het product voor iedere deelnemer binnen een acceptabele bandbreedte qua rendement (verder ook te noemen: spread) doet wat in de brochure wordt getoond. Het voor de individuele deelnemers haalbare nettorendement wijkt niet substantieel af van de getoonde eindkapitalen. Aegon verwijst hierbij naar de door haar overgelegde berekeningen (aangeduid als de producties G-29 en G-30). Aegon heeft voorts aangevoerd dat bij de tarifering van verzekeringsproducten de volgende elementen een rol spelen: - sterftegrondslagen en rekenrente; - kostenparameters; - solvabiliteitseisen toezichthouder; - vergoeding kapitaalverschaffer; - opbrengst verzekering en de concurrentie. Voorzover opvulling van de leemte niet zou leiden tot het vaststellen van een premie gelijk aan de na de aanpassing in 2005 in rekening gebrachte premie, zou met deze elementen rekening gehouden moeten worden bij de bepaling van een redelijke rente, aldus Aegon. 4.29 Vervolgens is bij vonnis van 20 februari 2008 een comparitie van partijen bepaald, die heeft plaatsgevonden op 8 april 2008. In het vonnis van 6 augustus 2008 (verder: het derde vonnis) heeft de rechtbank geconstateerd dat beide partijen hun voorkeur hebben uitgesproken voor aanvulling van de overeenkomst door de rechtbank door middel van vaststelling van de hoogte van de premie met inachtneming van de aanvullende eisen van redelijkheid en billijkheid. Tegen deze constatering zijn geen grieven gericht. De rechtbank heeft daarna overwogen dat partijen op essentiële punten met elkaar van mening verschillen over de vraag welke uitgangspunten gehanteerd zouden moeten worden bij de invulling van de leemte. De rechtbank heeft Aegon vervolgens, overeenkomstig hetgeen zij in r.o. 3.11 van het derde vonnis heeft overwogen, in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de getoonde rendementen in vrijwel alle gevallen binnen de spread van de tabel met de in de brochures getoonde voorbeeldkapitalen vallen. 4.30 Bij akte bewijslevering van 3 september 2008 heeft Aegon verschillende stukken overgelegd, waaronder een rapport van [Z], een actuarieel bureau, dat de in de producties G-29 en G-30 opgenomen berekeningen heeft geverifieerd en gecorrigeerd, hetgeen heeft geresulteerd in de producties G-29 nieuw en G-30 nieuw, door Aegon overgelegd als producties G-37 en G-38. Bij antwoordakte van 1 oktober 2008 heeft de Stichting c.s. gereageerd op deze akte en de daarbij overgelegde berekeningen. In haar betoog heeft zij een vergelijking gemaakt tussen de premie die in het Koersplan betaald diende te worden voor een overlijdensrisicoverzekering en de premie voor een aparte overlijdensrisicoverzekering, in 1993 gesloten bij Ohra-levensverzekeringen N.V. op basis van de volgende gegevens: een 25-jarige man, een looptijd van 15 jaar en een overlijdensuitkering van f. 120.000, -. De premie voor die Ohra-verzekering bedraagt blijkens het als productie 6 overgelegde polisblad jaarlijks f. 228,66. Uit de door de Stichting c.s. op basis van die gegevens gemaakte vergelijking van een 25-jarige deelnemer aan Koersplan met een looptijd van 15 jaar enerzijds en de genoemde Ohra-verzekering met (in plaats van de hiervoor genoemde uitkering van f. 120.000,-) een vergelijkbare dekking als die het Koersplan biedt (het totaal aan ingelegde bedragen vermeerderd met 4% rente) anderzijds blijkt dat bij Ohra volstaan kon worden met 1,66% van de gedekte uitkering aan premie terwijl binnen het Koersplan 11,19% werd gerekend. 4.31 Na getuigenverhoren en conclusies na enquête van beide partijen heeft de rechtbank op 13 mei 2009 eindvonnis gewezen. In r.o. 3.17, 3.24 en 3.28 heeft de rechtbank geconstateerd dat Aegon de vergelijking van de Stichting c.s. met de losstaande Ohra-verzekering inhoudelijk niet heeft betwist. In r.o. 3.29 heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat, nu Aegon er voor heeft gekozen geen inzicht te verschaffen in de inrichting van haar product, waardoor de rechtbank geen inzicht heeft gekregen in de door Aegon gerealiseerde marges, de stellingen van de Stichting c.s. aan de hand van de vergelijking met de Ohra-verzekering zullen worden gevolgd. De rechtbank heeft daarom de door de Stichting c.s. gevorderde verklaring voor recht toegewezen, in die zin dat de premies van de overlijdensrisicoverzekering voor de Koersplanovereenkomsten met aanvangsjaren 1991 tot en met 1998 moeten worden bijgesteld met een factor 1,66/11,19. 4.32 De rechtbank heeft in r.o. 3.9 van het eindvonnis de hiervoor onder 3.5 genoemde Aanbeveling (met instemming van partijen) als uitgangspunt genomen voor het bepalen van een redelijke overlijdensrisicopremie voor het Koersplan. Partijen hebben geen van beide (voldoende gemotiveerde) grieven tegen dit uitgangspunt gericht. Aegon lijkt in grief II.F weliswaar een klacht te richten tegen dit uitgangspunt, maar uit de bij die grief behorende toelichting en uit alinea 9.47 van de memorie van grieven in het beroep Aegon blijkt dat Aegon wel van mening is dat de Aanbeveling terecht als uitgangpunt is genomen, maar dat zij slechts klaagt over de wijze waarop de rechtbank dat uitgangspunt heeft uitgelegd en toegepast. Uit de in de Aanbeveling geschetste voorgeschiedenis blijkt dat de Ombudsman Financiële Dienstverlening (verder: de Ombudsman) een breed onderzoek heeft gedaan en overleg heeft gevoerd met zowel vertegenwoordigers van consumentenorganisaties en van verzekeraars als met de Autoriteit Financiële Markten, De Nederlandsche Bank, de Nederlandse Mededingingsautoriteit en het Ministerie van Financiën. Gelet op het voorgaande zal ook het hof bij het invullen van de leemte in de overeenkomst tussen partijen uitgaan van de inhoud van de Aanbeveling en de achterliggende opvattingen die daaruit blijken. 4.33 Partijen verschillen van mening over de uitleg van de Aanbeveling. Met grief II.E komt Aegon op tegen de verwerping door de rechtbank van de wijze waarop volgens Aegon de Aanbeveling moet worden uitgelegd. Aegon heeft het volgende gesteld. De Aanbeveling gaat uit van een maximering van het totaal aan inhoudingen wegens kosten en berekent dit maximum aan het einde van de looptijd van de beleggingsverzekering. De kostenmaximering houdt in dat het eindkapitaal van een overeenkomst minimaal gelijk moet zijn aan het eindkapitaal van een identieke overeenkomst, waarbij de totale kosten jaarlijks niet meer bedragen dan 3,5% van de op dat moment aanwezige fondswaarde. Er worden vervolgens twee berekeningen gemaakt: een berekening van het eindkapitaal op basis van de werkelijke polis, waarbij alle kosten en (risico)premies in rekening worden gebracht en een berekening op basis van een modelpolis, waarbij alle kosten worden vervangen door een jaarlijkse heffing van 3,5% over de (fictieve) fondswaarde. Indien de deelnemer bij de berekening op basis van de modelpolis een hogere eindwaarde krijgt dan bij de berekening op basis van de werkelijke polis, krijgt hij dit verschil op de einddatum gecompenseerd. De Stichting c.s. heeft de op grond van de Aanbeveling te volgen methodiek van compensatie tot zover niet betwist. Aegon heeft echter vervolgens gesteld dat de risicopremie (die op grond van punt 6 van de Aanbeveling niet tot de kosten kan worden gerekend) volgens de Aanbeveling dient te worden genormeerd en dat, indien en voor zover een premie wordt ingehouden die boven die norm zit, de onder 3 voorziene vergelijking tussen werkelijke polis en modelpolis ertoe leidt dat het meerdere valt onder de in het kader van de hiervoor weergegeven berekening te maximaliseren kosten. De Stichting c.s. heeft deze uitleg van de Aanbeveling gemotiveerd betwist. 4.34 Op zichzelf is juist dat toepassing van de in de Aanbeveling onder 3 omschreven vergelijking per saldo ertoe lijkt te leiden dat de verzekeraar naast de (overeenkomstig punt 7) te maximeren overlijdensrisicopremie een jaarlijks bedrag van 3,5% van de aanwezige fondswaarde (ofwel 3,5% van het bruto fondsrendement) uit hoofde van kostendoorberekening mag “behouden”. Volgens de tekst van punt 3 van de Aanbeveling wordt het kapitaal van de werkelijke polis immers vergeleken met het kapitaal van een identiek contract, waarbij alle kostensoorten zijn vervangen door een jaarlijkse heffing van 3,5% over het fonds. Uit (de toelichting op) de Aanbeveling kan echter worden opgemaakt dat de Aanbeveling bij dit alles uitgaat van de vooronderstelling dat de door de verzekeraar gehanteerde kosten hoger zijn dan 3,5 % van de fondswaarde. Gelet op de achtergrond van de Aanbeveling en het daarin tot uitdrukking gebrachte streven om de kosten en de daarvan te onderscheiden overlijdensrisicopremie afzonderlijk te maximeren, acht het hof het een redelijke uitleg dat het in punt 3 van de Aanbeveling genoemde percentage van 3,5% wordt toegepast indien de door de verzekeraar gehanteerde kosten hoger zijn dan de jaarlijkse heffing van 3,5% over de fondswaarde. Bij de Koersplanovereenkomsten is dat niet het geval, zodat het betoog van Aegon dat de kosten mogen worden “opgeplust” naar het niveau van de jaarlijkse heffing van 3,5% over de fondswaarde niet opgaat. Grief II.E gaat dus niet op. 4.35 Vervolgens betoogt Aegon met grief II.F dat de rechtbank heeft veronachtzaamd dat de Aanbeveling niet meer was dan een uitgangspunt voor de vaststelling van de redelijke premie. Aegon heeft in dit kader aangevoerd dat de Aanbeveling een raamwerk beoogde te bieden aan verzekeraars en de belangenbehartigers van hun polishouders om op basis van de specifieke portefeuille van de betreffende verzekeraar invulling te geven aan de beoogde kostenmaximering. Vrijwel alle grote verzekeraars hebben inmiddels invulling gegeven aan (onder andere punt 7 van) de Aanbeveling door hierover bilaterale afspraken te maken met de belangenbehartigers van de polishouders. De verzekeraars die nog geen akkoord hebben gesloten, volgen deze afspraken eveneens. Omdat er, anders dan waar de Aanbeveling van uitgaat, niet zoiets bestaat als een marktconforme (kostenopslag op de) risicopremie, is in de akkoorden de risicopremie waarvan bij de normkostenberekening van de polis zou moeten worden uitgegaan, gestandaardiseerd en is er een “genormeerde premie” voorgeschreven, gelijk aan de kostprijs (d.w.z. een “kale” overlijdensrisicoverzekering), gebruteerd met een vast percentage. Daarbij zijn tevens afspraken gemaakt over de te hanteren objectieve maatstaven, waaronder de te hanteren sterftetafels. Afgesproken is dat uitsluitend de genormeerde bruto risicopremie buiten beschouwing wordt gelaten bij de optelsom van kosten en risicopremie; alle overige kosten en opslagen, ook voor zover deze zijn verdisconteerd in de daadwerkelijk door verzekeraars in rekening gebrachte overlijdensrisicopremie, tellen onverkort mee voor het kostenmaximum. In navolging van vrijwel alle grote verzekeringsmaatschappijen heeft Aegon voormelde afspraken neergelegd in de regeling die zij op 9 juli 2009 getroffen heeft met de Stichting Verliespolis en de Stichting Woekerpolisclaim (verder te noemen: het akkoord met de belangenbehartigers). Daarin is onder meer opgenomen dat bij de zogenaamde normkostenberekening van de polis wordt uitgegaan van een genormeerde risicopremie (de kale risicopremie gebruteerd met 16%), het daarboven als overlijdensrisicopremie in rekening gebrachte telt mee bij de berekening van het kostenmaximum. Dit akkoord komt overeen met regelingen die door andere verzekeraars zijn gesloten naar aanleiding van de Aanbeveling en weerspiegelt de inmiddels bereikte maatschappelijke consensus over een aanpassing van de kostenstructuur van beleggingsverzekeringen. Volgens Aegon heeft ook de Ombudsman ingestemd met dit akkoord (hij heeft bij e-mailbericht van 23 juni 2009 laten weten dat de aangeboden regeling een redelijke en juiste toepassing is van de Aanbeveling en in lijn met de eerder overeengekomen regelingen is. Invulling van de leemte in het Koersplan op dezelfde wijze als in het akkoord met de belangenbehartigers komt daarom overeen met de eisen van redelijkheid en billijkheid aldus Aegon. 4.36 Afgezien van de vraag of de door Aegon gestelde maatschappelijke consensus is bereikt (hetgeen door de Stichting c.s. gemotiveerd wordt betwist) en of deze consensus tot uitdrukking is gebracht in het akkoord met de belangenbehartigers, geldt dat dit akkoord een compromis betreft dat mede is gebaseerd op de door Aegon voorgestane, maar hiervoor onder 4.34 verworpen, uitleg van de Aanbeveling, welk compromis uitdrukkelijk door de Stichting c.s. van de hand is gewezen. Ook de Ombudsman gaat ervan uit dat de regelingen een compromisgehalte hebben. Nog daargelaten de door de Stichting c.s. gemaakte opmerkingen over de vraagstelling die heeft geleid tot het namens de Ombudsman geschreven e-mailbericht van 23 juni 2009 geldt dat dit e-mailbericht in het licht van het hiervoor overwogene onvoldoende gewicht in de schaal legt om de akkoorden met de belangenbehartigers leidraad te laten zijn in het onderhavige geschil tussen Aegon en degenen die het akkoord niet omarmd hebben. Invulling van de leemte in het Koersplan op die basis acht het hof daarom niet in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid. 4.37 Vervolgens heeft Aegon een grief gericht (op blz. 85 van haar memorie van grieven) tegen de beslissing van de rechtbank, gebaseerd op de vergelijking met de Ohra-verzekering, dat de premies van de overlijdensrisicoverzekering voor de Koersplanovereenkomsten met aanvangsjaren 1991 tot en met 1998 moeten worden bijgesteld met een factor 1,66/11,19. In de eerste plaats heeft zij aangevoerd dat de Stichting c.s. deze stellingen heeft ingenomen in het kader van het debat over de andere grondslag van haar vordering, misleiding, en dat Aegon daarom overvallen werd door het feit dat de rechtbank deze stellingen plotseling als uitgangspunt nam voor de vaststelling van een redelijk premieniveau. Wat hier ook van zij, deze grief mist belang omdat Aegon (in elk geval) in hoger beroep de gelegenheid had deze stellingen inhoudelijk te betwisten en om zelf concreet te maken hoe hoog een redelijke premie bij het Koersplan dan wel had moeten zijn. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over het tussen partijen geldende uitgangspunt lag het voor de hand dat Aegon daarvoor punt 7 van de Aanbeveling als uitgangspunt zou nemen (“de premie die bij dezelfde verzekeraar voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening wordt gebracht op het moment van afsluiten van die verzekering”) en zou aangeven welke premie bij Aegon zelf (of bij andere verzekeraars) voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening werd gebracht. Aegon heeft dit echter ook in hoger beroep nagelaten en heeft de stelling van de Stichting c.s. omtrent de vergelijking met de Ohra-verzekering niet inhoudelijk betwist, maar alleen “bij gebrek aan wetenschap”. Aegon heeft vervolgens betoogd dat het bijstellen van de premie met factor 1,66/11,19 desastreus uitpakt omdat Aegon wordt gedwongen om bij 85% van de Koersplanovereenkomsten een premie in rekening te brengen die lager ligt dan de actuariële kostprijs. Het feit dat in dit specifieke geval, met inachtneming van de in dit specifieke geval geboden dekking, sprake was van een premie van 1,66% zegt niets over de verhouding tussen premies bij andersoortige dekkingen, aldus Aegon. Voor zover de rechtbank heeft willen vergelijken met een marktconforme premie, doet dit geen recht aan de maatschappelijke realiteit. Doordat verzekeraars verschillende tariefstructuren hanteren en de kosten verschillend alloceren is iedere vergelijking met een premie die door een derde verzekeraar in rekening wordt gebracht willekeurig. 4.38 De (kennelijk) bewuste keuze van Aegon om geen vergelijking te maken met de premie die voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening wordt gebracht keert zich tegen haar. Indien de Aanbeveling van de Ombudsman immers tot uitgangspunt wordt genomen, waar ook Aegon zich mee verenigd heeft, dient deze vergelijking wel te worden gemaakt. Nu de Ombudsman kennelijk van oordeel was, op basis van onderzoek en consultatie, dat wel degelijk een vergelijking kon worden gemaakt zoals weergegeven in punt 7 van de Aanbeveling, ook al hanteren verzekeraars verschillende premies in een concurrerende markt, gaat het hof er ook vanuit dat dit mogelijk is. Daarbij komt dat uit hetgeen Aegon heeft gesteld, zoals hiervoor aangehaald, over de inhoud van het akkoord met de belangenbehartigers (meer in het bijzonder de afspraken over een genormeerde premie gelijk aan de kostprijs, gebruteerd met een vast percentage) en over objectieve maatstaven (zoals te hanteren sterftetafels) valt af te leiden dat het wel degelijk mogelijk is per leeftijdscategorie de prijs van een “kale”overlijdensrisicoverzekering vast te stellen. Nu Aegon echter het voor de vergelijking benodigde vergelijkingsmateriaal niet heeft geleverd, terwijl dit wel op haar weg had gelegen, heeft zij daarmee de stellingen van de Stichting c.s. onvoldoende betwist. Of het zo is dat bij het aanpassen van de premie in het Koersplan met een factor 1,66/11,19 de premie in het merendeel van de gevallen lager uitkomt dan de actuariële kostprijs kan het hof niet nagaan, bij gebreke van onderbouwing van die stelling door Aegon. Er bestaat geen aanleiding Aegon alsnog in de gelegenheid te stellen nadere informatie in het geding te brengen over de productinrichting en de kostenstructuur van het Koersplan, zoals zij heeft aangeboden in haar memorie van antwoord in incidenteel beroep; Aegon heeft hiervoor in elk geval in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad. Aangezien Aegon niet heeft voldaan aan haar stelplicht, komt het hof niet toe aan bewijslevering op dit punt. 4.39 De Stichting c.s. heeft vervolgens gesteld dat niet van een factor 1,66/11,19 dient te worden uitgegaan, omdat in de Ohra-premie van 1,66%, die als vergelijkingsmateriaal gebruikt is, ook kosten verdisconteerd zijn. Op dit punt heeft de Stichting c.s. een grief tegen het eindvonnis van de rechtbank gericht; zij stelt dat uitgegaan moet worden van een “zuivere” premie (een premie exclusief (oneigenlijke) toeslagen) van 0.9%. In punt 7 van de Aanbeveling is echter bepaald dat vergeleken moet worden met “een premie die bij dezelfde verzekeraar voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening wordt gebracht op het moment van afsluiten van die verzekering”. Het hof begrijpt daaruit dat bij de premie die bij die vergelijking in aanmerking dient te worden genomen (te weten een marktconforme premie voor een zelfstandige overlijdensrisicoverzekering waarin gewoonlijk kosten en marge zullen zijn begrepen als “eigenlijke opslagen”) vervolgens niet nog eens “oneigenlijke opslagen” opgeteld moeten worden. Dat van de premie die als vergelijkingsmateriaal gebruikt wordt alleen de netto kostprijs in aanmerking genomen moet worden volgt dus niet uit de tekst van de Aanbeveling. Deze grief van de Stichting c.s. zal dan ook als onvoldoende gemotiveerd worden verworpen. 4.40 Aegon heeft nog aangevoerd dat de waarde van het Koersplan niet wijzigt door de premie met terugwerkende kracht te herberekenen, omdat vastligt welk deel van de inleg als spaarstorting wordt aangewend. Hiervoor is overwogen dat niet uit de overeenkomst, ook niet gelezen in combinatie met de algemene voorwaarden, kan worden opgemaakt wat de omvang van de spaarstorting is; dit verweer gaat daarom niet op. Nu het hier gaat om het invullen van de leemte in de overeenkomst tussen partijen gaat de redenering van Aegon dat de vordering van de Stichting c.s. een vordering van nakoming betreft die inmiddels verjaard is evenmin op, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen in r.o. 3.33 van het eindvonnis. 4.41 Aegon heeft in eerste aanleg gesteld dat de bij het Koersplan in rekening gebrachte overlijdensrisicopremies, zeker na de productverbetering van 2005, dusdanig zijn dat het product voor iedere deelnemer binnen een acceptabele bandbreedte qua rendement doet wat in de brochure getoond wordt, zodat de premie op het huidige niveau gehandhaafd kan worden en aanpassing niet nodig is. Dit betoog is in hoger beroep door Aegon herhaald maar meer in het kader van een verweer tegen het verwijt van misleiding, zo lijkt te volgen uit de rangschikking van hoofdstuk 10 in de memorie van grieven en de betiteling van dit hoofdstuk. Het hof zal daarom hierna op dit betoog ingaan bij de behandeling van de gestelde misleiding. 4.42 De conclusie luidt dat de grieven die zijn aangevoerd tegen de wijze waarop de rechtbank de leemte in de overeenkomst heeft ingevuld falen. De consequenties hiervan voor de vorderingen zoals de Stichting c.s. die in hoger beroep heeft ingesteld zullen hierna onder “Slotsom” worden behandeld. Misleiding 4.43 De Stichting c.s. heeft in het door haar ingestelde hoger beroep onder 10 gevorderd als volgt: “dat het hof zal verklaren voor recht dat Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding door bij de maatmanberekeningen te verzwijgen dat de in te houden overlijdensrisicopremie (substantieel) hoger kon zijn dan waarvan bij de maatmanberekening is uitgegaan, alsmede te verzwijgen dat dit van invloed was op de hoogte van het te behalen rendement voor zover de herberekening als bedoeld in de onder 2), 5) en 8) geformuleerde vorderingen als uitkomst kent dat de overlijdensrisicopremie op een lager bedrag wordt bepaald dan de premie waarvan in de maatmanberekeningen voor de betrokken deelnemer is uitgegaan.” In r.o. 3.38 van het eindvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de gevorderde verklaring voor recht een voorwaarde bevatte, waaraan niet was voldaan. De Stichting c.s. heeft deze voorwaarde in hoger beroep anders geformuleerd, zoals blijkt uit het hiervoor cursief weergegeven deel van het citaat. Gelet op het hiervoor overwogene, zal deze voorwaarde voor een substantieel deel van de deelnemers van Koersplan of de bij de Stichting geregistreerde belanghebbenden opgaan, zodat de vordering in het kader van deze collectieve actie behandeld kan worden. 4.44 Artikel 6:194 BW, zoals dat luidde vóór 15 oktober 2008 (verder: art. 6:194 (oud) BW) bepaalt dat een aanbieder van goederen of diensten die door hem in de uitoefening van een bedrijf worden aangeboden onrechtmatig handelt wanneer hij een mededeling openbaar maakt en deze mededeling in één of meerdere opzichten misleidend is. Op 15 oktober 2008 is dit artikel gewijzigd in die zin dat het nog slechts van toepassing is op transacties tussen handelaren onderling en niet op een transactie tussen één handelaar en (een grote groep) consumenten. Het hof gaat er vanuit dat op dat tijdstip in deze zaak reeds was voldaan aan alle vereisten voor mogelijke aansprakelijkheid van Aegon, zodat art. 6:194 (oud) BW in deze zaak van toepassing is. 4.45 Bij de beantwoording van de vraag of een prospectus misleidend is in de zin van artikel 6:194 (oud) BW moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger tot wie de mededeling zich richt of die zij bereikt (aldus de Hoge Raad in het arrest van 27 november 2009, LJN: BH2162). Van deze “maatman-belegger” mag worden verwacht dat hij bereid is zich in de aangeboden informatie te verdiepen, maar niet dat hij beschikt over specialistische of bijzondere kennis en ervaring. Van misleiding zal met name sprake kunnen zijn indien de mededeling onjuist of onvolledig is. De feitelijke vaststelling dat sprake is van een onjuiste of onvolledige mededeling brengt echter nog niet mee dat deze ook misleidend is. Daartoe is nodig dat de mededeling de beleggers (in de woorden van artikel 2 lid 2 van de achterliggende Europese richtlijn, 84/450/EEG) “misleidt of kan misleiden en door haar misleidende karakter hun economische gedrag kan beïnvloeden”. Bij de beoordeling of dit het geval is moet worden uitgegaan van de hiervoor bedoelde maatman-belegger. Een onjuiste of onvolledige mededeling kan pas als misleidend worden gekwalificeerd, indien redelijkerwijs aannemelijk is dat de mededeling, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang is voor de beleggingsbeslissing van de maatman-belegger. In dat geval is immers aannemelijk dat de onjuistheid of onvolledigheid redelijkerwijs het economisch gedrag van de maatman-belegger kan beïnvloeden. Voor de kwalificatie van de mededeling als misleidend is niet vereist dat de belegger daadwerkelijk heeft kennisgenomen van of daadwerkelijk is beïnvloed door de mededeling, maar slechts dat de onjuistheid of onvolledigheid van de mededeling van voldoende materieel belang is om de maatman-belegger te kunnen misleiden. Het gaat er dus om of de mededeling op zichzelf genomen een misleidend karakter heeft. Is dat het geval dan handelt degene die de mededeling doet en openbaar maakt onrechtmatig. Pas in het kader van de vaststelling van de omvang van de aansprakelijkheid jegens een individuele belegger komt aan de orde of en, zo ja, in hoeverre deze bij zijn beleggingsbeslissing daadwerkelijk door de misleidende mededeling is beïnvloed en als gevolg daarvan benadeeld. 4.46 Tegen deze achtergrond oordeelt het hof als volgt. De Stichting c.s. heeft als drie meest in het oog springende punten van misleiding genoemd: a. het niet informeren door Aegon van de deelnemers aan het Koersplan over de hoogte van de overlijdensrisicopremie; b. het presenteren van gelijke eindkapitalen voor alle deelnemers van het Koersplan, terwijl er door de per deelnemer variërende hoogte van de overlijdensrisicopremie grote verschillen bestonden tussen de voor iedere deelnemer bereikbare eindkapitalen; c. het voorspiegelen van onjuiste eindkapitalen als gevolg van een evidente rekenfout. Dat Aegon de deelnemers aan het Koersplan niet heeft geïnformeerd over de hoogte van de voor hen geldende overlijdensrisicopremie is hiervoor reeds vastgesteld. Ook staat vast dat in de brochure en het certificaat eindkapitalen worden genoemd, die zijn gebaseerd op een maatman-berekening. Aegon stelt echter dat de op deze wijze berekende eindkapitalen niet substantieel afwijken van hetgeen een deelnemer op grond van zijn individuele situatie mocht verwachten. In dat verband betoogt zij dat de bij het Koersplan in rekening gebrachte overlijdensrisicopremies, zeker na de productverbetering van 2005, dusdanig zijn dat het product voor iedere deelnemer binnen een acceptabele bandbreedte qua rendement doet wat in de brochure getoond wordt, zodat de premie op het huidige niveau gehandhaafd kan worden en aanpassing niet nodig is. Het voor de individuele deelnemers haalbare nettorendement wijkt niet substantieel af van de getoonde eindkapitalen, aldus Aegon. 4.47 De Stichting c.s. heeft aangevoerd dat de redenering van Aegon alleen daarom al niet opgaat omdat de getoonde eindkapitalen niet meer zijn dan een weergave van de mogelijke eindkapitalen bij diverse rendementspercentages. Van belang is echter slechts het werkelijk realiseerbare eindkapitaal, dat wordt bepaald door de hoogte van de inleg enerzijds en de beleggingsresultaten anderzijds. In de brochure en het certificaat worden door Aegon eindkapitalen genoemd, gebaseerd op bepaalde rendementspercentages en uitgaande van de inleg die op het certificaat genoemd werd. Daarbij wordt echter geen rekening gehouden met het feit dat van de inleg nog de premie overlijdensrisicoverzekering moet worden afgetrokken; het genoemde eindkapitaal gaat uit van een premie van 0% en is dus feitelijk niet realiseerbaar. De Stichting c.s. heeft dit betoog toegelicht door te verwijzen naar een interne prognose van Aegon van een eindkapitaal in een individueel geval (overgelegd door Aegon als productie G-23 bij conclusie van dupliek) waarbij wel rekening gehouden werd met inhouding van de premie, waardoor de geprognosticeerde eindkapitalen lager uitkwamen. Bij een inleg van f. 50,- per maand gedurende 15 jaar met een verwacht rendement van 12% komt het eindkapitaal f. 3.600,- lager uit dan het kapitaal dat in de brochure van het jaar 1990 vermeld staat, aldus de Stichting c.s. 4.48 Het hof oordeelt als volgt. Aegon heeft niet betwist dat het (realiseerbare) eindkapitaal in dit voorbeeld lager uitkomt dan het getoonde eindkapitaal. Aegon voert slechts als verweer dat de interne berekening wijst op een individuele deelnemer, terwijl in de brochures wordt gerekend met een maatman, waarbij Aegon “nergens de indruk heeft gewekt dat in het informatiemateriaal sprake was van een geïndividualiseerd rendement”. Aegon heeft in dit kader onder meer aangevoerd dat aan de deelnemers middels de brochures voldoende duidelijk is gemaakt dat daarin de nettorendementen (inhoudende rendementen van de spaarstortingen, na aftrek van kosten) zijn weergegeven; boven de tabel met getoonde eindkapitalen staat immers dat het gaat om “Belastingvrij uit te keren vermogen” dat de deelnemers “netto (dus na aftrek van alle kosten)” zullen ontvangen. Dat neemt echter niet weg dat in de toelichting boven die tabel wordt vooropgesteld: “Stel, u legt gedurende 15 jaar een bedrag van 100 gulden per maand in”, terwijl in de certificaten met “maandelijkse inleg” wordt gedoeld op het totale bedrag dat de deelnemers maandelijks dienen te betalen (dus premie en spaarstorting). In de brochures is niet (voldoende) duidelijk gemaakt dat aldaar, in afwijking van hetgeen elders onder inleg werd verstaan, slechts werd gedoeld op een spaarstorting van f. 100,- per maand. De gemiddelde lezer zal er dan ook van zijn uitgegaan dat de rendementen die werden voorgespiegeld behoorden bij een totale maandelijkse inleg van f. 100,-. Afgezien van de vraag of de deelnemers van het Koersplan op deze wijze goed zijn voorgelicht, geldt dat de stelling van de Stichting c.s. dat het getoonde eindkapitaal met de genoemde voorbeeldpercentages niet realiseerbaar was daarmee niet (voldoende gemotiveerd) wordt betwist. 4.49 Dat doet Aegon ook niet door te verwijzen naar de zogenaamde spread of bandbreedte. Aegon heeft een vergelijking gemaakt tussen de historische rendementen die worden genoemd in de brochure en de rendementen zoals die volgens de producties G-29 nieuw en G-30 nieuw (de door [Z] gecorrigeerde berekeningen) zouden gelden wanneer deze waren berekend op basis van de geïndividualiseerde situatie van een deelnemer. Zoals de Stichting c.s. terecht heeft betoogd, zegt dit echter weinig, omdat de functie van de spread in de brochure niet anders kan worden uitgelegd dan dat deze was bedoeld om potentiële deelnemers te tonen welke kapitalen bereikt konden worden bij verschillende beleggingsrendementen en looptijden, terwijl het gaat om het eindkapitaal dat met deze geïndividualiseerde rendementen behaald kan worden. Ter voorbeeld kan dienen het feit dat in de brochure 1989 voor een Koersplanovereenkomst met een looptijd van 12 jaar een historisch rendement over het jaar 1983 is gepresenteerd van 15,9%. Uit de door Aegon als G-29 nieuw overgelegde tabel valt af te leiden dat in 1983 bij een overeenkomst met een looptijd van 12 jaar hooguit (door deelnemers onder de 8 jaar oud) een rendement van 15,7% behaald kon worden. Dat het voorgespiegelde rendement over het jaar 1983 wel kon worden behaald met overeenkomsten met een looptijd van 20 dan wel 25 jaar (waardoor het rendement van 15,9% wel in de spread van 13,2% tot 16,0% valt) doet er niet aan af dat het in de brochure voorgespiegelde historisch rendement, ook in de visie van Aegon, niet realiseerbaar was. Ook na de door Aegon doorgevoerde productverbetering kon, zoals blijkt uit productie G-30 nieuw, bij overeenkomsten met een looptijd van 12 jaar in het jaar 1983 (door geen enkele maatman) een rendement van 15,9% worden behaald. In haar memorie van antwoord in het beroep Aegon heeft de Stichting c.s. (in navolging van het door haar reeds bij dagvaarding en bij antwoordakte van 1 oktober 2008 gestelde) voorts nog gewezen op het feit dat in de certificaten van de deelnemers [X] en [Y] (overgelegd als productie 14 bij de inleidende dagvaarding), die beiden in 1992 een Koersplanovereenkomst met een looptijd van 15 jaar zijn aangegaan, telkens is opgenomen “Inleg per maand: f. 100,-” en “Indicatie bij een gemiddeld rendement op de inleg: 10% f. 40.200,- (…)”, zulks terwijl de premie die [X] (destijds [leeftijd]) betaalde 12,47% van de inleg bedroeg, en de premie van [Y] (destijds [leeftijd]) 29,94% van de inleg bedroeg. Daardoor is van iedere f. 100,- van [X] een bedrag van f. 87,53 belegd, terwijl dat voor iedere f. 100,- van [Y] slechts f. 70,06 was. Dientengevolge was het door [X] (die – daar zijn partijen het over eens – min of meer gelijk te stellen was aan de in de brochure van 1992 gebruikte maatman) te bereiken eindkapitaal 25% (87,53/70,06 – 1) hoger, dan het door [Y] te bereiken eindkapitaal. Aldus kunnen de verschillen in te realiseren eindkapitaal wel degelijk aanzienlijk zijn. Aegon heeft ook voormelde berekening ten aanzien van het verschil in premie en het daaruit voortvloeiende verschil in te bereiken eindkapitaal voor [X] en [Y] niet (gemotiveerd) betwist. 4.50 Daarbij komt dat Aegon heeft erkend dat in de brochures 1989 tot en met 1994 voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 is uitgegaan van een beleggingsrendement over een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden. Zij stelt echter dat hier sprake is van een onvolkomenheid met een beperkt effect waardoor het historische rendement in 1989 1,3% te hoog is voorgespiegeld, in 1990 1,1% en dan aflopend tot 0,2% in 1994. Dit is door Aegon gecorrigeerd door bij de berekende nettorendementen in de producties G-29 en G-30 voor de jaren 1983 tot en met 1989 1,1% op te tellen; deze correctie van 1,1% is vervolgens ook in het rapport [Z] (en de tabellen G-29 nieuw en G-30 nieuw) doorgevoerd (zie blz. 16 en 17 van genoemd rapport). Daarmee staat vast dat die tabellen over de jaren 1983 tot en met 1989 te hoge rendementen voorspiegelen, waarmee het verschil in het hiervoor gegeven voorbeeld tussen het gepresenteerde historisch rendement en het werkelijk haalbare rendement over die jaren (als berekend in G-29 en G-30 (oud en nieuw)) nog groter is. 4.51 Gelet op het hiervoor overwogene, waarbij nog komt dat de Stichting c.s. in de antwoordakte bewijslevering van 1 oktober 2008 (in de alinea’s 3.1 tot en met 3.53) uitgebreid gemotiveerd heeft betoogd dat de gevolgen van voormelde fout aanzienlijk zijn en vooral bij lange looptijden tot substantiële verschillen in het te bereiken eindkapitaal leiden, heeft Aegon haar stelling dat het voor individuele deelnemers haalbare eindkapitaal niet substantieel afwijkt van de in de brochure en het certificaat getoonde eindkapitalen onvoldoende onderbouwd. De grief met deze inhoud wordt daarom gepasseerd. 4.52 Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de door Aegon gegeven informatie in de contractsdocumentatie in elk geval op de door de Stichting c.s. hiervoor genoemde drie punten onvolledig en onjuist was. Voorts is het hof van oordeel, op grond van de voorgaande overwegingen, dat deze informatie gelezen in de context van de brochure en de overige contractsdocumentatie van materieel belang was voor de beleggingsbeslissing van de door de Hoge Raad aangeduide maatman-belegger en dus van voldoende materieel belang om die maatman-belegger te kunnen misleiden. 4.53 De op dit punt door de Stichting c.s. aangevoerde grief gaat op en de sub 10 gevorderde verklaring voor recht ligt voor toewijzing gereed, zoals hierna nog zal worden overwogen. Buitengerechtelijke kosten 4.54 De rechtbank heeft in r.o. 3.39 van het eindvonnis de vordering van de Stichting c.s. ter zake buitengerechtelijke kosten afgewezen, aangezien de Stichting c.s., ondanks betwisting door Aegon, niet had onderbouwd dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten. De hiertegen gerichte grief klaagt slechts dat dit ten onrechte is en geeft niet aan waarom dat zo is. Deze grief faalt daarmee. Subsidiair vordert de Stichting c.s. op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW een vergoeding van de kosten die zij heeft besteed aan door Capital Consult uitgevoerde werkzaamheden, onder meer voor het opmaken van diverse rapporten en het bijwonen van een bespreking door [Q] van dat bureau. De Stichting c.s. stelt dat zij deze rapporten heeft moeten laten opmaken om inzicht te krijgen in de methodiek van het Koersplan en in de omvang van de geleden schade. Mede op basis van deze rapporten zijn besprekingen gevoerd met Aegon om tot een oplossing van het geschil te kunnen komen. De totale kosten van de werkzaamheden van Capital Consult bedragen € 75.365, - exclusief BTW. 4.55 Artikel 6:96 lid 2 sub b BW biedt geen zelfstandige grondslag voor de vergoeding van de door de Stichting c.s. gevorderde kosten, maar geldt alleen indien een schadevergoedingsverplichting is vastgesteld. Aangezien de vorderingen van de Stichting c.s. niet de vaststelling van een schadevergoedingsverplichting omvatten, kan deze post in deze procedure niet worden beoordeeld. 5. Slotsom 5.1 Uit het voorgaande blijkt dat de vorderingen in hoger beroep van [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3], de Stichting en van al deze partijen gezamenlijk, zullen worden toegewezen zoals hierna te melden en dat de vorderingen van Aegon in hoger beroep zullen worden afgewezen. Daargelaten of [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] hun individuele vorderingen in eerste aanleg hebben ingetrokken (zoals de rechtbank heeft overwogen in het eindvonnis in rechtsoverweging 2.3, waartegen zij grieven hebben gericht) geldt dat zij deze vorderingen in elk geval in hoger beroep (weer) hebben ingesteld dan wel gehandhaafd. Aangezien om die reden het dictum van het arrest anders zal luiden dan hetgeen de rechtbank heeft toegewezen zal omwille van de duidelijkheid van dat dictum, een geheel nieuw dictum worden geformuleerd. Dit betekent dat de bestreden vonnissen in hun geheel zullen worden vernietigd. 5.2 [geïntimeerde sub 4] heeft in het petitum sub 1 verzocht voor recht te verklaren dat ten aanzien van de Koersplanovereenkomst geen wilsovereenstemming tussen Aegon en haar bestond ten aanzien van het in rekening brengen van een premie voor een overlijdensrisicoverzekering dan wel dat deze wilsovereenstemming niet bestond ten aanzien van de hoogte van die premie. In het petitum sub 2 heeft [geïntimeerde sub 4] verzocht voor recht te verklaren dat de poliswaarde van het Koersplan moet worden herberekend en in het petitum sub 3 heeft zij gevorderd dat Aegon wordt veroordeeld de Koersplanovereenkomsten in overeenstemming daarmee na te komen. Zoals uit het voorgaande blijkt zal de vordering sub 1 worden toegewezen in die zin dat voor recht zal worden verklaard dat geen wilsovereenstemming bestond ten aanzien van Aegon en [geïntimeerde sub 4] ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering. De vordering sub 2 subsidiair zal worden toegewezen in die zin dat zal worden verklaard voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomst tussen Aegon en [geïntimeerde sub 4] moet worden herberekend in die zin dat de door Aegon in rekening gebrachte premie wordt vervangen door een premie waarbij de door Aegon in rekening gebrachte premie wordt vermenigvuldigd met een factor 1,66/11,19. Aegon zal worden veroordeeld de Koersplanovereenkomst met [geïntimeerde sub 4] overeenkomstig de sub 2 toegewezen verklaring voor recht na te komen. 5.3 De vorderingen sub 4, 5 en 6 ten aanzien van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] zullen op dezelfde wijze worden toegewezen. Datzelfde geldt voor de door de Stichting bij wege van collectieve actie ingestelde vorderingen 7, 8 en 9, waarbij geldt dat de Stichting, zo begrijpt het hof, subsidiair (voorzover de premie niet op 0 gesteld wordt) bekrachtiging wenst van de uitspraak ten aanzien van de Koersplanovereenkomsten die zijn aangevangen in de jaren 1991 tot en met 1998. Gelet op de algehele vernietiging van de bestreden vonnissen (omwille van de duidelijkheid van het dictum) zullen deze vorderingen worden toegewezen voor de aanvangsjaren 1989 tot en met 1998. Vordering sub 9 zal worden toegewezen zoals hierna te melden. 5.4 Uit het hiervoor onder overwogene blijkt dat de vordering sub 10 ten aanzien van [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en de Stichting zal worden toegewezen. De beperking van de verklaring voor recht door de in de tekst opgenomen voorwaarde zal niet worden overgenomen. Volstaan zal worden met de constatering dat van misleiding sprake is; de gevolgen van deze constatering vallen buiten de reikwijdte van dit geschil. 5.5 Uit het hiervoor overwogene blijkt voorts dat de vordering sub 11 ter zake buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. 5.6 Ten slotte zal Aegon als de zowel in eerste aanleg als in hoger beroep grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van beide instanties worden veroordeeld. Wat betreft het hoger beroep zal, mede gelet op het onder 4.2 weergegeven uitgangspunt, worden volstaan met één kostenveroordeling voor het principaal en het incidenteel hoger beroep in beide zaken, met dien verstande dat aan de Stichting c.s. in beide zaken griffierecht in rekening is gebracht, dat door Aegon dient te worden vergoed. 5.7 In r.o. 3.36 van het eindvonnis heeft de rechtbank de bezwaren van Aegon tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis gehonoreerd. De Stichting c.s. heeft weliswaar in hoger beroep opnieuw uitvoerbaar bij voorraadverklaring gevorderd, maar heeft niet toegelicht waarom haar belang daarbij zwaarder zou moeten wegen dan het door Aegon aangevoerde restitutierisico, dat gelet op het collectieve karakter van de vorderingen aanzienlijk kan zijn. De veroordelingen zullen dus niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. 6. De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: in de zaak met zaaknummer 200.047.090 en in de zaak met zaaknummer 200.043.825 6.1 verklaart de Stichting c.s. niet-ontvankelijk in het hoger beroep van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Utrecht van 20 februari 2008 en 6 augustus 2008; 6.2 verklaart Aegon niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 6 augustus 2008; 6.3 vernietigt de vonnissen van de rechtbank Utrecht van 6 juni 2007, 6 augustus 2008 en 13 mei 2009 en doet opnieuw recht; ten aanzien van [geïntimeerde sub 4]: 6.4 verklaart voor recht dat er met betrekking tot de Koersplanovereenkomst van [geïntimeerde sub 4] geen wilsovereenstemming bestond tussen AEGON en [geïntimeerde sub 4] ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering; 6.5 verklaart voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomst tussen Aegon en [geïntimeerde sub 4] moet worden herberekend in die zin dat de door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie wordt vervangen door een premie waarbij de door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie wordt vermenigvuldigd met een factor 1,66/11,19; 6.6 veroordeelt Aegon de Koersplanovereenkomst met [geïntimeerde sub 4] na te komen in overeenstemming met de onder 6.5 geformuleerde verklaring voor recht; ten aanzien van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3]: 6.7 verklaart voor recht dat er met betrekking tot de Koersplanovereenkomsten van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] geen wilsovereenstemming bestond tussen AEGON en [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering; 6.8 verklaart voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomsten tussen Aegon enerzijds en [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] anderzijds moet worden herberekend in die zin dat de door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie wordt vervangen door een premie waarbij de door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie wordt vermenigvuldigd met een factor 1,66/11,19; 6.9 veroordeelt Aegon de Koersplanovereenkomst met [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] na te komen in overeenstemming met de onder 6.8 geformuleerde verklaring voor recht; ten aanzien van de Stichting: 6.10 verklaart voor recht dat er ten aanzien van de Koersplanovereenkomsten die zijn aangevangen in de jaren 1989 tot en met 1998 geen wilsovereenstemming bestond tussen Aegon en de personen voor wier belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering; 6.11 verklaart voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomst van de personen voor wier belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt die zijn aangevangen in de jaren 1989 tot en met 1998 moet worden herberekend in die zin dat de door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie wordt vervangen door een premie waarbij de door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie wordt vermenigvuldigd met een factor 1,66/11,19; 6.12 bepaalt dat de Koersplanovereenkomst met de personen voor wier belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt en die zijn aangevangen in de jaren 1989 tot en met 1998 worden nagekomen in overeenstemming met de onder 6.11 geformuleerde verklaring voor recht; ten aanzien van de Stichting, [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4]: 6.13 verklaart voor recht dat Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding door bij de maatmanberekeningen te verzwijgen dat de in te houden overlijdensrisicopremie (substantieel) hoger kon zijn dan waarvan bij de maatmanberekening is uitgegaan, alsmede te verzwijgen dat dit van invloed was op de hoogte van het behalen rendement; 6.14 veroordeelt Aegon in de kosten van de eerste aanleg, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van de Stichting c.s. begroot op € 2.712,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 329,60 voor verschotten; 6.15 veroordeelt Aegon in de kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep aan de zijde van de Stichting c.s. tot aan deze uitspraak begroot op € 4.023,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 929,98 (€ 422,- + € 507,98) voor verschotten; 6.16 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, F.W.J. Meijer en L.J. de Kerpel-van de Poel, en is, bij afwezigheid van de voorzitter door mr. Meijer ondertekend, in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2011.
ECLI:NL:HR:2013:BZ3749
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
ECLI:NL:GHAMS:2015:1641
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.140.756/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 1400242 / HA EXPL 12-363 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2015 inzake [APPELLANT] , wonend te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem, tegen LEGAL & GENERAL NEDERLAND LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Hilversum, geïntimeerde, advocaat: mr. F.P. Richel te Utrecht.
ECLI:NL:HR:2008:BD2820
Het geding in feitelijke instanties [Eiser] c.s.
NJ 2010/622
ECLI:NL:HR:2015:178
30 januari 2015 Eerste Kamer nr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/474064 / HA ZA 14-1101 Vonnis van 28 juni 2017 in de zaak van 1. de vereniging VERENIGING WOEKERPOLIS.NL, gevestigd te Amsterdam, 2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats 1] , 3. [eiser 3] , wonende te [woonplaats 2] , 4. [eiser 4] , wonende te [woonplaats 3] , eisers, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk, TEGEN 1. de naamloze vennootschap AEGON LEVENSVERZEKERING N.V., gevestigd te Den Haag, advocaat: mr. B.W.G. van der Velden te Amsterdam, 2. de naamloze vennootschap AEGON SPAARKAS N.V., gevestigd te Leeuwarden, advocaat: mr. A.Ch.H. Franken te Amsterdam, gedaagden. Eiseres sub 1 zal hierna de Vereniging worden genoemd. Eisers sub 2, 3 en 4 zullen worden aangeduid als respectievelijk [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] . Eisers zullen gezamenlijk worden aangeduid als de Vereniging c.s. Gedaagden zullen worden aangeduid als Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas en zullen gezamenlijk (in enkelvoud) Aegon worden genoemd.

1. De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 28 oktober 2015 en de daarin genoemde stukken; de akte overlegging producties, tevens akte vermeerdering (grondslag) van eis van de zijde van de Vereniging; de antwoordakte van de zijde van Aegon; het proces-verbaal van pleidooi van 17 januari 2017, het daarin genoemde stuk en de tijdens het pleidooi door partijen voorgedragen pleitnota’s. 1.2. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling I Inleiding 2.1. De op de voet van artikel 3:305a BW ingestelde primaire vordering van de Vereniging had betrekking op 115 producten, die waren opgesomd in een door haar bij de dagvaarding overgelegd “Overzicht Woekerpolissen” met productnamen van beleggingsverzekeringen van Aegon. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de primaire vordering dient te worden afgewezen, omdat de Vereniging ten aanzien van 112 van de 115 genoemde producten niet voldoet aan de in artikel 3:305a BW gestelde eisen voor ontvankelijkheid in een collectieve actie. 2.2.

Nu resteren de drie voorbeeldproducten waarop de subsidiaire vordering ziet: KoersPlan, VermogensPlan en FundPlan (tezamen ook: ‘de voorbeeldproducten’), die zijn aangeboden door Aegon en haar rechtsvoorgangers, waaronder Spaarbeleg. Dat zijn ook de door de drie individuele eisers afgesloten beleggingsverzekeringen. Ten aanzien van de voorbeeldproducten is in het tussenvonnis geoordeeld dat de vorderingen onder XXXIV, XXXVIII, LIII, LVII, LXXI en LXXV niet toelaatbaar zijn op grond van artikel 3:305a BW en daarom moeten worden afgewezen. 2.3.

Na het tussenvonnis, waarin ook is beslist dat de incidentele vordering ex art 843a Rv van de Vereniging zal worden afgewezen, heeft de Vereniging haar eis in de hoofdzaak gewijzigd. De gewijzigde eis is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. 2.4. Na het tussenvonnis heeft een aktewisseling plaatsgehad, naar aanleiding van het op de voet van artikel 22 Rv aan de Vereniging gegeven bevel van de rechtbank alle relevante contractdocumentatie met betrekking tot de voorbeeldproducten over de relevante periode in het geding te brengen en deze vergezeld te laten gaan van een nadere concretisering van haar verwijten per periode waarin de bedoelde contractdocumentatie voor het desbetreffende voorbeeldproduct werd gebruikt.

De aktes na het tussenvonnis worden hierna per partij aangeduid als ‘(de) akte’. kern van het geschil 2.5. De kern van het geschil is of Aegon met de door haar verstrekte informatie de verzekeringnemers in staat heeft gesteld een goed geïnformeerde en weloverwogen aankoopbeslissing te nemen en of zij – zoals de Vereniging stelt – haar verzekeringnemers heeft misleid. In verband daarmee is onderwerp van debat of (de hoogte van) alle in rekening gebrachte kosten en overlijdenspremies zijn overeengekomen. Voorts is in geschil of Aegon gebrekkige producten in het verkeer heeft gebracht en of de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten oneerlijke bedingen bevatten. 2.6.

Aegon heeft de voorbeeldproducten in de relevante periode (van 1989 tot en met 2004) op grote schaal verkocht aan consumenten, in een tijd dat de maatschappelijke belangstelling voor beleggen fors toenam, met een door Aegon onbetwist aangeduide stijging van ‘het aantal beleggende huishoudens’ tussen 1997 en 2000 van 600.000 tot ruim 1,9 miljoen. 2.7. De informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen, die door de Vereniging worden aangeduid als ‘woekerpolissen’, een term waartegen Aegon zich verzet, is een onderwerp waarover de in de maatschappij levende inzichten in de loop der jaren zijn veranderd.

Naar niet in geschil is, is de aanleiding voor de maatschappelijke onrust over beleggingsverzekeringen in de eerste plaats gelegen in de tegenvallende rendementen als gevolg van het feit dat de rendementen van beleggingen in toenemende mate onder druk kwamen te staan. Deze onrust heeft vanaf 2005 geleid tot de in het tussenvonnis onder 2.10 en verder aangeduide onderzoeken en adviezen van de Autoriteit Financiële Markten (AFM), de Commissie De Ruiter en de Ombudsman Financiële Dienstverlening en voorts tot de Stichtingsakkoorden die Aegon in 2009 heeft gesloten met twee stichtingen en drie verenigingen, met afspraken over een vergoeding in de vorm van maximering van de in rekening gebrachte kosten en risicopremies van door Aegon aangeboden beleggingsverzekeringen, waaronder de voorbeeldproducten. 2.8.

Naar aanleiding van deze ontwikkelingen heeft Aegon productverbeteringen doorgevoerd, ook met betrekking tot de voorbeeldproducten. In dat verband zijn onder meer de overlijdensrisicopremies en de kosten verlaagd. Naar aanleiding van de hierna te noemen KoersPlanzaak heeft Aegon de overlijdensrisicopremies van de spaarkasverzekeringen die in de periode van 1989 tot en met 1998 door Spaarbeleg zijn aangeboden, herberekend. Aegon heeft onweersproken toegelicht dat dit bij veel verzekeringnemers leidt tot (verdere) verlaging van de overlijdensrisicopremie. 2.9.

De in de loop der jaren gewijzigde maatschappelijke opvattingen hebben hun weerslag gevonden in een ingrijpende wijziging van de regelgeving voor informatieverstrekking door aanbieders van beleggingsverzekeringen vanaf 2006. De door de rechtbank aan te leggen toets is niet die van het nu geldende aangescherpte normenkader. De rechtbank dient te toetsen aan het normenkader dat gold ten tijde van het aanbieden van de voorbeeldproducten door Aegon, van 1989 tot en met 2004. Dat normenkader dateert van vóór de vanaf 2005 uitgebrachte, hiervoor genoemde, adviezen over beleggingsverzekeringen en de daarna doorgevoerde aanscherpingen van de regelgeving en stelt minder verstrekkende eisen aan de informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen dan de nu geldende regels. de KoersPlanzaak 2.10.

Over KoersPlan is eerder een collectieve actie gevoerd, door Stichting Koersplandewegkwijt. In die procedure, die hierna ook wordt aangeduid als ‘de KoersPlanzaak’ heeft het gerechtshof te Amsterdam op 26 juli 2011 arrest gewezen (ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2836), dat hierna wordt aangeduid als ‘het arrest van het gerechtshof in de KoersPlanzaak’, dat is gevolgd door het arrest van 14 juni 2013 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ3749). 2.11. De KoersPlanzaak had betrekking op KoersPlanovereenkomsten die tussen 1989 en 1998 zijn afgesloten. Deze zaak gaat over de hele periode dat KoersPlan werd aangeboden, van 1989 tot 2004.

In deze zaak is een aantal dezelfde onderwerpen aan de orde als in de KoersPlanzaak. De Vereniging heeft ook nieuwe verwijten geformuleerd, die niet in de KoersPlanzaak aan de orde zijn geweest. De in de KoersPlanzaak gegeven oordelen zijn niet bindend in deze zaak. Alle verwijten van de Vereniging over KoersPlan dienen op hun eigen merites te worden bezien, op grond van de in deze zaak gevoerde partijdiscussie. de verwijten van de Vereniging 2.12. Samengevat en op hoofdlijnen verwijt de Vereniging Aegon het volgende: het in het verkeer brengen van gebrekkige producten die niet bestand zijn tegen forse koersdalingen; het onvoldoende waarschuwen voor en/of voorlichten over een aantal risicovolle eigenschappen van de producten, zoals het hefboomeffect, het inteereffect, het fata morgana-effect en het crashrisico; het onvoldoende informeren over hoge (eerste) kosten die op de producten werden ingehouden en de effecten hiervan op het met de producten op te bouwen vermogen; het in rekening brengen van niet-contractueel overeengekomen kosten en van kosten waarvan de hoogte niet is overeengekomen; het hanteren van oneerlijke bedingen. 2.13.

Verwijt i) – het gestelde in het verkeer brengen van gebrekkige producten – heeft betrekking op een eigenschap van de voorbeeldproducten, die de Vereniging aanduidt als het ‘crashrisico’. De Vereniging verstaat onder het crashrisico het risico dat een of meer (forse) koersdalingen – zeker als die zich aan het eind van de looptijd van de beleggingsverzekering voordoen – tot gevolg hebben dat het feitelijk niet meer mogelijk is om het genoemde eindkapitaal te kunnen bereiken, ook als gemiddeld wel het genoemde rendementspercentage wordt behaald. 2.14.

Het crashrisico is tevens een van de producteigenschappen waarop verwijt ii) ziet. De andere eigenschap van de voorbeeldproducten waarvoor Aegon volgens de Vereniging onvoldoende heeft gewaarschuwd, is het fata morgana-effect. Het in de dagvaarding genoemde hefboomeffect en het inteereffect doen zich niet voor bij de voorbeeldproducten en behoeven dus geen bespreking. 2.15. Verwijt ii) ziet daarmee op het hiervoor omschreven crashrisico en het fata morgana-effect, dat volgens de Vereniging in de kern erop neerkomt dat de voorbeeldberekeningen die Aegon hanteerde onjuist of misleidend zijn. 2.16.

Net als verwijt ii) heeft verwijt iii) betrekking op gesteld onvoldoende voorlichten door Aegon, in dit geval over de hoge (eerste) kosten die op de producten werden ingehouden en de effecten hiervan op het met de producten op te bouwen vermogen. De kosten van de voorbeeldproducten spelen ook een rol bij verwijt iv) dat inhoudt dat Aegon niet overeengekomen kosten en/of overlijdensrisicopremie in rekening heeft gebracht. 2.17. In de dagvaarding stelde de Vereniging in verband met de kosten dat Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan ‘churning’.

Nu zij deze algemeen geformuleerde en door Aegon gemotiveerd betwiste stelling in haar akte niet heeft uitgewerkt, wordt zij geacht dit verwijt niet (langer) te maken ten aanzien van de voorbeeldproducten. 2.18. Bij haar verwijten ii) en iii) stelt de Vereniging niet alleen dat Aegon verzekeringnemers onvoldoende heeft voorgelicht of gewaarschuwd, maar ook dat Aegon haar verzekeringnemers heeft misleid met de door haar aangeboden informatie. 2.19. Het tot slot gemaakte verwijt v) heeft betrekking op volgens de Vereniging oneerlijke bedingen in alle drie de voorbeeldproducten. 2.20.

Aegon betwist alle verwijten van de Vereniging. Samengevat komt haar verweer erop neer dat zij steeds alle informatie heeft verstrekt die zij moest verstrekken op grond van de destijds geldende wet- en regelgeving en dat zij haar verzekeringnemers niet heeft misleid. Aegon betwist dat zij niet overeengekomen kosten in rekening heeft gebracht. Zij betwist dat de overeenkomsten oneerlijke bedingen bevatten en dat zij met de voorbeeldproducten gebrekkige producten in het verkeer heeft gebracht. plan van behandeling 2.21. Voordat de rechtbank de verwijten van de Vereniging behandelt, gaat zij in op het (nadere) verweer van Aegon met betrekking tot de collectieve actie op de voet van artikel 3:305a BW en het door Aegon betwiste belang van de Vereniging bij haar vorderingen (II).

Dan staat de rechtbank stil bij de voorbeeldproducten (III). Vervolgens bespreekt de rechtbank de verwijten van de Vereniging (IV). Onder V volgt de slotsom in de zaak tegen de Vereniging, waarna de rechtbank (onder VI) de zaken van [eiser 4] , [eiser 3] en [eiser 2] zal beoordelen. II Collectieve actie en belang Vereniging ontvankelijk in collectieve actie? 2.22. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de Vereniging ten aanzien van 112 van de 115 genoemde beleggingsverzekeringen van Aegon niet voldoet aan de in artikel 3:305a BW gestelde eisen voor ontvankelijkheid in een collectieve actie.

Dit geldt volgens Aegon ook voor de drie resterende voorbeeldproducten. 2.23. Voor ontvankelijkheid van een collectieve actie ex artikel 3:305a BW is vereist dat een belangenorganisatie aan drie vereisten voldoet. De vordering moet (ten eerste) zijn ingesteld door een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, die (ten tweede) een toereikende statutaire doelomschrijving moet hebben. Ten derde dienen de belangen waarvoor de belangenorganisatie opkomt gelijksoortig te zijn om zich zodoende voor bundeling te lenen. 2.24. Niet in geschil is dat de statuten van de Vereniging voorzien in belangenbehartiging van verzekeringnemers die bij Aegon KoersPlan-, VermogensPlan- en FundPlanovereenkomsten hebben afgesloten.

Het verweer van Aegon ziet op de derde eis: Aegon betwist dat de door de Vereniging behartigde belangen voldoende gelijksoortig zijn. Zij voert aan dat de overeenkomsten verschillen ten aanzien van hun aard, looptijd en het door Aegon aangeboden informatiemateriaal, de manier waarop ze zijn afgesloten, de risico’s die aan die producten verbonden zijn, het toepasselijk wettelijk kader en de specifieke eigenschappen van de individuele contracten (op basis van de door de verzekerde gemaakte keuzes). Dat betekent volgens Aegon dat in de gegeven omstandigheden uitsluitend op basis van een individuele beoordeling van alle betrokken klanten een oordeel kan worden gevormd over de verwijten van de Vereniging.

Daar leent een collectieve actie zich niet voor, aldus Aegon. 2.25. De rechtbank volgt Aegon niet in dit betoog. De collectieve actie van de Vereniging ziet nu nog op de drie voorbeeldproducten, die – naar niet in geschil is – vanwege de onderlinge verschillen niet zonder meer aan elkaar gelijk te stellen zijn. Zij hebben gemeen dat het beleggingsverzekeringen zijn die door Aegon werden aangeboden. 2.26. Per voorbeeldproduct is voldaan aan het vereiste van een voldoende gelijksoortig belang. De FundPlanovereenkomsten hadden allemaal dezelfde productkenmerken.

Dat geldt ook voor de KoersPlanovereenkomsten respectievelijk de VermogensPlanovereenkomsten. Alle drie de voorbeeldproducten kwamen overwegend via een tussenpersoon tot stand. Aegon verstrekte bij het aanbieden van alle FundPlanovereenkomsten min of meer vergelijkbare bescheiden. Dat deed zij ook bij het aanbieden van alle KoersPlanovereenkomsten respectievelijk alle VermogensPlanovereenkomsten. Anders dan Aegon betoogt, is – per voorbeeldproduct – zowel de wijze van aanbieden en afsluiten van de desbetreffende producten als de contractdocumentatie voldoende uniform om de verwijten te kunnen beoordelen zonder onderzoek te doen naar de situatie van de individuele verzekeringnemers. 2.27.

Daarmee voldoet de Vereniging in ieder geval per voorbeeldproduct aan het vereiste van een voldoende gelijksoortig belang. Het komt een doelmatige en efficiënte procesvoering ten goede dat de Vereniging deze drie door Aegon aangeboden voorbeeldproducten gelijktijdig aan de rechtbank voorlegt, temeer omdat de contractdocumentatie van KoersPlan en VermogensPlan op onderdelen gelijkluidend is en een aantal verwijten ten aanzien van de onderscheidene voorbeeldproducten hetzij gelijkluidend is, hetzij zich voor gezamenlijke behandeling leent. Belang van de Vereniging bij haar vordering? 2.28.

Aegon betoogt dat met de productverbeteringen een ‘totaaloplossing’ is geboden voor alle klachten van verzekeringnemers met een beleggingsverzekering van Aegon, aangezien niet alleen de kosten en overlijdensrisicopremies – voor zover nodig – op een redelijk niveau zijn gebracht, maar ook een oplossing is geboden voor enige bijzondere en specifieke productrisico’s (niet zijnde het reguliere beleggingsrisico). Nu hiermee reeds is voorzien in een oplossing voor de verwijten die de Vereniging maakt, heeft de Vereniging geen belang bij haar vorderingen, aldus Aegon, die voorts erop wijst dat de grote meerderheid (97% en 98,6%) van de achterban van de stichtingen heeft ingestemd met de Stichtingsakkoorden.

Volgens Aegon voorzien de Stichtingsakkoorden daarmee in een breed gedragen, ook door anderen onderschreven oplossing. 2.29. De rechtbank stelt voorop dat zij terughoudend dient te zijn met het afwijzen van een vordering vanwege het ontbreken van voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW. In het algemeen mag voldoende belang worden verondersteld. Alleen bij uitzondering moet een eiser bewijzen voldoende belang te hebben. Zo’n uitzonderingssituatie doet zich ten aanzien van de gevorderde verklaringen voor recht in dit geval naar het oordeel van de rechtbank niet voor.

Uit het eigen standpunt van Aegon volgt reeds dat het door haar als regulier beleggingsrisico en door de Vereniging als crashrisico aangeduide risico van de voorbeeldproducten niet is begrepen in de Stichtingsakkoorden en andere productverbeteringen. Voorts betekent het breed gedragen zijn van de door velen geaccepteerde oplossing waarin Aegon heeft voorzien, niet dat de Vereniging daarmee geen processueel of materieel belang in de zin van artikel 3:303 BW heeft of kan hebben bij haar vorderingen. Nu ook overigens niet is gesteld of gebleken dat zij dergelijk belang ontbeert, dient te worden aangenomen dat zij voldoende belang heeft.

Ook dit verweer van Aegon faalt derhalve. III De voorbeeldproducten 2.30. De voorbeeldproducten zijn beleggingsverzekeringen. Het zijn gemengde levensverzekeringen, waarbij zowel het risico van overlijden als het risico van leven op de einddatum wordt gedekt. Bij beleggingsverzekeringen wordt (een deel van) de premie aangewend voor de dekking van het overlijdensrisico en wordt (een deel van) de premie belegd om vermogensopbouw te bewerkstelligen. Het beleggingsdeel van de premie van de voorbeeldproducten wordt belegd in beleggingsfondsen van Aegon.

Het risico van beleggen ligt geheel of grotendeels bij de verzekeringnemer. Bij overlijden vóór het einde van de looptijd wordt een uitkering gedaan van een bedrag dat is gerelateerd aan de inleg of aan het opgebouwde beleggingstegoed. Indien de looptijd verloopt bij leven wordt het met de inleg behaalde beleggingsresultaat uitgekeerd. KoersPlan en VermogensPlan 2.31. KoersPlan en VermogensPlan zijn spaarkasverzekeringen. Bij deze vorm van beleggingsverzekering wordt (een deel van) de inleg (de spaarstorting) door storting in een spaarkas gebruikt voor collectieve opbouw van vermogen, door te beleggen in participaties van beleggingsfondsen.

Het opgebouwde vermogen komt tot uitkering bij leven op de einddatum. Een ander deel van de inleg bestaat uit een overlijdensrisicopremie, die als tegenprestatie dient voor de verplichting van de verzekeraar tot het doen van een uitkering aan de begunstigde(n) bij overlijden van de verzekerde. Op het moment van overlijden vervalt het aandeel in de spaarkas aan de spaarkas. Op de einddatum van de overeenkomst wordt dit verdeeld onder de nog in leven zijnde deelnemers. 2.32. Aegon heeft KoersPlan van 1989 tot 2004 aangeboden aan deelnemers, die een vaste periodieke inleg per maand betalen.

Aegon heeft VermogensPlan van 1990 tot 2001 aangeboden aan deelnemers die na een eerste inleg een jaarlijks te verhogen of verlagen inleg van minimaal 1/10 van het eerst ingelegde bedrag betalen. Beide producten hebben een vaste looptijd van minimaal twintig jaar (tot 1992)/vijftien jaar (vanaf 1992) en maximaal 40 jaar. Aan het einde van de looptijd ontvangt de deelnemer het eindkapitaal, bestaande uit zijn opgebouwde vermogen en de overlevingswinst. Bij overlijden wordt de ingelegde som, vermeerderd met 4% rente op rente, uitgekeerd. FundPlan 2.33.

FundPlan is een zogenoemde united linked beleggingsverzekering. Daarbij verbindt de verzekeraar zich ertoe een deel van de premie (de spaarpremie) te beleggen om vermogensopbouw te bewerkstelligen. De belegging geschiedt individueel in voor rekening van de verzekeringnemer verworven beleggingseenheden (units). De uitkering bij leven op de einddatum bestaat uit de tegenwaarde op die datum van de met de spaarpremies verworven units. 2.34. Aegon heeft FundPlan van 1990 tot 2002 aangeboden aan deelnemers, die een jaarlijkse premie betalen die wordt geïnvesteerd in een door Aegon beheerd beleggingsfonds naar keuze.

Dat kan één fonds zijn, maar ook een combinatie van fondsen. De deelnemer kan gedurende de looptijd wisselen tussen de fondsen. Eenmaal per jaar kan dit gratis. Er is een open einddatum, die naar voren of naar achteren kan worden geschoven. De hoogte van de uitkering direct na overlijden kan bestaan uit de som van de betaalde premies of uit een vast bedrag danwel een gegarandeerd bedrag, vermeerderd met de eventuele beleggingswinst. Indien de laatste tien jaar is belegd in bepaalde fondsen is (een evenredig deel van) het kapitaal bij leven op de einddatum gegarandeerd. 2.35.

Bij deze deelname van minimaal tien jaar voorafgaand aan de einddatum in een fonds met een garantiebepaling, ontvangt de verzekeringnemer op de einddatum een gegarandeerd minimumkapitaal, dat bij een gunstig beleggingsresultaat kan worden vermeerderd met een hogere uitkering. Aegon heeft onweersproken aangevoerd dat zij aan meer dan 80% van de deelnemers van FundPlan een gegarandeerde uitkering bij leven biedt. In deze gevallen van een gegarandeerde uitkering bij leven is – naar de Vereniging ook niet weerspreekt – sprake van een garantieverzekering en niet van een beleggingsverzekering (vergelijk gerechtshof Amsterdam 28 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1641).

IV Bespreking van de verwijten 2.36. Als eerste bespreekt de rechtbank (onder 1) de verwijten ii) en iii) over informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. Vervolgens bespreekt de rechtbank (onder 2) verwijt iv) over het in rekening brengen van niet overeengekomen kosten en daarna (onder 3) verwijt i) over het in het verkeer brengen van ondeugdelijke producten en tot slot (onder 4) verwijt v) over de gestelde oneerlijke bedingen. 1Informatieverstrekking bij aanbieding van de voorbeeldproducten 2.37. De kern van het geschil bij de verwijten ii) en iii) over de informatieverstrekking is of Aegon met de door haar verstrekte informatie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten de verzekeringnemers in staat heeft gesteld een goed geïnformeerde en weloverwogen aankoopbeslissing te nemen en of zij – zoals de Vereniging ook stelt – de verzekeringnemers heeft misleid. 2.38.

De verwijten van de Vereniging zien op informatieverstrekking over de als (zuivere) beleggingsverzekeringen aan te merken voorbeeldproducten waarvan de uitkering afhankelijk is van de uitkomst van de beleggingen. De verwijten zijn toegespitst op informatieverstrekking door middel van voorbeeldkapitalen met aanvullende informatie. Dit is de wijze waarop informatie wordt verstrekt in gevallen waarin de uitkering onzeker is, zoals bij beleggingsverzekeringen het geval is. De informatieverstrekking over levensverzekeringen met een gegarandeerde uitkering (garantieverzekeringen) – zoals FundPlan kan zijn – die ook is onderworpen aan de hierna te bespreken Riav, geschiedt op een andere wijze, te weten door het noemen van de gegarandeerde uitkering (vergelijk het hierna te bespreken artikel 2 lid 2 onder b Riav, dat ook het daarvóór geldende ongeschreven recht weergeeft).

Indien en voor zover FundPlan voorziet in een garandeerde uitkering – en dus is aan te merken als een garantieverzekering – valt dit voorbeeldproduct dus buiten de reikwijdte van het geschil. Het navolgende geldt daarmee niet voor FundPlan voor zover dit voorbeeldproduct voorziet in een gegarandeerde uitkering bij leven aan het eind van de looptijd. 2.39. De rechtbank staat stil bij het toetsingskader voor de verwijten over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten (A) en de uitgangspunten voor de beoordeling van de verwijten (B), die daarna plaatsvindt (C).

A toetsingskader voor beoordeling van de verwijten over informatieverstrekking 2.40. Als Aegon – getoetst aan de destijds geldende normen – haar informatieverplichting bij het aanbieden van de voorbeeldovereenkomsten niet heeft nageleefd, heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens haar verzekeringnemers. Nu de voorbeeldproducten na 2004 niet werden aangeboden, is de door de Vereniging aangehaalde regelgeving die vanaf 2006 in werking is getreden niet relevant. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan hetgeen de Vereniging daarover naar voren heeft gebracht. 2.41.

De Vereniging grondt de gestelde misleiding door Aegon bij het verstrekken van informatie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten op artikel 6:194 (oud) BW, zoals dit luidde voor 15 oktober 2008, toen deze bepaling – anders dan daarna, met de inwerkingtreding van artikel 6:193a BW – nog gold voor consumenten. Niet in geschil is dat artikel 6:194 (oud) BW van toepassing is op deze zaak, omdat vóór die datum was voldaan aan alle vereisten voor de gestelde aansprakelijkheid van Aegon op grond van deze bepaling. 2.42. Hierna wordt eerst ingegaan op de indirecte transparantie, dat, naar de destijds geldende normen, als uitgangspunt gold voor de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten (a).

Daarna komen aan de orde de betekenis van het arrest van het HvJ EU van 29 april 2015 voor deze zaak (b) en de vraag of op Aegon de door de Vereniging gestelde bijzondere zorgplicht rust (c), gevolgd door de slotsom over het toetsingskader voor de verwijten over informatieverstrekking en de uitgangspunten voor de verdere beoordeling (d). (a) indirecte transparantie als uitgangspunt 2.43. De toepasselijke regelgeving voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten vormt de implementatie van de Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (Pb 1992, L 360, hierna:

Derde Levensrichtlijn). Volgens de preambule (onder 23) moet de consument beschikken over “de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past” en worden minimumvoorschriften gegeven “opdat de consument duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten.” Artikel 31 lid 1 van de Derde Levensrichtlijn bepaalt dat de verzekeraar vóór het sluiten van de overeenkomst de in bijlage II genoemde gegevens moet verstrekken, te weten onder meer over: de wijze en duur van betaling van de premies, de wijze van berekening en toewijzing van winstdelingen, inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken. 2.44.

De Derde Levensrichtlijn is met ingang van 1 juli 1994 geïmplementeerd in de op artikel 51 Wet Toezicht verzekeringsbedrijf (Wtv) gebaseerde Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers (Riav 1994), die per 1 januari 1999 is vervangen door de Riav 1998. Beide versies van de Riav tezamen worden hierna ook aangeduid als ‘de Riav’, dat hierna ook wordt gebruikt in de gevallen dat beide versies gelijkluidend zijn. 2.45. Vóór deze implementatie van de Derde Levensrichtlijn was er geen specifieke regelgeving betreffende de informatieverstrekking door verzekeraars over beleggingsverzekeringen.

Aegon heeft onweersproken toegelicht dat verzekeraars voordien – overeenkomstig het destijds breed gedragen uitgangspunt dat de verzekeringnemer daarmee adequaat werd geïnformeerd – informatie verstrekten over de premie en de verzekerde uitkeringen bij leven of overlijden. Dit gebeurde aan de hand van voorbeeldkapitalen, die werden berekend op grond van historische rendementen. 2.46. Zoals partijen ook tot uitgangspunt nemen, is in de Riav 1994 het voordien geldende ongeschreven recht vastgelegd. Dat betekent dat hetgeen hierna wordt overwogen over de Riav 1994 ook ziet op de in de relevante periode van 1989 tot de inwerkingtreding van de Riav 1994 geldende normen voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. 2.47.

De Riav heeft betrekking op de aanbodzijde bij de totstandkoming van de beleggingsverzekeringsovereenkomsten. De toelichtingen op de Riav vermelden allebei: “de toepassing van deze regeling (wordt) beheerst door het burgerlijk recht, waarbij bijvoorbeeld ook de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) gelden.” 2.48. Destijds werd algemeen onderschreven dat de informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen het beste indirect kon geschieden aan de hand van voorbeeldkapitalen, waarin de factoren waarvan de uitkering afhankelijk was – waaronder de kosten – waren verdisconteerd.

De gedachte was dat moest worden voorkomen dat de consument, door méér informatie dan over de prijs en de potentiële opbrengst, juist minder begrip zou krijgen voor de kenmerken en de werking van de producten. Gedetailleerde informatie over kosten en risicopremie zou volgens de toen geldende inzichten niet bijdragen aan de mogelijkheid voor de consument weloverwogen en geïnformeerd te kunnen kiezen. Vergelijkbaarheid van de verschillende verzekeringen, wat betreft prijs en opbrengst, stond destijds voorop. 2.49. Deze zienswijze komt onder meer tot uiting in de parlementaire geschiedenis van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf, waarin de wetgever te kennen heeft gegeven het niet nodig te vinden voor één van de kostenposten van de beleggingsverzekering – de provisie voor de assurantietussenpersoon – nader te regelen dat een tussenpersoon steeds aan een verzekeringnemer diende duidelijk te maken welke provisie is verbonden aan elk verzekeringsproduct waarover hij de verzekeringnemer informeert en de uitbetaalde provisie op de premie-nota specificeert, aangezien:

“aparte vermelding van de aan de assurantietussenpersoon uitbetaalde provisie leidt tot meer complicaties dan men op het eerste gezicht zou denken en geeft o.i. slechts aanleiding tot het ontstaan van een vertekend beeld bij de consument. (...) Bovendien is naar onze mening aparte vermelding van de provisie voor het beslissingsproces niet van belang. Voor de consument is uitsluitend interessant wat de hoogte van de te betalen eindprijs is. Alleen door vergelijking van eindprijzen verkrijgt hij een inzicht in de markt; «kale» prijzen, na aftrek van provisie, hebben geen zelfstandige betekenis.

Op basis van een eindprijsvergelijking kan de consument bepalen in hoeverre de meerprijs hem een betere dienstverlening waard is.” Zie: TK 1989/1990, 20 925, nr. 10, p 11. 2.50. Op grond van artikel 2 lid 2 Riav 1994 moet de verzekeraar de verzekeringnemer in kennis stellen van – onder meer: - een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht (sub b), - de premie verschuldigd voor de hoofddekking, en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd (sub h).

De hoofddekking is de dekking van het overlijdensrisico. Nevendekkingen zijn uitkeringen in geval van een risico anders dan het risico van overlijden. 2.51. Indien de overeenkomst voorzag in een afkoop- of premievrije waarde, diende op grond van sub k van artikel 2 lid 2 Riav 1994 de verzekeraar de verzekeringnemer voorts in kennis te stellen van: “een opgave of indicatie van deze waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend” De toelichting vermeldt dat met opgave van de afkoop- en premievrije waarde wordt gedoeld op:

“een eventuele gegarandeerde afkoop- of premievrije waarde, dit in tegenstelling tot een ‘indicatie’ van die waarden, of een opgave van de berekeningswijze”. 2.52. In januari 1996 heeft de minister van financiën antwoord gegeven op vragen over (te) hoge kosten van koopsompolissen: “Aan elk produkt, ook aan een levensverzekering, zijn kosten verbonden. Deze kosten treden zowel op daar waar verzekeraars de verzekeringnemers direct benaderen (direct writers) als door waar de distributie verloopt via tussenpersonen. In dit laatste geval is sprake van kosten, welke worden gemaakt in het kader van de advisering door de tussenpersoon, en de kosten die de verzekeraar zelf nog maakt.

Bij elk produkt worden de totale kosten uit de eindprijs betaald. Bij een levensverzekering is de eindprijs de te betalen premie(s).” Zie TK 1995-1996, Aanhangsel nr. 430. 2.53. In de in april 1996 door de minister van financiën gegeven antwoorden op Kamervragen over een door OHRA aangeboden beleggingsverzekering, waarbij werd belegd in teakhout in Costa Rica, staat onder meer: “In het algemeen is de regering van mening dat de aanbiedende partij in documentatie over beleggingen dient zorg te dragen voor zorgvuldige en heldere informatie ook waar het de gebruikte begrippen betreft.

Dat geldt ook bij beleggingen die in het kader van een levensverzekeringsovereenkomst plaatsvinden. Het is de verantwoordelijkheid van die aanbiedende partij daarbij inzichtelijk te maken door welke factoren het rendement wordt bepaald, wat de aard van de beleggingen is en door wie de risico's uiteindelijk worden gedragen. Eén en ander laat onverlet dat het bij een financieel produkt, waarbij veelal grote bedragen in het geding zijn, van belang is weloverwogen tot een beslissing te komen. Het is daarbij primair de eigen verantwoordelijkheid van de belegger c.q. de verzekeringnemer zich op de hoogte te stellen van de modaliteiten van het produkt of zich daarover door een deskundige te laten adviseren.” Zie TK 1995-1996, Aanhangsel nr. 911. 2.54.

Voorafgaand aan de invoering van de Riav 1998 heeft de branche nadere regels gesteld over de informatievoorziening over beleggingsverzekeringen in de opeenvolgende versies van de “Code Rendement en Risico. Gedragscode betreffende de voorlichting over het rendement en risico van beleggingsverzekeringen en levensverzekeringen met winstdeling” (hierna: de CRR). Deze zelfregulering is door het Verbond van Verzekeraars in nauw overleg met de Consumentenbond opgesteld. De CRR geldt voor alle aangesloten leden, waaronder Aegon. 2.55. Het doel van de CRR was erin gelegen dat:

“door toepassing van de Code (…) de (adspirant)koper van het product inzicht (moet) krijgen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit spaarkasovereenkomsten en individuele kapitaalverzekeringen.” 2.56. De CRR, die vermeldt: “het begrip “prognoses” dient te allen tijde te worden vermeden”, gaat uit van het gebruik van op historische rendementen gebaseerde voorbeeldkapitalen. Het moeten netto-voorbeeldkapitalen zijn, waarin de in de bruto-premie begrepen kosten en de overlijdensrisicopremie zijn verdisconteerd. 2.57.

De voorbeeldkapitalen worden berekend aan de hand van het voorbeeldpercentage, dat in de CRR is omschreven als: “het rendement (…) waarmee het voorbeeldkapitaal wordt berekend”. In de op 1 januari 1997 in werking getreden CRR 1996 is vermeld dat het voorbeeldpercentage zowel een fonds- als een productrendement kan zijn. Het fondsrendement is in de CRR 1996 gedefinieerd als: “inkomsten uit beleggingen en waardeverschillen bij verkoop van beleggingen alsmede niet gerealiseerde waardeverschillen, na aftrek van de kosten voor het beheer van de beleggingen, uitgedrukt in een gemiddeld percentage per jaar en toe te rekenen aan de reserve c.q. het spaartegoed.” Het productrendement is in de CRR 1996 omschreven als:

“het rendement dat de deelnemer in de spaarkas op de inleg behaalt.” Bij een spaarkasovereenkomst is de inleg het spaarbedrag plus de bruto risicopremie tezamen. De CRR 1996 schrijft voor dat, indien het voorbeeldpercentage dan wel het voorbeeldkapitaal wordt berekend op basis van het productrendement, dit uitdrukkelijk dient te worden vermeld. Daarvóór bevatte de CRR geen bepalingen over deze verschillende rendementen. 2.58. In 1996 heeft de minister van financiën tijdens de parlementaire behandeling van wijziging van de financiële toezichtwetgeving opgemerkt (over de Riav 1994):

“Verzekeraars zijn evenmin als de producenten van andere (financiële) producten, niet verplicht inzicht te geven in de kostenstructuur.” Zie TK 1995/1996, nr. 24 456 en 23 669, nr. 12, p 17. 2.59. In mei 1997 heeft de minister van financiën over de toen geldende CRR opgemerkt: “Een van de uitgangspunten van de Code is dat het begrip prognose niet gebruikt mag worden. Dit is gedaan ten einde zoveel mogelijk tegen te gaan dat het voorbeeld zou kunnen worden aangezien voor een toekomstvoorspelling. De methodiek van de Code voorziet, voor zover hiervoor gegevens beschikbaar zijn, in het systematisch gebruik van de in het verleden behaalde rendementen. (...) Ik ben van mening dat het nuttig is dat de consument bij de aankoopbeslissing van een kapitaalverzekering of spaarkasovereenkomst een voorstelling heeft van de mogelijke einduitkering van zijn verzekering en van de door hem te lopen risico's. Dat in de markt mechanismen worden gevonden om de consument inzicht te bieden in rendement en risico van verzekeringsproducten vind ik dan ook op zich wenselijk.

Het initiatief van het Verbond moet in dit licht worden bezien. De in de Code gehanteerde techniek maakt gebruik van de beleggingsprestaties die de verzekeraar in het verleden heeft geboekt en die voor dat product in het verleden relevant waren. (...)” Zie TK 1996-1997, Aanhangsel nr. 1265. 2.60. In de Riav 1998 is het begrip ‘uitkering’ van artikel 2 lid 2 onder b aangescherpt met de verplichting om de verzekerde in kennis te stellen van: “het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht of, voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is” De toelichting vermeldt over deze aanscherping:

“De formulering van het begrip uitkering(en) in onderdeel b is aangescherpt in vergelijking met de regeling van 1994. Op grond van het onderzoek van de Verzekeringskamer blijkt dat de formulering in de oude regeling te veel ruimte liet voor verschil in interpretatie. In een aantal gevallen werd volstaan met een globale omschrijving van de uitkering(en) waartoe de verzekeraar zich verplichtte, waardoor de consument zich geen duidelijk beeld kon vormen van de te verwachten prestaties. Op grond van de huidige regeling moet nu het bedrag genoemd worden of, indien dit niet mogelijk is, een nauwkeurige omschrijving van de uitkering(en), met vermelding van de factoren waarvan de hoogte afhankelijk is.” 2.61.

Het in de Riav 1998 ingevoegde lid 4 van artikel 2 bepaalt dat: “de verzekeringnemer op overzichtelijke wijze inzicht wordt geboden in de wezenlijke kenmerken van de aangeboden overeenkomst van levensverzekering.” De toelichting vermeldt: “Bij wezenlijke kenmerken van het product wordt, voor zover van toepassing, onder meer gedacht aan de doelstelling van het product, premie en uitkering, informatie te verstrekken door de verzekeringnemer, risicofactoren, (voorbeeld)waarde van de polis aan het einde van de looptijd, informatie over de afkoop- en premievrije waarde en de invloed van kosten en inhoudingen.” 2.62.

Artikel 2 lid 2 is in de Riav 1998 uitgebreid met onderdeel q, dat de verzekeraar verplicht de verzekeringnemer in kennis te stellen van: “de invloed van kosten en inhoudingen ten laste van de verzekeringnemer op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst”. De toelichting op de Riav 1998 vermeldt hierover: “Onderdeel q beoogt de verzekeringnemer inzicht te geven hoe inhoudingen en kosten zijn rendement en de uiteindelijke uitkering kunnen beïnvloeden. Met de systematiek van de nieuwe Code rendement en risico van het Verbond van Verzekeraars, waarbij gebruik wordt gemaakt van rekenvoorbeelden waarin de kosten en inhoudingen worden verwerkt, wordt invulling gegeven aan deze verplichting.” 2.63.

Ook is artikel 2 lid 2 in de Riav 1998 uitgebreid met onderdeel r, dat de verzekeraar opdracht geeft – indien van toepassing – kennis te geven van: “de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht; De toelichting op de Riav 1998 bepaalt hierover: “In sommige gevallen worden kosten van levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent naast de brutopremie in rekening gebracht. In dat geval is het van belang dat de consument hiervan op de hoogte wordt gebracht. Het betreft hier niet slechts de kostensoorten, maar ook een kwantitatieve weergave van de kosten.

Met onderdeel r wordt de verplichting hiertoe geregeld. Voor zover alle kosten al verwerkt zijn in de brutopremie, legt onderdeel r geen extra verplichtingen op ten opzichte van onderdeel q.” 2.64. De naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten worden onttrokken aan de spaarkas (van KoersPlan en VermogensPlan) respectievelijk de beleggingen (van FondsPlan). Daarvan te onderscheiden zijn de kosten die ten laste van de bruto-premie komen, doordat zij, net als de overlijdensrisicopremie, daarop worden ingehouden voordat het na deze inhouding resterende deel van premie (de netto-premie) wordt belegd. 2.65.

Sub k, van artikel 2 lid 2 van de Riav, dat zag op de afkoop- of premievrije waarde, is in de Riav 1998 komen te luiden: “indien de overeenkomst voorziet in een afkoop- of premievrije waarde, een opgave van deze waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend” De toelichting vermeldt hierover: “De formulering over afkoop- en premievrije waarde in onderdeel k is aangescherpt ten opzichte van de regeling van 1994. Uit het onderzoek van de Verzekeringskamer blijkt dat het inzicht dat geboden werd in de afkoop- en premievrije waarde op basis van de regeling van 1994 onvoldoende was.

Met de zinsnede ’afkoop- of premievrije waarde’ in het onderhavige onderdeel is bedoeld dat indien de overeenkomst voorziet in zowel een afkoop- als premievrije waarde, een opgave van beide waarden of opgave van de berekeningswijze van beide waarden wordt gegeven. De in de regeling van 1994 gehanteerde term ’indicatie’ gaf aanleiding tot onduidelijkheid. Door schrapping van deze term in de onderhavige regeling, moet een verzekeraar ofwel het bedrag opgeven, ofwel een opgave van de berekeningswijze. Dit impliceert dat de verzekeraar, indien hij een opgave van de berekeningswijze geeft, vooraf dient aan te geven welke kostensoorten voor rekening van de polishouder komen.” 2.66.

Tot slot is in de Riav 1998 artikel 2 lid 2 uitgebreid met onderdeel s, dat inhoudt dat – indien van toepassing – de verzekeringnemer moet worden geïnformeerd over: “het aan de overeenkomst verbonden beleggingsrisico en de mate waarin dit risico ten laste is van de verzekeringnemer” De toelichting op de Riav 1998 vermeldt hierover: “Onderdeel s beoogt dat de verzekeringnemer duidelijk op de hoogte wordt gebracht van het beleggingsrisico dat verbonden is aan levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent en in hoeverre dat voor zijn rekening komt.

Bij veel van de nieuwe overeenkomsten met een beleggingscomponent komt dit risico al dan niet geheel voor rekening van de verzekeringnemer. In geval van rekenvoorbeelden moet duidelijk aangegeven worden wat de effecten zijn van lagere rendementen dan de rendementen die in voorgaande periodes zijn gerealiseerd door het relevante fonds of de passende index-reeks. Met de Code rendement en risico van het Verbond van Verzekeraars wordt door middel van zowel tekstblokken als bepalingen voor rekenvoorbeelden invulling gegeven aan de verplichting om de verzekeringnemer inzicht te verschaffen in het beleggingsrisico.” 2.67.

De op de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten toepasselijke regels zijn verder uitgebreid met het op 1 juli 2002 in werking getreden Besluit financiële bijsluiter (Besluit van 20 december 2001, houdende regels met betrekking tot het door financiële ondernemingen ter beschikking stellen van een financiële bijsluiter bij complexe producten, Stbl. 2001, 670, hierna: Bfb 2002) en de Nadere regeling financiële bijsluiter 2002 (Stcrt. 2002, nr. 121, hierna Nrfb 2002). 2.68. In het aan deze regelgeving voorafgaande advies van de Raad van Financiële Toezichthouders met betrekking tot de Financiële Bijsluiter van 5 juni 2001 staat onder meer:

“Consumenten hebben in het kader van de Financiële Bijsluiter kennelijk niet zozeer behoefte aan meer inzicht in de aard van de kosten doch ‘wat men inlegt en wat het uiteindelijk opbrengt’. Consumenten willen een netto-opbrengst zien.” 2.69. Op grond van artikel 3 Bfb 2002 wordt in de financiële bijsluiter in duidelijke en voor de afnemer begrijpelijke bewoordingen onder meer informatie gegeven over de met het product samenhangende financiële risico’s (i) en het voorbeeldrendement en de voor de afnemer aan het product verbonden kosten (ii).

In de Nrfb worden nadere regels gegeven over de inhoud van de financiële bijsluiter, met meer gedetailleerde voorschriften voor de voorlichting over de beleggingen, de kosten en de premies. 2.70. In 2002 is een nieuwe versie van de CRR ingevoerd. Hierin werd het gebruik van voorbeeldrendementen voorgeschreven, zonder dat de afzonderlijke vermelding van de (hoogte van de) inhoudingen en kosten op de bruto-premie vereist was. 2.71. Vanaf 2006 is de regelgeving over de informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen ingrijpend gewijzigd. Op grond van deze regelgeving diende naast de voorbeeldkapitalen – die nog steeds werden gehanteerd bij de informatieverstrekking bij het aanbieden van beleggingsverzekeringen – afzonderlijk informatie te worden verstrekt over de premies en de kosten. 2.72.

Hierna wordt ‘de regelgeving’ gebruikt ter aanduiding van de in de relevante periode geldende regelgeving met betrekking tot de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten, te weten de Riav, Bfr en Nrfr. De in de relevante periode geldende zelfregulering van de verzekeringsbranche, neergelegd in de opeenvolgende versies van de CRR, wordt hierna aangeduid als ‘de CRR’. (b) de betekenis van het arrest van het HvJEU van 29 april 2015 2.73. Bij de aanduiding van de grondslag van haar verwijten wijst de Vereniging in haar akte op bepalingen uit de Riav die Aegon in haar optiek niet of onvoldoende heeft nageleefd.

Zij stelt voorts dat de wijze waarop Aegon in de relevante periode informatie verstrekte bij het aanbieden van de voorbeeldproducten in strijd is met ongeschreven recht. 2.74. Aegon voert aan dat zij heeft voldaan aan de destijds geldende voorschriften voor informatieverstrekking en betoogt dat er geen ruimte is voor het aannemen van aanvullende verplichtingen op grond van het ongeschreven recht. Daarmee rijst de vraag of op een verzekeraar uit het ongeschreven recht voortvloeiende informatieverplichtingen kunnen rusten. Partijen zijn hierover verdeeld en verwijzen beide naar het arrest van het HvJEU van 29 april 2015. 2.75.

Dat arrest heeft betrekking op de betekenis van het derde lid van artikel 31 Derde Levensrichtlijn, dat bepaalt: “De Lid-Staat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.” Het HvJEU heeft – samengevat – overwogen dat op een verzekeraar op grond van open normen en/of ongeschreven recht in de precontractuele fase een aanvullende verplichting kan rusten om een consument die overweegt een levensverzekering te sluiten, naast de in Bijlage II bij de richtlijn genoemde gegevens, aanvullende informatie over de betreffende verzekering te verstrekken.

Voor het aannemen van deze verplichting dient aan drie cumulatieve voorwaarden te zijn voldaan, te weten: de verlangde aanvullende informatie moet duidelijk en nauwkeurig zijn; de verlangde informatie moet noodzakelijk zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis; de rechtszekerheid voor de verzekeraar is voldoende gewaarborgd, in die zin dat ook de verzekeraar kon voorzien dat hij de aanvullende informatie diende te verstrekken. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of ‘open en/of ongeschreven regels’ (hierna: het ongeschreven recht), aan deze voorwaarden voldoen. 2.76.

De rechtbank volgt Aegon niet in haar betoog dat er geen ruimte is om naast de regelgeving, op het ongeschreven recht gegronde aanvullende eisen te stellen aan de informatieverstrekking van verzekeraars. Zij licht dat als volgt toe. 2.77. De Riav ziet op de (pre)contractuele verhouding tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer en bevat voorschriften voor het aanbod bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst. De toelichting op de Riav vermeldt (in beide versies) dat “de toepassing van deze regeling (wordt) beheerst door het burgerlijk recht”.

Andersom kan de Riav (ook) worden gezien als een invulling van de op de verzekeraar rustende mededelingsplicht bij het aangaan van beleggingsverzekeringen. De wetgever verwijst in de toelichting van beide versies van de Riav – zonder enige beperking – als voorbeeld naar de toepasselijkheid van“de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek)”. Daarmee omvat deze verwijzing naar artikel 6:2 BW zowel de beperkende als de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Hieruit leidt de rechtbank af dat de Riav in de optiek van de wetgever ruimte biedt voor aanvullende, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende normen.

Deze zienswijze strookt met de door de rechtbank toe te passen richtlijnconforme uitleg van de Riav, die inhoudt dat, indien is voldaan aan de drie door het HvJEU geformuleerde eisen, op grond van het ongeschreven recht aanvullende informatieverplichtingen kunnen worden aangenomen. 2.78. Gezien de door het HvJEU gestelde eis dat het voorzienbaar moest zijn voor verzekeraars dat het ongeschreven recht aanvullende eisen aan hen stelde, dient, om in rechte zo’n aanvullende informatieverplichting te kunnen aannemen, vast te staan dat destijds sprake was van een breed gedragen maatschappelijke opvatting dat verzekeraars deze aanvullende informatie – naast de voorgeschreven informatie – moesten verstrekken. 2.79.

Het is in de eerste plaats aan de Vereniging om het ongeschreven recht waarop zij haar verwijten grondt concreet aan te duiden. Daarbij kan van haar in het bijzonder worden gevergd dat zij concrete feiten en omstandigheden stelt waaruit kan worden afgeleid dat het door haar gestelde ongeschreven recht in de relevante periode een breed gedragen maatschappelijke opvatting vormde, waaruit een ongeschreven rechtsnorm kan worden gedestilleerd die aan de door het HvJEU gestelde eisen voldoet. 2.80. Zoals partijen ook tot uitgangspunt nemen, vormde de destijds geldende regelgeving de weerslag van de toen levende maatschappelijke opvattingen over informatieverstrekking door aanbieders van beleggingsverzekeringen.

Vóór 1994 gold het ongeschreven recht, zoals dat in de Riav 1994 is gecodificeerd. Niet ter discussie staat dat de maatschappelijke opvattingen in de loop der tijd zijn gewijzigd en in de relevante periode zijn vastgelegd in de opeenvolgende versies van de Riav en (vanaf 1 juli 2002) daarnaast in het Bft 2002 en de Nrbf 2002. 2.81. De rechtbank gaat ervan uit dat de zelfregulering van de branche in de CRR de weerslag is van de destijds breed gedragen maatschappelijke opvattingen over de informatie die aanbieders van beleggingsverzekeringen dienden te verstrekken.

Redengevend daarvoor is dat de CRR steeds door het Verbond van Verzekeraars is opgesteld in samenspraak met de Consumentenbond. Zowel (vertegenwoordigers van) de aanbieders als (vertegenwoordigers van) de afnemers van beleggingsverzekeringen zijn dus betrokken geweest bij de formulering van daarin neergelegde eisen. Voor zover de CRR destijds aanvullende eisen stelde ten opzichte van de regelgeving, is dat dus ongeschreven recht dat voor Aegon aanvullende verplichtingen met zich bracht. Partijen, die beide naar de CRR verwijzen bij bespreking van de destijds geldende normen voor informatieverstrekking bij het aanbieden van beleggingsverzekeringen, nemen dit ook tot uitgangspunt. 2.82.

Wel stelt de Vereniging dat de CRR ‘bij invoering nog lang niet voldeed’ en wijst zij op kritiek op de CRR en het uitgangspunt van indirecte transparantie. Tijdens de relevante periode geuite kritiek en vragen van Tweede Kamerleden kunnen een indicatie vormen van een breed gedragen maatschappelijke opvatting. Om uit deze kritiek en de vragen een ongeschreven rechtsnorm te kunnen afleiden is echter, mede gezien de door het HvJEU gestelde eisen, vereist dat daaruit een voldoende concrete aanvullende norm valt te destilleren en dat deze aanvullende norm destijds zodanig breed werd onderschreven dat kon worden gesproken van een breed in de maatschappij levende opvatting, die – voorspelbaar voor de verzekeraars – aanvullende eisen stelde aan de informatieverstrekking. 2.83.

Het enkele bestaan van kritiek is dus onvoldoende om daaruit te kunnen afleiden dat deze in de relevante periode de weerslag vormde van een breed gedragen maatschappelijke opvatting, die aan de door het HvJEU gestelde eisen voldeed. Dat kan anders zijn als vaststaat dat de kritiek de weerslag is van de opvattingen van bijvoorbeeld Consumentenorganisaties, Toezichthoudende instanties of brancheverenigingen. Om dezelfde reden is het enkele feit dat Kamervragen zijn gesteld onvoldoende. 2.84. Een deel van de kritiek waarnaar de Vereniging verwijst dateert van na de voor deze zaak relevante periode.

Reeds daarom kan daaraan geen ongeschreven rechtsnorm worden ontleend die relevant is voor deze zaak. Dit geldt voor het feitenonderzoek van de AFM van 9 oktober 2008, waarnaar de Vereniging verwijst en het rapport van de Commissie Transparantie Beleggingsverzekeringen van 20 december 2006, dat zij aanhaalt ter onderbouwing van haar standpunt dat het verzekeringselement van de voorbeeldproducten ‘een farce’ is. 2.85. Wel uit de relevante periode dateert het door de Vereniging genoemde rapport van prof. [A] uit 1995, “Koopsommen en premiestortingen een goudmijn: maar voor wie?”.

Voorts zijn in de relevante periode vragen over (de informatieverstrekking over) beleggingsverzekeringen gesteld door Tweede Kamerleden. Niet steeds valt echter uit deze kritische noten een aanvullende norm te destilleren. Voor zover dit al het geval is, zijn geen aanvullende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken, die de conclusie kunnen dragen dat deze kritiek en vragen een voor de verwijten van de Vereniging relevante ongeschreven rechtsnorm tot uiting brengen, die voldoet aan de door het HvJEU gestelde eisen. 2.86. Onder verwijzing naar uitspraken van het Kifid (het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening) beroept de Vereniging zich op een ongeschreven rechtsnorm, die inhoudt dat informatie over kosten en premies niet mag worden opgenomen in algemene voorwaarden of polisvoorwaarden.

Deze uitspraken binden de rechtbank echter niet. Los daarvan, verschillen deze uitspraken op onderdelen van elkaar en kan uit die uitspraken niet worden afgeleid dat, wat betreft de informatieverstrekking in algemene voorwaarden of polisvoorwaarden, sprake is van een ongeschreven rechtsnorm in de door het HvJEU bedoelde zin. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat het ongeschreven recht destijds eiste dat informatie over kosten en premies niet in de algemene voorwaarden of polisvoorwaarden kon worden opgenomen, temeer nu de toelichting op de Riav met zoveel woorden uitgaat van verstrekking van deze informatie in de polisvoorwaarden, daar waar deze (in beide versies) vermeldt:

“veel van de ingevolge het tweede lid voorgeschreven informatie zal reeds uit de polisvoorwaarden blijken. Voor zover dat niet het geval is, moet de informatie op andere wijze (in de polis of door middel van bijvoorbeeld een brochure) worden verstrekt.” 2.87. De Vereniging stelt voorts dat een ongeschreven rechtsnorm voor de informatieverstrekking over spaarkassen (de voorbeeldproducten KoersPlan VermogensPlan) kan worden afgeleid uit de door een aantal verzekeringsmaatschappijen, waaronder Aegon, uitgegeven brochure ‘Spaarkassparen dat gaat zo!” uit 1985.

In deze brochure, die Aegon tot mei 1999 heeft gehanteerd en die hierna ook wordt aangeduid als ‘de Spaarkas-brochure’ staat onder het kopje “Kosten en opbrengsten”: “De periodieke stortingen zijn opgebouwd uit drie onderdelen: spaarstorting, overlijdensrisicopremie en vergoeding voor de kosten die de maatschappij maakt voor ondermeer het administreren en beheren van de jaarkas. De maatschappij vertelt u hoe deze posten zijn onderverdeeld zodat ook duidelijk is welk deel wordt belegd. Spaarders ontvangen, meestal een keer per jaar, een overzicht van de meest recente uitkeringsresultaten bij afloop van een jaarkas.” 2.88.

Aegon heeft zich als een van de verzekeringsmaatschappijen die deze brochure heeft uitgegeven, in algemene zin gecommitteerd aan de daarin omschreven wijze van informatieverstrekking voor spaarkasverzekeringen. Van Aegon kon op grond daarvan worden verwacht dat zij handelde overeenkomstig hetgeen in deze brochure staat over informatieverstrekking over spaarkasverzekeringen, zoals de voorbeeldproducten KoersPlan en VermogensPlan in de periode 1989 tot mei 1999. Deze, op het ongeschreven recht gebaseerde, door Aegon op zich genomen verplichting, wordt tot uitgangspunt genomen bij de verdere beoordeling.

Daarmee kan onbesproken blijven of dit ongeschreven recht is dat voldoet aan de door het HvJEU gestelde eisen. 2.89. Afgezien van de hierna te bespreken bijzondere zorgplicht, heeft de Vereniging het aan haar verwijten ten grondslag gelegde ongeschreven recht verder niet nader geconcretiseerd. In de opsomming van de geschonden normen per verwijt wijst zij steeds, na een verwijzing naar artikelen uit de Riav, onder meer op ‘het ongeschreven recht’. De Vereniging stelt echter geen concrete feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het ongeschreven recht in de relevante periode op de door haar genoemde punten aanvullende eisen stelde ten opzichte van de regelgeving, de CRR en de door Aegon op zich genomen informatieverplichtingen uit de Spaarkas-brochure.

Ook overigens is niet gebleken van voor de beoordeling van de verwijten van de Vereniging relevante ongeschreven rechtsnormen die aan de door het HvJEU genoemde eisen voldeden, op grond waarvan in 1989 tot en met 2004 voor Aegon op de door de Vereniging genoemde punten, aanvullende informatieverplichtingen golden bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. (c) bijzondere zorgplicht? 2.90. De Vereniging stelt dat op Aegon als aanbieder van beleggingsverzekeringen een bijzondere zorgplicht rust, hetgeen Aegon betwist. 2.91. De rechtbank volgt de Vereniging niet in haar betoog dat de voorbeeldproducten ‘in feite’ beleggingsproducten zijn, omdat het verzekeringsaspect louter secondair is, ‘van ondergeschikt belang’ en ‘alleen maar’ om Aegon in staat te stellen deze te verkopen en vanwege het daarmee samenhangende fiscale voordeel voor de verzekeringnemers.

Ook als dat zo zou zijn – wat onbesproken kan blijven – neemt dat niet weg dat de voorbeeldproducten een verzekeringselement hebben, in de vorm van de uitkeringen bij overlijden vóór de einddatum en bij leven op de einddatum, terwijl het aan dit verzekeringsaspect verbonden fiscale voordeel, naar niet in geschil is, voor veel verzekeringnemers een belangrijke reden was om een beleggingsverzekering aan te gaan. 2.92. In ieder geval zijn de voorbeeldproducten complexe financiële producten, die Aegon als professionele dienstverlener aanbiedt aan consumenten.

Het beleggingselement – met de daaraan verbonden bijzondere kenmerken en risico’s – is een belangrijk onderdeel van de voorbeeldproducten. De gemiddelde consument kan in beginsel als niet deskundig op het terrein van beleggingen worden aangemerkt. Op Aegon rust als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener op het terrein van beleggingsverzekeringen, een bijzondere zorgplicht die ertoe strekt de gemiddelde consument te beschermen tegen de gevaren van een gebrek aan inzicht. Het gegeven dat de voorbeeldproducten ook een verzekeringselement hebben, staat niet in de weg aan deze conclusie.

Juist de combinatie van elementen draagt bij aan de complexiteit van de voorbeeldproducten. 2.93. De inhoud en reikwijdte van de op Aegon als aanbieder van beleggingsverzekeringen rustende bijzondere zorgplicht is vergelijkbaar met de bancaire bijzondere zorgplicht. Deze is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s. De bijzondere zorgplicht noopt tot het verstrekken van informatie over de relevante kenmerken en risico’s van de voorbeeldproducten en kan vergen dat daarvoor wordt gewaarschuwd.

Uit de bijzondere zorgplicht vloeit voort dat Aegon informatie moet verstrekken over de aard en kenmerkende eigenschappen van de voorbeeldproducten, om de verzekeringnemer, die niet beschikt over de bij Aegon aanwezige professionaliteit en deskundigheid, in staat te stellen weloverwogen te kiezen welke beleggingsverzekering het beste bij zijn behoeften past. Als bijzonder deskundig te achten aanbieder van beleggingsverzekeringen rust op Aegon de verplichting om ten aanzien van de complexe voorbeeldproducten die aan een breed publiek zijn aangeboden, zich adequaat de belangen de verzekeringnemers aan te trekken door – indien aan de orde – indringend te waarschuwen voor de aan dit product verbonden specifieke risico’s. Deze waarschuwingsplicht dient ertoe de verzekeringnemer onmiskenbaar duidelijk te maken dat de betreffende overeenkomst tot gevolg kan hebben dat dat specifieke risico zich openbaart. 2.94.

De rechtbank vat de stelling van de Vereniging dat Aegon had moeten waarschuwen voor de door haar gestelde productspecifieke kenmerken (crashrisico en fata morgana-effect) op als de stelling dat Aegon daartoe was gehouden uit hoofde van de op haar rustende bijzondere zorgplicht. Dat zal de rechtbank hierna bespreken. Het per verwijt in de opsomming van de geschonden normen verwijzen naar ‘de bijzondere zorgplicht’, zoals de Vereniging verder heeft gedaan, is onvoldoende om te kunnen aannemen dat voor Aegon aanvullende eisen voortvloeiden uit de bijzondere zorgplicht. (d) slotsom toetsingskader en uitgangspunten voor de verdere beoordeling 2.95.

Uit het voorgaande volgt dat er ruimte bestaat voor op het ongeschreven recht gebaseerde aanvullende normen voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten, naast de daarvoor geldende regelgeving. Wel moet dit ongeschreven recht voldoen aan de door het HvJ EU genoemde eisen. De zelfregulering van de branche in de CRR voldoet aan deze eisen en is dus ongeschreven recht waaraan de rechtbank zal toetsen. Indien en voor zover uit de CRR verstrekkender verplichtingen voortvloeien voor verzekeraars, zijn dat dus op het ongeschreven recht gebaseerde aanvullende informatieverplichtingen, waaraan Aegon zich diende te houden.

De door Aegon met de Spaarkas-brochure op zich genomen informatieverplichting geldt voor KoersPlan en VermogensPlan eveneens als een ongeschreven rechtsnorm waaraan Aegon is gebonden. 2.96. Op Aegon rust als aanbieder van beleggingsverzekeringen een bijzondere zorgplicht. Of deze noopte tot waarschuwen voor de door de Vereniging gestelde productspecifieke kenmerken van de voorbeeldproducten komt hierna aan de orde. Voor het overige is niet gesteld of gebleken dat daaruit aanvullende eisen voortvloeiden naast in de regelgeving en de CRR neergelegde voorschriften betreffende de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten en de door Aegon op zich genomen informatieverplichtingen uit de Spaarkas-brochure. 2.97.

Ook overigens is niet gebleken van voor de beoordeling van de verwijten van de Vereniging relevante ongeschreven rechtsnormen die aan de door het HvJEU genoemde eisen voldeden, op grond waarvan in 1989 tot en met 2004 voor Aegon op de door de Vereniging genoemde punten, naast de toen geldende regelgeving en de CRR, aanvullende informatieverplichtingen golden bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. Aegon heeft zich voor KoersPlan en VermogensPlan gecommitteerd aan de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze van informatieverstrekking. Van Aegon kon op grond daarvan worden verwacht dat zij handelde overeenkomstig hetgeen in deze brochure staat over informatieverstrekking over spaarkasverzekeringen, zoals de spaarkasvoorbeeldproducten KoersPlan en VermogensPlan in de periode 1989 tot mei 1999.

Zoals hiervoor is overwogen, is deze, op het ongeschreven recht gebaseerde, door Aegon op zich genomen verplichting, tot uitgangspunt genomen bij de verdere beoordeling. Voor zover deze verder strekt dan de verplichtingen van Aegon op grond van de regelingen en de CRR, zijn dat aanvullende eisen waaraan Aegon bij Koersplan en VermogensPlan van 1989 tot mei 1999 diende te voldoen. 2.98. Gezien het voorgaande wordt het toetsingskader voor de verwijten ii) en iii) over de informatievoorziening van Aegon over de voorbeeldproducten in de relevante periode gevormd door de regelgeving en de CRR.

Voor KoersPlan en VermogensPlan diende Aegon van 1989 tot mei 1999 informatie te verstrekken op de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze. Beslissend voor het oordeel over de verwijten betreffende informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten, is dus of Aegon de regelgeving en de CRR heeft nageleefd en of zij (van 1989 tot mei 1999) voor KoersPlan en VermogensPlan heeft gehandeld op de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze. 2.99. De regelgeving en de CRR gingen uit van indirecte transparantie, ook toen de daarin neergelegde voorschriften gaandeweg werden aangescherpt.

Niet ter discussie staat dat de informatie over de voorbeeldproducten ook op een andere, meer directe wijze verstrekt had kunnen worden. Voor zover de verwijten van de Vereniging (impliciet) ertoe strekken te betogen dat Aegon had moeten afwijken van dit uitgangspunt van indirecte transparantie, kunnen zij echter niet opgaan. Alsdan zou immers van Aegon worden gevergd dat zij had moeten afwijken van het uitgangspunt dat was neergelegd in de regelgeving en de CRR waaraan zij zich moest houden. 2.100. Het voorgaande betekent dat indien Aegon op de door de Vereniging genoemde punten bij het aanbieden van de voorbeeldproducten gedurende de gehele periode van 1989-2004 de regelgeving en de CRR heeft nageleefd en wat betreft KoersPlan en VermogensPlan van 1989-mei 1999 ook de in de Spaarkas-brochure vermelde informatie heeft verstrekt, zij volgens de toen geldende normen voldoende informatie over deze onderwerpen heeft verstrekt aan de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten om hen in staat te stellen een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze te maken bij het afsluiten van een beleggingsverzekering.

Volgens de toen geldende normen heeft zij – naar de rechtbank als uitgangspunt neemt – in dat geval de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten juist en volledig geïnformeerd over deze onderwerpen bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. In dat geval heeft zij, naar de toen geldende normen, ook geen onjuiste of onvolledige mededelingen over deze onderwerpen gedaan in de zin van artikel 6:194 (oud) BW. 2.101. In de in 2.100 genoemde situatie, treffen de verwijten van de Vereniging dus geen doel en heeft zij zich niet schuldig gemaakt aan de door de Vereniging gestelde misleiding. 2.102.

Als Aegon bij het aanbieden van de voorbeeldproducten gedurende de periode 1989-2004 op de door de Vereniging genoemde punten de regelgeving en de CRR niet heeft nageleefd en wat betreft KoersPlan en VermogensPlan van 1989-mei 1999 de in de Spaarkas-brochure vermelde informatie niet of onvolledig heeft verstrekt, heeft zij naar de toen geldende normen onvoldoende informatie over deze onderwerpen verstrekt aan de verzekeringnemers. In dat geval heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens de betreffende verzekeringnemers van de voorbeeldproducten. Indien aan de overige vereisten daarvoor is voldaan, is Aegon in dat geval aansprakelijk jegens deze verzekeringnemers uit hoofde van onrechtmatige daad.

In deze collectieve actie – die geen betrekking kan hebben op schadevergoeding – gaat het echter alleen om de vraag of Aegon onrechtmatig heeft gehandeld door op de door de Vereniging gestelde wijze haar informatieverplichtingen te schenden. 2.103. In de in 2.102 bedoelde situatie is ook – naar de rechtbank als uitgangspunt neemt – volgens de toen geldende normen geen juiste of volledige informatie over deze onderwerpen verstrekt aan de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten en is een onjuiste of onvolledige mededeling gedaan in de zin van artikel 6:194 (oud) BW. 2.104.

Indien in dat geval, vervolgens, redelijkerwijs aannemelijk is dat de onjuiste of onvolledige mededeling, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang is voor de beleggingsbeslissing van de verzekeringnemer, is sprake van misleiding in de zin van artikel 6:194 BW (oud). Het gaat daarbij om de hierna aan te duiden gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone verzekeringnemer van een beleggingsverzekering. Het is aan de Vereniging, die zich op het rechtsgevolg beroept, een en ander voldoende concreet en onderbouwd te stellen. 2.105.

Bepalend voor de uitkomst van de beoordeling van de verwijten over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten is dus of Aegon de regelgeving en de CRR heeft nageleefd, alsook of zij heeft gehandeld op de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze. B uitgangspunten voor de beoordeling van de verwijten over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten 2.106. Achtereenvolgens worden besproken de bij het aanbieden van de voorbeeldproducten verstrekte informatie (a) en ‘de verzekeringnemer’ die door de rechtbank tot uitgangspunt wordt genomen (b). ( a) de bij het aanbieden van de voorbeeldproducten verstrekte informatie 2.107.

De Vereniging heeft polisbladen, polisvoorwaarden en de algemene voorwaarden van de voorbeeldproducten in de relevante periode in het geding gebracht, die de rechtbank tot uitgangspunt neemt bij haar beoordeling. Deze bescheiden worden hierna tezamen ook aangeduid als ‘de contractdocumenten’. Niet ter discussie staat dat de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten waarvoor de Vereniging opkomt de contractdocumenten hebben ontvangen. 2.108. Daarnaast heeft de Vereniging brochures in het geding gebracht. Ook Aegon heeft brochures in het geding gebracht, onder meer de Spaarkas-brochure (voor KoersPlan en VermogensPlan).

De Vereniging stelt dat Aegon de Spaarkas-brochure niet heeft verstrekt aan haar verzekeringnemers, aangezien nergens in de contractdocumentatie wordt aangegeven dat deze is verstrekt. 2.109. De rechtbank laat onbesproken of de Spaarkas-brochure al dan niet aan alle verzekeringnemers van de spaarkasvoorbeeldproducten KoersPlan en VermogensPlan zijn verstrekt. Voor de hiervoor gedane vaststelling dat Aegon zich in algemene zin heeft gecommitteerd aan de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze van informatieverstrekking – hetgeen ook aan de orde is als zij de brochure niet aan alle verzekeringnemers heeft verstrekt – is niet relevant of deze brochure steeds is verstrekt bij het aanbieden van deze voorbeeldproducten.

Voor het overige betrekt de rechtbank deze brochure niet in haar beoordeling. 2.110. De contractdocumenten werden in de regel na het afsluiten van de voorbeeldproducten toegezonden. Niet in geschil is dat de verzekeringnemer zich op dat moment nog kon onttrekken aan de overeenkomst, aangezien hij binnen twee weken na het afsluiten van de voorbeeldproducten daarvan kon afzien. 2.111. Het merendeel van de voorbeeldproducten is afgesloten via een onafhankelijke tussenpersoon. Aegon wijst op de positie en de eigen verantwoordelijkheid van dergelijke tussenpersonen, overigens zonder daaraan een conclusie te verbinden.

De betekenis hiervan daargelaten, neemt de rechtbank bij de beoordeling van de verwijten tot uitgangspunt dat de betrokkenheid van een tussenpersoon de verantwoordelijkheid van Aegon voor de naleving van de op haar rustende informatieverplichtingen niet wegneemt. Zie ook de toelichting op Riav 1998, waarin staat dat: “de verzekeraar een derde kan inschakelen om namens hem aan de in dit artikel [artikel 2 Riav, toevoeging rechtbank] bedoelde verplichting te voldoen, met dien verstande dat dit niet afdoet aan de verantwoordelijkheid van de verzekeraar.” ( b) ‘de verzekeringnemer’ 2.112.

De Vereniging maakt haar verwijten over de informatieverstrekking in een collectieve actie, waarin in beginsel geen plaats is voor de beoordeling van individuele gevallen. Aegon heeft de informatie over de voorbeeldproducten aangeboden aan een grote groep verzekeringnemers, die in de relevante periode bovendien substantieel is uitgebreid door de toegenomen belangstelling van consumenten voor beleggen. Deze informatie was vervat in gestandaardiseerde contractdocumentatie en brochures. 2.113. De regelgeving voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten strekte ertoe ‘de consument’ te voorzien van de nodige inlichtingen teneinde een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze te maken bij het afsluiten van een beleggingsverzekering.

Het gaat hier om de consument die, om ten volle te kunnen profiteren van de diversiteit en toegenomen concurrentie van een ééngemaakte verzekeringsmarkt met een grotere en meer gediversifieerde keuze, moet beschikken over de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past. Zie de considerans van de Derde Levensrichtlijn (onder 23). 2.114. Deze regelgeving voorzag in standaardisatie van de verstrekte informatie, uitgaande van indirecte transparantie. De in de regelgeving neergelegde normen gelden voor de aanbieding van alle beleggingsverzekeringen.

De regelgeving, gericht op het maken van een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze door de hiervoor bedoelde consument, moet dus geacht worden te zijn afgestemd op de informatie die de gemiddelde verzekeringnemer van een beleggingsverzekering nodig heeft om deze keuze te maken. 2.115. Bij de toetsing aan artikel 6:194 (oud) BW moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument tot wie de mededeling zich richt of die zij bereikt, de ‘maatman’ (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2820, NJ 2010/622, TMF en HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:178 (Stichting Loterijverlies). 2.116.

Gezien het hiervoor geformuleerde uitgangspunt voor de beoordeling – dat inhoudt dat Aegon bij naleving van de regelgeving, de CRR en Spaarkas-brochure op de door de Vereniging genoemde punten bij het aanbieden van de voorbeeldproducten, volgens de toen geldende normen de verzekeringnemers juist en volledig heeft geïnformeerd over deze onderwerpen en geen onjuiste of onvolledige mededelingen over deze onderwerpen heeft gedaan in de zin van artikel 6:194 (oud) BW – gaat de rechtbank bij de beoordeling van deze verwijten over de verstrekte informatie op beide grondslagen uit van dezelfde gemiddelde verzekeringnemer. 2.117.

Bij de invulling van deze tot uitgangspunt te nemen verzekeringnemer zoekt de rechtbank aansluiting bij artikel 6:193a BW, dat thans voor consumenten in de plaats is gekomen van artikel 6:194 (oud) BW en de implementatie vormt van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, waarin wordt verwezen naar de ‘gemiddelde consument’ (de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument) die in de relevante periode is ontwikkeld in de jurisprudentie van het HvJEG over misleidende reclame. Zie bijvoorbeeld HvJEG 16 juli 1998, C-210/96 (Gut Springenheide), HvJ EG 28 januari 1999, C-303/97 (Sektkellerei Kessler), HvJ EG 13 januari 2000, C-220/98 (Lifting) en HvJ EG 4 april 2000, C-465/98 (Adolf Darbo).

In de wetsgeschiedenis van artikel 193a BW is opgemerkt: “Het gebruik van het begrip gemiddelde consument voorkomt dat de handelaar rekening moet houden met iedere consument ongeacht zijn vaardigheden of capaciteiten waaronder bijvoorbeeld de «naïeve» consument.” Zie: TK 2007-2007, nr. 30 928, nr. 3, p 14. 2.118. Voorts zoekt de rechtbank aansluiting bij hetgeen volgens de toen geldende normen werd verwacht van de verzekeringnemer die kennisnam van de op grond van de regelgeving voorgeschreven informatie, die niet te gedetailleerd moest zijn, zorgvuldig en helder en op overzichtelijke wijze moest worden aangeboden, in de polisvoorwaarden en zo nodig aanvullend, bijvoorbeeld in brochures.

De verzekeringnemer waarop de Riav het oog had, werd dus geacht kennis te kunnen opnemen uit verschillende bronnen en de daarin verstrekte informatie met elkaar in verband te brengen. Ook werd het primair tot de eigen verantwoordelijkheid van de verzekeringnemer gerekend dat deze zich op de hoogte stelde van de modaliteiten van het product (zie onder 2.53), hetgeen vanzelfsprekend niet afdoet aan de verplichting van de verzekeraar om hem goed en volledig te informeren. 2.119. Dit een en ander leidt ertoe dat de rechtbank de volgende gemiddelde verzekeringnemer, die verder wordt aangeduid als ‘de verzekeringnemer’ tot uitgangspunt neemt bij de beoordeling van de verwijten over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten: een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument die een beleggingsverzekering afsluit.

Van deze verzekeringnemer mag worden verwacht dat hij bereid is zich te verdiepen in de kenmerken van het voorbeeldproduct en zich af te vragen of het voorbeeldproduct voor hem geschikt is, waarbij denkbaar is dat informatie langs verschillende wegen wordt aangeboden. De verzekeringnemer wordt in beginsel geacht in staat te zijn om verstrekte informatie op waarde te schatten, om zo nodig nadere informatie te zoeken en om vervolgens informatie uit verschillende bronnen met elkaar in verband te brengen. C bespreking van de verwijten over de informatievoorziening bij het aanbieden van de voorbeeldproducten 2.120.

Eerst komt verwijt ii) over het verstrekken van informatie over het crashrisico (a) en het fata morgana-effect (b) aan de orde, daarna verwijt iii) over het verstrekken van informatie over de (eerste) kosten en de overliojdensrisicopremies. verwijt ii) – informatievoorziening over crashrisico en fata morgana-effect ( a) het crashrisico 2.121. Met het crashrisico doelt de Vereniging op het feit dat koersdalingen – zeker aan het eind van de looptijd van een beleggingsverzekering met periodieke inleg – tot gevolg kunnen hebben dat het vermelde voorbeeldeindkapitaal nooit gehaald zal kunnen worden, ook als de vermelde gemiddelde rendementen wel worden gehaald gedurende de looptijd van de polis. 2.122.

Aegon presenteerde bij haar aanbod van de voorbeeldproducten voorbeeldberekeningen met een constant berekend, vast gemiddeld rendement, dat was gebaseerd op historische gegevens. De Vereniging stelt dat hiermee onjuiste en misleidende voorlichting is gegeven, omdat de indruk wordt gewekt dat het crashrisico niet bestaat. Volgens de Vereniging volstaat Aegon ten onrechte met het waarschuwen voor het reguliere aan beleggingen verbonden risico, zonder dit specifieke effect van koersdalingen in relatie met de gepresenteerde eindkapitalen te vermelden. 2.123.

Niet is in geschil dat Aegon nergens met zoveel woorden in de door haar verstrekte informatie aandacht besteedt aan het crashrisico. Omdat de uitkering bij leven – en in sommige gevallen ook de uitkering bij overlijden – van de voorbeeldproducten is gekoppeld aan het resultaat van de beleggingen, loopt de verzekeringnemer beleggingsrisico. Dit is eveneens niet in geschil. Deze, aan de beleggingen gekoppelde uiteindelijke uitkeringen van de voorbeeldproducten zijn als gevolg van het beleggingselement dus intrinsiek onzeker. 2.124. Aegon moest op grond van artikel 2 lid 2 sub s Riav 1998 wijzen op het algemene aan beleggingsverzekeringen verbonden beleggingsrisico.

Ook daarvóór was zij – zoals partijen ook tot uitgangspunt nemen – gehouden dit reguliere beleggingsrisico te vermelden als factor waarvan de uitkering van de voorbeeldproducten afhankelijk was. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 2 lid 2 sub b Riav (beide versies). Nu de Riav 1994 het voorheen geldende ongeschreven recht codificeerde, gold deze verplichting ook vóór de inwerkingtreding van de Riav 1994. Indien – zoals de Vereniging stelt – het crashrisico een afzonderlijke, van het reguliere beleggingsrisico te onderscheiden, factor is waarvan de uitkering afhankelijk is, had Aegon dit specifieke risico op grond van artikel 2 lid 2 sub b Riav (beide versies) en het daarvoor geldende, in de Riav 1994 gecodificeerde ongeschreven recht moeten vermelden als factor waarvan de uitkering afhankelijk is. 2.125.

Niet in geschil is dat Aegon bij haar aanbod van de voorbeeldproducten informatie heeft verstrekt over en heeft gewaarschuwd voor het reguliere beleggingsrisico. Dat is het risico dat aandelen (of andere effecten) in waarde kunnen stijgen of dalen als gevolg van koersbewegingen. Aegon weerspreekt niet dat, zoals de Vereniging onder verwijzing naar de geschiedenis van de AEX stelt, forse koersdalingen gemiddeld elk decennium wel een keer voorkomen. Wanneer is niet te voorspellen, maar statistisch zijn zulke koersdalingen met grote zekerheid te verwachten.

Niet is in geschil dat dit reguliere beleggingsrisico ertoe kan leiden dat het bij het aanbod genoemde voorbeeldkapitaal niet gehaald wordt. 2.126. De voorbeeldproducten onderscheiden zich van regulier beleggen in effecten of in beleggingsfondsen doordat zij een vaste looptijd hebben en – afgezien van de gevallen waarin dat op grond van de toepasselijke productvoorwaarden kosteloos kan – niet zonder nadelige gevolgen (zowel kostentechnisch als fiscaal) tussentijds kunnen worden beëindigd. De Vereniging stelt dat Aegon had moeten waarschuwen voor het crashrisico in verband met deze onderscheidende kenmerken van de voorbeeldproducten, die maakten dat de verzekeringnemer in beginsel voor de duur van de looptijd ‘vast’ zat aan het fonds waarin wordt belegd. 2.127.

Aegon betoogt dat het door de Vereniging aangeduide crashrisico niets anders is dan het reguliere beleggingsrisico en dat zij niet aanvullend behoefde te waarschuwen voor dit aspect daarvan. De Vereniging stelt dat het crashrisico een geheel ander risico is, dat geldt voor de voorbeeldproducten die een relatief lange looptijd hadden en in het bijzonder aan de orde is bij een periodiek ingelegde premie. Het crashrisico betekent namelijk dat, ook als de genoemde gemiddelde rendementen worden behaald, koersdalingen tot gevolg kunnen hebben dat het gepresenteerde eindkapitaal aan het eind van de looptijd niet gehaald wordt.

De Vereniging stelt dat een forse afwijkende waardeontwikkeling als gevolg van het crashrisico geen uitzondering is. 2.128. Gezien het voorgaande bestaat het reguliere beleggingsrisico van de voorbeeldproducten uit koersfluctuaties van de opgebouwde beleggingen gedurende de in beginsel vaste, lange looptijd van de voorbeeldproducten. Dit is een factor waarvan de uitkering aan het eind van de looptijd afhankelijk is. Gezien de lange looptijd van de voorbeeldproducten zijn forse koersdalingen gedurende de looptijd met grote zekerheid te verwachten, zij het dat niet te voorspellen is wanneer deze koersdalingen zich kunnen voordoen.

Iedere koersbeweging, ongeacht het moment waarop deze zich voordoet, beïnvloedt de uitkering aan het einde van de looptijd, waarvan vanwege die onvoorspelbare koersbewegingen intrinsiek onzeker is of die (bij benadering) gelijk zal zijn aan het voorbeeldkapitaal dat is gepresenteerd op basis van historische rendementen. 2.129. Gelet hierop is de rechtbank, met Aegon, van oordeel dat hetgeen de Vereniging aanduidt als het crashrisico, niets anders is dan het intreden van dit reguliere beleggingsrisico op een voor de verzekeringnemer ongunstig tijdstip.

Daarmee is het crashrisico een onderdeel van het reguliere beleggingsrisico, waarvan niet te voorspellen is wanneer dat zich zal voordoen en wat de gevolgen daarvan zullen zijn voor de waardeontwikkeling van de beleggingen van de voorbeeldproducten. Aangetekend wordt dat niet kan worden aangenomen dat iedere koersdaling – ook niet indien deze zich later in de looptijd voordoet – zonder meer met zich brengt dat het genoemde eindkapitaal niet wordt gehaald. Dat hangt af van factoren als de resterende looptijd van de verzekering, de omvang en duur van de koersdaling, eventuele koersstijgingen alsmede eventuele tussentijdse aanpassingen van de voorbeeldproducten.

Inherent aan het reguliere beleggingsrisico is dat de resultaten vanwege koersbewegingen – die zeker over een langere periode die zich verder in de toekomst uitstrekt niet of moeilijk te voorspellen zijn – anders kunnen uitvallen dan gehoopt of voorzien. Inherent aan het risico van beleggen in een fonds gedurende een vaste looptijd is dat een koersbeweging zich op een ongunstig tijdstip kan voordoen, waardoor het effect op de beleggingen zodanig is dat het gepresenteerde eindkapitaal nooit zal kunnen worden gehaald, ook niet als het gemiddelde rendement – van de koersen die kunnen bewegen – gedurende de hele looptijd gelijk is aan het gepresenteerde gemiddelde voorbeeldrendement. 2.130.

Het gestelde crashrisico is dus geen afzonderlijk te vermelden factor waarvan de uitkering afhankelijk is. Aegon behoefde haar afnemers niet afzonderlijk voor te lichten over of te waarschuwen voor dit aspect van het reguliere beleggingsrisico. Reeds omdat dit geen specifiek, van het reguliere beleggingsrisico te onderscheiden risico van de voorbeeldproducten is, vergde de op Aegon rustende bijzondere zorgplicht niet dat Aegon hiervoor waarschuwde. 2.131. De Vereniging stelt nog dat Aegon met de wijze waarop informatie over het reguliere beleggingsrisico wordt verstrekt, juist de indruk wekt dat het crashrisico niet bestaat, bijvoorbeeld in de brochure van FundPlan uit 1990, waarin staat:

“koersfluctuaties zijn bij aandelen groter, maar gemiddeld geven ze op de langere termijn een hoger rendement.” Volgens de Vereniging wordt in de daarbij weergegeven grafiek, waarin het gemiddelde als een constante lijn is weergegeven, geen rekenschap gegeven van het crashrisico, terwijl andere brochures van FundPlan volgens de Vereniging ook een ‘misleidende grafiek’ met een vast gemiddeld rendement bevatten. 2.132. Deze stelling treft geen doel, net zo min als het – in algemene termen geformuleerde – standpunt van de Vereniging dat de uitkering die Aegon op grond van een constant rendement voorrekende geen nauwkeurige inschatting was van het te behalen eindkapitaal en dat de economische gevolgen van het crashrisico niet inzichtelijk werden gemaakt.

Het door de Vereniging aangehaalde citaat duidt op het feit van algemene bekendheid dat met beleggen in aandelen op de langere termijn hogere rendementen kunnen worden behaald, terwijl daaraan – vanwege de koerschommelingen – grotere risico’s verbonden zijn dan aan andere vormen van kapitaalopbouw. De standpunten van de Vereniging over de berekeningen en de grafische weergave gaan eraan voorbij dat geen peil erop is te trekken wanneer de forse koersdalingen, die zich – naar niet in geschil is – naar redelijke verwachting gedurende de looptijd zullen voordoen, zich daadwerkelijk zullen manifesteren, temeer daar niet gezegd is dat de koersdaling zich steeds voordoet op een moment gedurende de looptijd dat de koersdaling leidt tot de gestelde ‘crash’ waardoor het gestelde eindkapitaal nimmer kan worden gehaald.

De aan beleggingen inherente koersbewegingen kunnen er evengoed toe leiden dat het eindkapitaal juist veel hoger uitvalt. 2.133. Dit een en ander staat ook in de weg aan het honoreren van hetgeen de Vereniging naar voren brengt over soortgelijke passages uit brochures van de andere voorbeeldrendementen en de berekeningen op basis van constant berekende rendementen. Daarbij komt dat, nog daargelaten dat Aegon terecht opmerkt dat een constant rendement per definitie ook een gemiddeld rendement is, bij zowel het gebruik van een constant als een gemiddeld rendement het eindkapitaal afhankelijk is van de ontwikkeling van de koersen en dus kan afwijken van het voorbeeldeindkapitaal, temeer daar intrinsiek onzeker is wanneer de koersontwikkelingen waarop het crashrisico ziet zich voordoen. 2.134.

De slotsom luidt dat het verwijt over het niet vermelden van het crashrisico geen doel treft. In het verlengde hiervan faalt het verwijt van de Vereniging dat Aegon, nadat het crashrisico zich in 2001 en in 2008 manifesteerde, geen actie heeft ondernomen om haar klanten te waarschuwen en om de geleden schade te repareren. Bij gebrek aan enige gehoudenheid van Aegon tot voorlichting over dit aspect van het reguliere beleggingsrisico, heeft Aegon haar afnemers niet misleid door het crashrisico niet te vermelden en is er geen juridische grondslag voor schadeplichtigheid van Aegon in verband met dit gestelde nalaten. 2.135.

Het door de Vereniging benadrukte, in voorkomende gevallen ‘desastreus’ uitpakken van het optreden van het crashrisico leidt niet tot een ander oordeel. Niet in geschil is dat koersdalingen verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de waarde van de beleggingen en ook op het na afloop van de looptijd van de voorbeeldproducten uit te keren eindkapitaal, voor zover dat niet uit een gegarandeerd bedrag bestond. Dat is echter het reguliere beleggingsrisico. ( b) het fata morgana-effect 2.136. Het fata morgana-effect komt volgens de Vereniging in de kern erop neer dat de voorbeeldberekeningen die Aegon hanteerde onjuist of misleidend zijn.

De eerste twee door de Vereniging gestelde varianten van dit effect hebben betrekking op het verschil tussen twee berekeningswijzen van het voorbeeldkapitaal: de (voorgeschreven) meetkundige berekening en de rekenkundige berekening. Bij een meetkundige berekening worden de effecten van de koersbewegingen – die gemiddeld gelijk zijn aan het gelijkblijvende stijgingspercentage – in de berekening verdisconteerd. De effecten van de koersbewegingen worden niet verdisconteerd bij een rekenkundige berekening, waarbij de waarde wordt berekend met een jaarlijks gelijkblijvend stijgingspercentage.

De eerste door de Vereniging gestelde variant van het fata morgana-effect ziet op de periode vóór invoering van de CRR in 1997, het tweede op de periode vanaf 1997. Volgens de Vereniging doen deze varianten zich bij alle drie de voorbeeldproducten voor. de periode vóór 1997 2.137. Niet in geschil is dat de gepresenteerde voorbeeldkapitalen vóór en na 1997 op meetkundige wijze moesten worden berekend. De Vereniging stelt in algemene termen dat ‘verzekeraars’ vóór 1997 bij het maken van de voorbeeldberekeningen geen rekening hielden met de volatiliteit en de berekeningen opstelden aan de hand van een normaal (rekenkundig) gemiddelde.

Zij stelt dat zij niet kan vaststellen hoe de door Aegon gebruikte voorbeeldrendementen tot stand zijn gekomen en wijst erop dat Aegon vóór 1997 bij een groot aantal producten ieder jaar opnieuw met dezelfde voorbeeldpercentages rekende, terwijl voorts veelal werd gerekend met afgeronde jaarrendementen (bijvoorbeeld 10%, 12% en 14%), hetgeen erop lijkt te wijzen dat geen rekening werd gehouden met de daadwerkelijke koersontwikkeling van het fonds waarin werd belegd; een historische reeks zal niet snel op een exact afgerond getal uitkomen, aldus de Vereniging, die ter onderbouwing van haar standpunt over het vóór 1997 hanteren van de rekenkundige methode verder verwijst naar de door haar in het geding gebrachte rapporten van Capital Consult. 2.138.

Uit het door de Vereniging in het geding gebrachte rapport van Capital Consult blijkt niet dat Aegon, afgezien van de afloopjaren 1992 en 1993 ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan, in de relevante periode voorbeeldrendementen van de voorbeeldproducten rekenkundig heeft berekend. Aegon erkent dit. Voor het overige heeft de Vereniging haar, door Aegon gemotiveerd betwiste, stelling dat Aegon tot 1997 de rendementen van de voorbeeldproducten structureel op onjuiste, want rekenkundige wijze berekende, op geen enkele manier geconcretiseerd. Zij heeft ook niet weersproken dat het destijds gebruikelijk was om afgeronde percentages te noemen, hetgeen overigens past bij het destijds geldende uitgangspunt dat niet te gedetailleerde, betrekkelijk makkelijk toegankelijke informatie moest worden verstrekt.

De afgeronde getallen waarop de Vereniging wijst, zijn dus op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat Aegon de rendementen niet op meetkundige wijze berekende, dan wel dat deze op willekeurige wijze werden vastgesteld. 2.139. Wat rest, is de vaststelling dat Aegon het rendement van KoersPlan en VermogensPlan in de afloopjaren 1992 en 1993 op onjuiste wijze, want rekenkundig, heeft berekend. Onbetwist is dat Aegon bij de berekening van de rendementen de historische rendementen van de laatste zes jaar hanteerde. Aegon heeft concreet en met berekeningen onderbouwd uiteengezet dat het verschil tussen de over de afloopjaren 1992 en 1993 meetkundig en rekenkundig berekende rendementen vrijwel geen invloed heeft gehad op de over zes jaar berekende bedragen van de voorbeeldkapitalen waarvoor deze onjuist berekende rendementen zijn gebruikt. 2.140.

Tegenover dit verweer van Aegon had de Vereniging dit verwijt in haar akte moeten concretiseren en nader moeten onderbouwen. De enkele verwijzing naar r.o. 4.50 en 4.51 van het arrest van het gerechtshof in de KoersPlanzaak is daartoe onvoldoende. De overwegingen van het gerechtshof in dat arrest gelden niet zonder meer voor deze zaak, temeer nu de verwijten in deze zaak betrekking hebben op een langere periode dan bij KoersPlan aan de orde was. De enkele, in verband met deze verwijzing, geponeerde stelling van de Vereniging dat een afwijking in het jaarrendement van 1%, naar Aegon ‘zeer wel bekend’ is grote gevolgen heeft, is in dit verband onvoldoende.

Dit verwijt gaat dus niet op. de periode na 1997 2.141. Niet in geschil is dat Aegon na 1997 de voorbeeldkapitalen op de juiste (meetkundige) wijze berekende, met verdiscontering van de koersbewegingen van de beleggingen. Toepassing van de meetkundige rekenmethode leidt tot lagere rendementspercentages en tot een lager voorbeeldkapitaal, dan toepassing van de rekenkundige methode, waarin het effect van de koersbewegingen niet is verdisconteerd. “Waar de schoen wringt”, in de woorden van de Vereniging, is dat de verzekeringnemer, die niet op de hoogte is van de werking van de volatiliteit en de bij de meetkundige berekening gebruikte wiskundige formule niet kent, op geen enkele wijze kenbaar wordt gemaakt dat wordt gerekend met een meetkundig gemiddelde.

De gemiddelde consument rekent volgens de Vereniging met het gewone rekenkundig gemiddelde en beziet de voorbeeldkapitalen aldus met een ‘rekenkundige bril’. Het betoog van de Vereniging komt erop neer dat verzekeringnemers daarbij zelf, en op een rekenkundige manier, de voorbeeldrendementen gingen afzetten tegen de gemiddelde beleggingsrendementen en dan bedrogen uitkwamen, omdat zij de (lagere) meetkundige gemiddelden vergeleken met de rekenkundig benaderde werkelijke gemiddelden. 2.142. Aegon heeft hieraan geen aandacht besteed in haar informatieverstrekking, die daarom in de visie van de Vereniging onvolledig en misleidend was;

Aegon, die de wijze waarop de gemiddelde consument de berekeningen zou bezien kende, althans moest kennen, gaf volgens de Vereniging een onjuist en te rooskleurig beeld, daar waar zij had moeten waarschuwen voor de werking van de volatiliteit en het verschil tussen het rekenkundig en meetkundig gemiddelde. De Vereniging heeft de volgende waarschuwing geformuleerd: “Let op: dit voorbeeld is berekend op basis van het meetkundig gemiddelde (een wiskundige rekenvariant), waarmee wij rekening hebben gehouden met het negatieve effect van koersschommelingen op de waarde van uw beleggingen.

Om het geprognosticeerde kapitaal daadwerkelijk te behalen zal de koers van uw beleggingen gemiddeld met een hoger percentage per jaar, namelijk x% dienen te stijgen. Uw adviseur licht dit graag verder toe.” 2.143. De rechtbank laat onbesproken of de verzekeringnemeer de door de Vereniging veronderstelde rekenkundige berekeningen maakte. Zij gaat veronderstellenderwijs ervan uit dat de verzekeringnemer, zoals de Vereniging stelt, met een ‘rekenkundige bril’ keek naar de meetkundig berekende voorbeeldkapitalen. 2.144. Het hanteren van het meetkundig gemiddelde past bij de destijds tot uitgangspunt genomen indirecte transparantie, waarbij de factoren waarvan de uitkering afhankelijk was moesten worden verdisconteerd in gepresenteerde voorbeeldrendementen en netto-eindkapitalen.

De gegeven voorbeelden waren daarmee – naar niet in geschil is – de resultante van een complexe (meetkundige) berekening waarin verschillende factoren waren verdisconteerd. Het verdisconteerde beleggingsrisico was gebaseerd op historische gegevens, die – naar niet ter discussie staat – geen voorspellende waarde hebben voor de toekomstige koersontwikkelingen van de beleggingen, die op niet te voorspellen momenten fors konden fluctueren. 2.145. De door de Vereniging aangeduide rekenkundige benadering bij het bezien van de voorbeeldrendementen en netto-voorbeeldkapitalen sluit dus niet aan bij de informatieverstrekking op grond van de destijds geldende regelgeving en de CRR.

Nu Aegon op grond daarvan en het vóór 1994 geldende ongeschreven recht gehouden was de in de voorbeeldberekeningen verdisconteerde factoren te noemen waarvan de uitkering afhankelijk was, behoefde zij niet nog eens afzonderlijk te vermelden dat de uitkomsten van deze gebruikte meetkundige rekenmethode anders waren dan de uitkomst bij gebruikmaking van de rekenkundige methode, waarin die factoren niet verdisconteerd waren. Dit verwijt gaat dus niet op. productrendement/fondsrendement 2.146. De derde variant van het fata morgana-effect doet zich volgens de Vereniging voor bij de spaarkasovereenkomsten KoersPlan en VermogensPlan.

Zij stelt dat Aegon de rendementen van deze twee voorbeeldproducten op onjuiste en misleidende wijze heeft gepresenteerd, omdat vóór 1998 is nagelaten te vermelden dat werd gerekend met een productrendement, dat lager is dan het fondsrendement. Aegon had volgens de Vereniging moeten vermelden dat de beleggingen een hoger rendement moesten behalen om de genoemde eindkapitalen te halen. 2.147. Aegon wijst erop dat niet alleen vanaf 2000 in de certificaten van deze twee voorbeeldproducten informatie werd gegeven over het verschil tussen het fondsrendement en productrendement, maar ook in de brochures vanaf 1997.

De Vereniging onderschrijft dit, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit verwijt ziet op de documentatie van vóór 1997, die – naar niet in geschil is – geen uitleg bevatte over het verschil tussen deze twee rendementen. 2.148. Op grond van de op 1 oktober 1997 in werking getreden versie van de CRR kon het rendement waarmee het voorbeeldkapitaal kan worden berekend zowel een fonds- als een productrendement zijn. Indien het productrendement werd gehanteerd, diende dit uitdrukkelijk te worden vermeld. Voordien was er geen voorschrift over de wijze waarop de soorten rendement moesten worden weergegeven.

Bij het gebruik van het productrendement, behoefde dat dus niet uitdrukkelijk te worden vermeld. Daarmee heeft Aegon geen op haar rustende verplichting geschonden door vóór 1997 bij gebruik van het productrendement dit niet uitdrukkelijk te vermelden. de in de KoersPlanzaak vastgestelde misleiding bij het presenteren van de voorbeeldkapitalen 2.149. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof in de KoersPlanzaak stelt de Vereniging dat Aegon in de brochures van KoersPlan en VermogensPlan in de periode van 1989 tot en met 1997 onjuiste en daarmee misleidende voorbeeldkapitalen heeft gepresenteerd. 2.150.

Het gerechtshof heeft wat betreft de voorbeeldkapitalen op twee punten vastgesteld dat Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding met onvolledige en onjuiste contractdocumentatie. Het eerste door het gerechtshof genoemde punt komt, samengevat, erop neer dat in de brochures van KoersPlan van 1989 tot en met 1994 voorbeeldkapitalen zijn getoond die door geen enkele maatman gehaald konden worden. Het tweede, hiermee samenhangende, punt is dat in de brochures van 1989 tot en met 1994 voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 is uitgegaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden.

De tabellen over de jaren 1983 tot en met 1998 toonden hierdoor te hoge rendementen, die het verschil tussen het gepresenteerde rendement – dat door geen enkele maatman gehaald kon worden – en het werkelijk haalbare rendement vergrootten. 2.151. De Vereniging betoogt, zo begrijpt de rechtbank, dat deze vaststellingen ook gelden in deze zaak ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan. Aegon, op wiens weg het ligt dit standpunt gemotiveerd te betwisten, heeft in algemene termen aangevoerd dat voor het merendeel van de verzekeringnemers de geïndividualiseerde rendementen gelijk of hoger uitvallen vergeleken met de in de brochures getoonde voorbeeldrendementen en voorts dat het hanteren van een andere risicopremie dan die van de maatman en een termijn van 15,5 in plaats van 15 jaar slechts een zeer beperkt effect heeft op het rendement. 2.152.

Het oordeel van het gerechtshof is niet bindend in deze zaak. Dat neemt niet weg dat van Aegon een meer concrete en onderbouwde betwisting mocht worden verwacht ten aanzien van de brochures van KoersPlan 1989 tot en met 1994. Nu die ontbreekt, staat tussen partijen vast dat de brochures van KoersPlan over de jaren 1989 tot en met 1994 op dezelfde punten onvolledig en onjuist waren, zodat daarmee onvoldoende informatie werd verstrekt. Aegon heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij de verzekeringnemers hiermee heeft misleid. Deze verwijten van de Vereniging treffen dus doel. 2.153.

Ten aanzien van de brochures van KoersPlan over de jaren 1995 tot en met 2004 en de brochures van VermogensPlan is de enkele verwijzing van de Vereniging naar het oordeel van het gerechtshof in de KoersPlanzaak, zonder nadere toelichting – die ontbreekt – echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat Aegon ook in die brochures op deze punten onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt. Voor deze brochures gaan deze verwijten van de Vereniging dus niet op. 2.154. In dit verband stelt de Vereniging nog dat Aegon tot en met 1997 bij KoersPlan en VermogensPlan niet heeft vermeld hoe de overlijdensrisicopremies werden vastgesteld, welke factoren daarbij van belang waren en hoe de premie de kapitaalopbouw kon beïnvloeden. 2.155.

Ook dit verwijt treft geen doel. Deze door de Vereniging genoemde specifieke informatie over de overlijdensrisicopremie behoefde niet te worden verstrekt op grond van de regelgeving of de CRR en op het daarvóór geldende ongeschreven recht. De Spaarkas-brochure noopt daar ook niet toe. De op Aegon rustende bijzondere zorgplicht stelt geen aanvullende eisen ten aanzien van de in het kader van het fata morgana-effect verweten wijze van informatieverstrekking. Slotsom fata morgana-effect 2.156. Dit verwijt treft doel ten aanzien van de brochures van KoersPlan van 1989 tot en met 1994, waarin Aegon onjuiste voorlichting heeft gegeven en een misleidende mededeling heeft gedaan door: voorbeeldkapitalen te tonen die door geen enkele maatman gehaald konden worden en voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 uit te gaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden. 2.157.

Voor het overige gaan de verwijten van de Vereniging over het gestelde fata morgana-effect niet op. Aegon heeft bij het presenteren van de voorbeeldkapitalen op de door de Vereniging genoemde onderdelen niet gehandeld in strijd met de regelgeving, de CRR of de door Aegon ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan op zich genomen verplichting uit de Spaarkas-brochure. De op Aegon rustende bijzondere zorgplicht stelde geen aanvullende eisen ten aanzien van de in het kader van het fata morgana-effect verweten wijze van informatieverstrekking. De rechtbank tekent daarbij aan dat dit verwijt, dat wordt gepresenteerd als betrekking hebbend op een risicovol productspecifiek kenmerk van de voorbeeldproducten, bij nadere beschouwing ziet op de wijze waarop Aegon voorlichting verstrekte over die producten, namelijk met behulp van de voorbeeldkapitalen.

Het verwijt ziet dus niet op specifieke risicovolle eigenschappen van de voorbeeldproducten waarvoor op grond van de bijzondere zorgplicht mogelijk een waarschuwingsplicht kan bestaan, maar op het uitgangspunt van indirecte transparantie en de wijze waarop Aegon daaraan invulling heeft gegeven met de door haar gepresenteerde voorbeeldberekeningen. verwijt iii) – informatieverstrekking over (het effect van) de (eerste) kosten en de overlijdensrisicopremie 2.158. Achtereenvolgens komen aan de orde de verwijten over informatieverstrekking over de kosten (A) en over de overlijdensrisicopremie (B).

A informatieverstrekking over de kosten 2.159. Voorafgaand aan het bespreken van de verwijten over informatieverstrekking over (het effect van) de (eerste) kosten, stelt de rechtbank het volgende voorop met betrekking tot de informatieverstrekking over de kosten van de voorbeeldproducten. 2.160. De verzekeringnemer betaalt een prijs: de premie. De kosten van de voorbeeldproducten worden op twee manieren in rekening gebracht. In de eerste plaats komen kosten ten laste van de bruto-premie, doordat zij net als de overlijdensrisicopremie daarop worden ingehouden voordat het na deze inhouding resterende deel van premie (de netto-premie) wordt belegd.

Als tweede worden kosten in rekening gebracht door deze te onttrekken aan de spaarkas (van KoersPlan en VermogensPlan) respectievelijk de beleggingen (van FondsPlan). Dat zijn de in de regelgeving aangeduide kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht en die sinds inwerkingtreding van de Riav 1998 afzonderlijk vermeld moeten worden. 2.161. De destijds toepasselijke regelgeving voorzag in een algemene verplichting om de factoren te noemen waarvan de uitkering afhankelijk was. Deze verplichting was neergelegd in artikel 2 lid 2 sub b Riav 1998.

Uit de toelichting kan worden afgeleid dat deze bepaling in de optiek van de wetgever een daarvóór op grond van artikel 2 lid 2 sub b Riav 1994 reeds bestaande, maar niet steeds nageleefde verplichting expliciteerde. Deze verplichting om de factoren waarvan de uitkering afhankelijk is te vermelden bij het aanbieden van beleggingsverzekeringen bestond dus reeds op grond van de Riav 1994. Nu, zoals partijen ook tot uitgangspunt nemen, de Riav 1994 de daarvóór bestaande ongeschreven zorgvuldigheidsnormen expliciteerde, gold deze verplichting ook vóór inwerkingtreding van de Riav 1994.

De rechtbank voegt daaraan toe dat het indirect inzicht geven in het onzekere resultaat van de inleg van de premie zinledig is zonder de factoren te noemen waarvan de uitkering op de einddatum afhankelijk is. Zonder te weten van welke factoren de uitkering afhankelijk is, is een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze voor een beleggingsverzekering niet goed denkbaar. Als uitgangspunt geldt dus dat de informatieverstrekking zonder de factoren te noemen waarvan de uitkering afhankelijk is, onjuist en onvolledig is. 2.162. Niet in geschil is dat de kosten een factor vormen waarvan de uitkering afhankelijk is.

Dat geldt zowel voor de kosten die ten laste van de bruto-premie komen als de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht, door ze te onttrekken aan de spaarkas dan wel de beleggingen. Aegon diende de kosten dus gedurende de gehele relevante periode te noemen als factor waarvan de uitkering afhankelijk was, door bijvoorbeeld duidelijk te maken dat de gegeven voorbeeldkapitalen nettoresultaten zijn na aftrek van kosten dan wel anderszins duidelijk te maken dat kosten van invloed zijn op het op de einddatum te behalen beleggingsresultaat. 2.163.

Er zijn geen aanknopingspunten om te oordelen dat deze verplichting naar de toen geldende maatstaven ook het noemen van kostensoorten omvatte, zoals de Vereniging betoogt. De door de Vereniging gestelde verplichting staat op gespannen voet met de destijds geldende opvattingen die onder meer blijken uit de hiervoor geciteerde passages (zie 2.49 en 2.68). Daaruit volgt dat gedetailleerde informatie niet nodig werd geacht. Het ging om de prijs in de zin van eindprijs, waarbij wel moest worden vermeld dat kosten een factor waren waarvan de uitkomst afhankelijk was.

Het niet nodig achten om de kostensoorten te vermelden kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de onder 2.68 aangehaalde opvatting van de wetgever dat de kosten van de assurantietussenpersoon (die ook deel konden uitmaken van de ‘eerste kosten’) niet behoefden te worden genoemd. 2.164. In het destijds als uitgangspunt geldende systeem van indirecte transparantie werd informatie over kosten indirect gegeven met behulp van voorbeeldkapitalen. Tot de invoering van de Riav 1998 werd in de regelgeving geen onderscheid gemaakt tussen naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten en kosten die ten laste van de bruto-premie kwamen.

In de Riav 1998 wordt dit onderscheid wel gemaakt en moest de verzekeraar – indien van toepassing – kennis geven van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten. Uit de toelichting blijkt dat niet kan worden volstaan met het noemen van de kostensoort; deze kennisgeving “betreft (…) niet slechts de kostensoorten, maar ook een kwantitatieve weergave van de kosten”. De verzekeraar moest vanaf 1 januari 1999 dus informatie geven over de soort en (gekwantificeerde) hoogte van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten. 2.165.

Hieruit volgt dat vanaf de inwerkingtreding van de Riav 1998 het indirect informeren over de kosten van de voorbeeldproducten alleen nog aan de orde was voor kosten die ten laste van de bruto-premie kwamen, dus kosten die tegelijk met de overlijdensrisicopremie werden ingehouden op de bruto-premie alvorens het restant werd belegd. 2.166. De Vereniging stelt dat Aegon is tekortgeschoten in haar verplichting haar afnemers juist, duidelijk en volledig voor te lichten over (de effecten van) de (eerste) kosten die werden ingehouden, door de (hoogte van) verschillende kosten en inhoudingsposten in het geheel niet te noemen (i), door de kosten in de polisvoorwaarden en algemene voorwaarden op te nemen (ii) en niet te wijzen op de gevolgen van de kosten voor het te behalen rendement, door op geen enkele manier te vermelden op welke wijze de kosten van invloed waren op het op te bouwen kapitaal en op welke wijze fluctuerende beleggingsrendementen in combinatie met de kosten en inhoudingen het op te bouwen kapitaal beïnvloedden (iii). 2.167.

Hiervoor is reeds overwogen dat er in de relevante periode geen ongeschreven rechtsregel bestond die eraan in de weg stond dat de informatie over de (hoogte van de) kosten in de algemene voorwaarden werd opgenomen. Daarmee is het lot van deelverwijt ii) gegeven. ( a) niet noemen van (de hoogte van) wel in rekening gebrachte kosten KoersPlan en VermogensPlan 2.168. Dit deelverwijt i) over het niet noemen van (de hoogte van) wel in rekening gebrachte kosten ziet ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan in de eerste plaats op kosten die vanaf 2000 wel worden genoemd in de door Aegon verstrekte overzichten en die niet zijn genoemd bij het aanbieden van de voorbeeldproducten.

Het gaat om ‘aan- en verkoopkosten’ en ‘fondsbeheerkosten’. fondsbeheerkosten 2.169. Niet in geschil is dat de vanaf 2000 door Aegon vermelde fondsbeheerkosten een vergoeding voor de fondsmanager en het beheer van het beleggingsfonds betreffen. Deze kosten worden ten laste gebracht van het fondsvermogen en waren verdisconteerd in de koers van het fonds. Daarmee zijn deze kosten verdisconteerd in het (historisch) rendement op basis waarvan de voorbeeldeindkapitalen zijn berekend. Aegon heeft informatie over deze kosten verstrekt via de voorbeeldkapitalen.

Uit de destijds geldende voorschriften vloeide niet voort dat zij meer of andere informatie over deze kosten moest verstrekken. Dit verwijt van de Vereniging faalt dan ook. aan- en verkoopkosten 2.170. De Vereniging heeft hiermee het oog op de vanaf 2000 in artikel 6 van de productinformatie bij Koersplan genoemde aan- en verkoopkosten: “Deze bedragen bij een belegging bestaande uit aandelen en/of andere effecten respectievelijk 0,4% van de waarde ingebracht in het fonds en 0,3% van de waarde onttrokken aan het fonds.” 2.171. Aegon voert aan dat zij gedurende de gehele relevante periode voorlichting heeft gegeven over deze kosten, door vóór 2000 in de contractdocumentatie voorlichting te geven over de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen der gelden’ (de aan- en verkoopkosten) in de volgende bepalingen uit de algemene voorwaarden die voor VermogensPlan en KoersPlan gelijkluidend zijn: in 1989-1990: artikel 13, dat – voor zover relevant – bepaalde:

“ Iedere jaarkas wordt afzonderlijk geadministreerd. De in de gezamenlijke jaarkassen aanwezige gelden worden als een geheel voor rekening van deze jaarkassen belegd in aandelen. De kosten voortvloeiend uit de belegging der jaarkasgelden komen ten laste van de jaarkassen. (...)” in 1991-1995: artikel 7, dat – voor zover hier van belang – luidde: “De kosten voortvloeiend uit de beleggingen der gelden komen ten laste van de beleggingskas”. in 1996-1999: artikel 4, dat – voor zover hier van belang – luidde: “Alle kosten voortvloeiend uit het beleggen van de spaarstortingen komen ten laste van de gezamenlijke aandelen van de inschrijvers.” 2.172.

De Vereniging betoogt dat ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ andere kosten zijn dan de vanaf 2000 genoemde aan- en verkoopkosten, omdat dit (alleen) de kosten zijn die het beleggingsfonds zelf maakt, zoals de aankoopkosten die het fonds zelf maakt voor beleggingen die het fonds aankoopt (met de inleg op de participaties). 2.173. De rechtbank volgt de Vereniging niet in dit betoog. De Vereniging gaat uit van een te beperkte lezing van de kosten voortvloeiende uit de beleggingen. Er is geen aanknopingspunt om deze ruim geformuleerde term, die in den brede ziet op kosten die verband houden met de beleggingen, van welke aard dan ook, te beperken tot de door de Vereniging genoemde kosten die het beleggingsfonds zelf maakt.

De in artikel 6 van de productvoorwaarden meer specifiek geformuleerde kosten vallen evengoed binnen de reikwijdte van de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’. 2.174. De vóór 2000 bij KoersPlan en VermogensPlan genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ worden uit de spaarkas voldaan. Het zijn dus kosten die niet uit de bruto-premie van deze voorbeeldproducten worden voldaan, waarover Aegon op grond van de Riav 1998 de verzekeringnemers naar soort en gekwantificeerd moest informeren. 2.175. Naar het oordeel van de rechtbank kon dit ook voordien van Aegon worden verwacht, op grond van de Spaarkas-brochure, die vermeldt “de maatschappij vertelt u hoe deze posten zijn onderverdeeld zoals ook duidelijk is welk deel wordt belegd.” De brochure verwijst hier onder meer naar ‘de kosten die de maatschappij maakt voor het administreren en beheren van de jaarkas’.

Hoewel deze kosten in de brochure worden benoemd als onderdeel van de storting, maken deze kosten deel uit van de in de algemene voorwaarden van Koersplan en VermogensPlan omschreven ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ die uit de spaarkas worden voldaan. Dat is verklaarbaar omdat de brochure dateert uit een tijd – vóór de Riav 1998 – waarin geen onderscheid werd gemaakt tussen de kosten die ten laste kwamen van de bruto-premie enerzijds en kosten die naast de bruto-premie (in het geval van KoersPlan en VermogensPlan uit de spaarkas) in rekening werden gebracht.

Los daarvan, geldt dat de Spaarkas-brochure met zoveel woorden de kosten voor “het administreren en beheren van de spaarkas” noemt. De verzekeringnemers van KoersPlan en VermogensPlan, die ervan uit konden gaan dat zij informatie verkregen zoals vermeld in deze brochure, konden dus ervan uitgaan dat zij zouden worden geïnformeerd over deze kosten. 2.176. Aegon heeft hiernaar gehandeld door de kosten die ten laste van de spaarkas kwamen te noemen: naast de wel gekwantificeerde administratiekosten, wees zij de gehele relevante periode op de (niet gekwantificeerde) ‘kosten voortvloeiend uit de beleggingen’.

Vanaf 2000 heeft zij de aan- en verkoopkosten afzonderlijk en gekwantificeerd vermeld. 2.177. Gezien de tekst van de Spaarkas-brochure en de kennelijke strekking ervan – het geven van duidelijkheid over het voor beleggen aangewende deel van de premie – voorzag de in de brochure omschreven informatieverstrekking echter óók in het geven van een kwantitatieve weergave van de daar genoemde kosten: de verzekeringnemer kon verwachten dat hem verteld werd ‘welk deel’ van de premie werd aangewend voor de daarin genoemde kosten. Dat duidt op een concrete, gekwantificeerde aanduiding van deze kosten. 2.178.

Door in de periode waarop het verwijt van de Vereniging ziet, geen kwantitatieve weergave te geven van de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ waarin de door de Vereniging genoemde aan- en verkoopkosten begrepen waren, heeft Aegon (vanaf 1 januari 1999) in strijd gehandeld met de Riav 1998. In de periode 1989 tot en met 1998 week zij af van de Spaarkas-brochure. Dat betekent dat dit verwijt doel treft ten aanzien van het vermelden van de hoogte (in kwantitatieve zin) van de door de Vereniging bedoelde aan- en verkoopkosten, die vóór 2000 waren begrepen in de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’. hoogte van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten 2.179.

De Vereniging stelt dat Aegon ten onrechte heeft nagelaten melding te maken van de ten laste van de spaarkas gebrachte, dus naast de bruto-premie in rekening gebrachte, in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten. 2.180. Niet in geschil is dat Aegon de hoogte van deze kosten niet heeft vermeld. Het algemene verweer hierover van Aegon is verworpen. Daarmee is het lot van dit verwijt gegeven: Aegon heeft gedurende de gehele relevante periode ten onrechte geen informatie verstrekt over de hoogte (in kwantitatieve zin) van deze naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten van KoersPlan en VermogensPlan.

‘afkoopkosten’ 2.181. De door de Vereniging als ‘afkoopkosten’ gepresenteerde kosten waarop het door haar genoemde artikel 10 van de algemene voorwaarden 1998-2000 van KoersPlan en VermogensPlan ziet, is de in artikel 2 lid 2 sub k Riav genoemde afkoopwaarde, waarvan tot inwerkingtreding van de Riav 1998 bij een niet-gegarandeerde afkoopwaarde – zoals aan de orde bij KoersPlan en VermogensPlan – een indicatie of een opgave van de berekeningswijze moest worden gegeven. Na inwerkingtreding van de Riav 1998 is dit vereiste aangescherpt in de zin dat een opgave van de berekeningswijze moest worden gegeven; het geven van een indicatie, dat aanleiding had gegeven tot onduidelijkheid was niet langer voldoende. 2.182.

Het door de Vereniging aangehaalde artikel 10 van de algemene voorwaarden 1998-2000 van KoersPlan en VermogensPlan bepaalt dat de afkoopwaarde: “gelijk (is) aan de waarde van het aandeel in het fonds exclusief sterftewinst en daarmee verband houdende beleggingsopbrengsten.” Deze omschrijving – waarin de berekeningswijze van de afkoopwaarde wordt aangeduid – voldoet aan de daaraan op grond van artikel 2 lid 2 onder k van de Riav (beide versies) te stellen eisen. Op dit punt heeft Aegon naar de destijds geldende maatstaven voldoende informatie verstrekt.

FundPlan kosten verzekeringsmaatschappij en kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur 2.183. Dit deelverwijt i) over het niet noemen van de (hoogte van) wel in rekening gebrachte kosten ziet ten aanzien van FundPlan in de eerste plaats op de ‘kosten verzekeringsmaatschappij’ en ‘kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur’ die vanaf 2000 wel worden genoemd in de door Aegon verstrekte overzichten en die niet zijn genoemd bij het aanbieden van FundPlan. 2.184. Niet betwist is dat de door de Vereniging genoemde ‘kosten verzekeringsmaatschappij’ en ‘kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur’ van FundPlan vallen onder de zogenoemde ‘eerste kosten’, die Aegon inhoudt op de bruto-premie alvorens het resterende premiebedrag te beleggen.

Zoals Aegon ter zitting heeft toegelicht, vallen hieronder de kosten voor polisopmaak, invoer in de administratie, eventuele medische beoordeling en de afsluitprovisie voor de tussenpersoon. Deze kosten worden bij FundPlan niet in één keer direct bij aanvang in rekening gebracht, maar worden uitgesmeerd over de gehele looptijd van de verzekering. 2.185. Het gaat hier dus om kosten die ten laste van de bruto-premie worden gebracht, waarover in de gehele relevante periode indirect informatie kon worden verstrekt. Zoals hiervoor is overwogen, omvatte de verplichting om de kosten als factor waarvan de uitkering afhankelijk was, niet de verplichting om de kostensoort te vermelden.

Dit verwijt gaat dus niet op, met dien verstande dat de verzekeringnemer aan wie geen informatie was verstrekt over kosten als factor waarvan de uitkering afhankelijk was, niet op de hoogte kon zijn van deze kosten. Dit komt hierna aan de orde. hoogte van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten 2.186. De Vereniging stelt dat Aegon bij FundPlan ten onrechte heeft nagelaten de hoogte te vermelden van de volgende ten laste van de beleggingen gebrachte, dus naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten,: de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten; de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002); de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002); de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996). 2.187.

Niet in geschil is dat Aegon de hoogte van deze kosten niet heeft vermeld. Nu het algemene verweer hierover van Aegon is verworpen, is het lot van dit verwijt gegeven voor de periode vanaf inwerkingtreding van de Riav 1998. De in de Spaaskas-brochure omschreven wijze van informatieverstrekking gold niet voor de united linked verzekering FundPlan. Aegon heeft dus vanaf 1 januari 1999 ten onrechte geen informatie verstrekt over de hoogte (in kwantitatieve zin) van deze, naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten van FundPlan. ‘afkoopkosten’ 2.188.

Ook hier geldt dat de door de Vereniging als ‘afkoopkosten’ gepresenteerde kosten waarop het door haar genoemde artikel 6.3 van de algemene voorwaarden van FundPlan ziet, de in artikel 2 lid 2 sub k Riav genoemde afkoopwaarde is, waarvan tot de inwerkingtreding van de Riav 1998 bij een niet-gegarandeerde afkoopwaarde – zoals aan de orde bij FundPlan – een indicatie of een opgave van de berekeningswijze moest worden gegeven, terwijl na de inwerkingtreding van de Riav 1998 een opgave van de berekeningswijze moest worden gegeven. 2.189. In het door de Vereniging aangehaalde artikel 6.3 van de algemene voorwaarden van FundPlan staat dat de afkoopwaarde wordt vastgesteld uitgaande van “de wiskundige reserve waarbij rekening wordt gehouden met de eerste kosten”.

In de algemene voorwaarden nr. 18 en nr. 28 van FundPlan is daaraan toegevoegd: “Onder wiskundige reserve wordt verstaan: de waarde in geld, bepaald volgens de verzekeraar gebruikelijke grondslagen, die, behoudens de overeengekomen toekomstige premiebetalingen, staat tegenover de in de polis vastgelegde verplichtingen van de verzekeraar. De eerste kosten zijn de kosten die de verzekeraar in verband met het sluiten van de verzekering heeft moeten maken.” De omschrijving die alleen verwijst naar een niet nader geduide wiskundige reserve en niet aanduidt hoe rekening wordt gehouden met de eerste kosten, is te vaag.

Dat geldt ook voor de in de algemene voorwaarden nr. 18 en nr. 28 van FundPlan gegeven, meer concrete omschrijving, bij gebreke van enige aanduiding of nadere concretisering van ‘de gebruikelijke grondslagen’ aan de hand waarvan de wiskundige reserve wordt bepaald. Op dit punt heeft Aegon naar de destijds geldende maatstaven onvoldoende informatie verstrekt. ( c) de effecten van kosten en inhoudingen en de wisselwerking met het beleggingsrisico 2.190. Niet in geschil is dat de in de premies verdisconteerde kosten effect hadden op het met de voorbeeldproducten te behalen rendement: hoe meer kosten worden ingehouden op de premie, hoe lager het met de premie te beleggen kapitaal is.

Evenmin staat ter discussie dat de druk van vaste kosten op het op te bouwen vermogen veel groter is bij een lager beleggingsrendement, terwijl – andersom – die druk veel lager is bij een hoger beleggingsrendement. Vaststaat voorts dat een aantal kosten variabel was, afhankelijk van het behaalde beleggingsresultaat. Daarmee staan de door de Vereniging genoemde effecten van de kosten en inhoudingen en het bestaan van een wisselwerking tussen de kosten en de beleggingsresultaten niet ter discussie. 2.191. De met dit verwijt door de Vereniging van Aegon verlangde informatie over deze effecten van kosten op de uitkering en de wisselwerking tussen de kosten en het beleggingsresultaat reikt echter (veel) verder dan hetgeen destijds van Aegon verwacht kon worden bij het aanbieden van de voorbeeldproducten.

Aegon was gedurende de hele relevante periode gehouden om de kosten te noemen als factor waarvan de uitkering afhankelijk was. Met de inwerkingtreding van de Riav 1998 en daarna van de Bfb en de Nrfb golden meer specifieke eisen voor het verstrekken van informatie over de (effecten van de) kosten en inhoudingen op de onzekere uitkering op de einddatum. Deze in de loop van de relevante periode aangescherpte voorschriften en de CRR voorzien echter niet in het verstrekken van informatie over de door de Vereniging genoemde effecten en de wisselwerking van kosten met de beleggingsresultaten.

De Spaarkas-brochure vergde dit ook niet ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan. Daarmee behoefde Aegon bij het aanbieden van de voorbeeldproducten naar de destijds geldende normen geen informatie te verstrekken over deze door de Vereniging genoemde specifieke effecten van de kosten. 2.192. Wel moest Aegon in de gehele relevante periode kosten noemen als factor waarvan de uitkering afhankelijk was. Deze verplichting hield in dat uit de gegeven informatie een verband moest blijken tussen kosten en uitkering. Het enkele noemen van uitkering en kosten, doordat de contractbepalingen bijvoorbeeld bepalingen bevatten over kosten of waarin kosten worden genoemd – zonder op enige wijze een verband tussen kosten en uitkering te leggen – volstaat dus niet.

Dat deze ‘los’ genoemde kosten – zoals hierna wordt besproken – wel overeengekomen kunnen zijn, leidt niet tot een andere conclusie. Het noemen van de factoren waarvan de uitkering afhankelijk is, betekent dat het verband tussen de kosten en de uitkering duidelijk moet worden gemaakt. Indien ieder verband tussen kosten en uitkering ontbreekt in de verstrekte informatie, treft het verwijt van de Vereniging doel. 2.193. Uit vrijwel alle brochures van de voorbeeldproducten is af te leiden dat kosten een factor zijn waarvan de uitkering afhankelijk is. 2.194.

De brochures van KoersPlan uit de relevante periode vermelden bij de weergave van de tabellen ‘Belastingvrij uit te keren vermogen’: “In de tabellen “Belastingvrij uit te keren vermogen” ziet u bij verschillende rendementen het bedrag dat u netto [in sommige brochures cursief gedrukt, toevoeging rechtbank] (dus na aftrek van alle kosten) aan het eind van de verschillende looptijden in handen krijgt.” Alleen de brochure van KoersPlan 1989 vermeldt bij de tabellen “Belastingvrij uit te keren vermogen” niet dat daarin kosten zijn verdisconteerd.

Ook elders in deze brochure worden kosten niet genoemd als factor waarvan de uitkering afhankelijk is. 2.195. De brochures van VermogensPlan uit de relevante periode vermelden onder het kopje “Wat zijn de kosten van VermogensPlan?” onder meer: “De in deze brochure vermelde rendementen zijn netto, dus na aftrek van alle kosten.” 2.196. In de brochures van FundPlan uit de relevante periode staat onder het kopje “Wie kiest voor een AEGON Fund” onder meer: “heeft lagere kosten en daardoor een hoger rendement”. En, onder het kopje “AEGON: een grote ervaren belegger” is uiteengezet:

“Ook geniet u alle voordelen van de omvang van onze beleggingsactiviteiten. Dat uit zich in een lager risico door de goede spreiding van de beleggingen en in een hoger rendement door lagere kosten.” Alleen brochure L10248 van FundPlan vermeldt niets over kosten als factor waarvan de uitkering afhankelijk is. 2.197. Dat betekent dat het verwijt van de Vereniging slaagt ten aanzien van brochure 1989 van KoersPlan en brochure L10248 van FundPlan waarin kosten niet worden vermeld als factor waarvan de uitkering afhankelijk is. Voor het overige faalt dit verwijt.

B informatieverstrekking over de overlijdensrisicopremie 2.198. Aegon was gedurende de gehele relevante periode op grond van artikel 2 lid 2 sub h van de Riav en het vóór de inwerkintreding van de Riav geldende ongeschreven recht gehouden de premie voor de overlijdensrisicopremie (als premie voor de hoofddekking) te vermelden. Dat vergde van Aegon dat zij voldoende duidelijk maakte dat overlijdensrisicopremie verschuldigd was voor de voorbeeldproducten. Die premie is een essentieel kenmerk, en een factor waarvan de uitkering afhankelijk is, aangezien het voor beleggen aangewende deel van de premie en de overlijdensrisicopremie communicerende vaten zijn, in die zin dat hoe hoger de overlijdensrisicopremie wordt vastgesteld, hoe lager het voor beleggen resterende deel is.

Bij een gelijkblijvend rendement behaalt een deelnemer met een hoge overlijdensrisicopremie dus een lagere opbrengst dan een deelnemer met een lagere overlijdensrisicopremie. Aegon kon daarom niet volstaan met het enkele noemen van het bestaan van deze premie, maar diende in de contractdocumentatie die werd verstrekt bij het sluiten van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten de hoogte van de overlijdensrisico premie te vermelden. 2.199. Niet in geschil is dat de hoogte van de overlijdensrisicopremie van KoersPlan en VermogensPlan tot 1999 niet in de contractdocumentatie is opgenomen en dat deze gedurende de hele relevante periode ontbreekt in de contractdocumentatie van Fundplan.

Hiermee heeft Aegon niet voldaan aan haar informatieverplichting op dit punt. Dit verwijt van de Vereniging treft dus doel. C Slotsom informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten 2.200. De volgende verwijten van de Vereniging over de informatieverstrekking over de (effecten van de) (eerste) kosten en de overlijdensrisicopremie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten treffen doel: i. Aegon heeft ten onrechte nagelaten de hoogte (in kwantitatieve zin) van de volgende naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten te vermelden: bij KoersPlan en VermogensPlan:

 aan- en verkoopkosten, die vóór 2000 waren begrepen in de in artikel 13 algemene voorwaarden 1989-1990, artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;  de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten; bij Fundplan (vanaf 1 januari 1999):  de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;  de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

 de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);  de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag; Aegon is tekortgeschoten in haar informatieverplichting over de in artikel 6.3 algemene voorwaarden van FundPlan genoemde afkoopwaarde; Aegon heeft in de brochure 1989 van KoersPlan en brochure L10248 van FundPlan ten onrechte nagelaten kosten als factor waarvan de uitkering afhankelijk is te vermelden; Aegon heeft ten onrechte nagelaten de hoogte van de premie overlijdensrisicoverzekering te vermelden in de contractdocumentatie van KoersPlan en VermogensPlan tot 1999 en die van FundPlan gedurende de gehele relevante periode. 2.201.

De hierop betrekking hebbende vorderingen worden toegewezen, op de in het dictum te vermelden wijze. De andere verwijten van de Vereniging over de informatieverstrekking over de (effecten van de) (eerste) kosten en de overlijdensrisicopremie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten gaan niet op. De daarop betrekking hebbende vorderingen worden afgewezen. 2.202. Voor zover de Vereniging mede heeft willen betogen dat de informatieverstrekking over de kosten en de overlijdensrisicopremie misleidend is in de zin van artikel 6:194 (oud) BW, heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende plicht om te stellen dat dit onjuiste of onvolledige mededelingen zijn die, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang zijn voor de beleggingsbeslissing van de verzekeringnemer. 2.203.

Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat het voorgaande niet geldt voor zover FundPlan voorziet in een garandeerde uitkering – en dus is aan te merken als een garantieverzekering. De hiervoor besproken voorschriften voor informatieverstrekking zien op kosten in gevallen waarin de uitkering onzeker is zoals bij beleggingsverzekeringen het geval is en niet op de informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen met een gegarandeerde uitkering bij leven (garantieverzekeringen) – zoals FundPlan kan zijn. 2Niet overeengekomen kosten en overlijdensrisicopremie in rekening gebracht? 2.204.

Wilsovereenstemming ontstaat na aanvaarding van een aanbod, in dit geval na acceptatie door de verzekeringnemer van het door Aegon gedane aanbod voor het betreffende voorbeeldproduct. Bij dat aanbod was Aegon gehouden te voldoen aan de hiervoor besproken informatieplicht, die voortvloeide uit de regelingen en de CRR, terwijl zij zich daarnaast voor KoersPlan en VermogensPlan had gecommitteerd aan de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze van voorlichting bij het aanbieden van deze voorbeeldproducten. 2.205. Bij de beantwoording van de vraag of de tussen Aegon en de verzekeringnemers gesloten overeenkomsten een leemte bevatten, omdat over (de hoogte van) bepaalde kostensoorten of de overlijdensrisicopremie geen wilsovereenstemming bestond, geldt als uitgangspunt dat het niet alleen aankomt op een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Vergelijk HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex). 2.206. De inhoud van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten is niet de uitkomst van onderhandelingen van Aegon en haar individuele verzekeringnemers. De overeenkomst is steeds neergelegd in de contractdocumentatie, die overwegend bestaat uit standaardbepalingen. Gelet daarop komt het aan op de tekst van de relevante bepalingen uit de contractdocumentatie, gelezen in de context van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten, waarbij de in brochures bij deze voorbeeldproducten verstrekte informatie gebruikt kan worden bij de uitleg en gelet moet worden op de kenbare strekking van bepalingen in kwestie en de aannemelijkheid van de gevolgen van de uitleg. 2.207.

In deze collectieve actie gaat de rechtbank ervan uit dat de tussenpersonen die betrokken waren bij het sluiten van het merendeel van de overeenkomsten dezelfde informatie hebben verstrekt over de inhoud van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten als de informatie die Aegon in de door haar verstrekte brochures en contractdocumentatie verstrekte. In individuele gevallen kan de concrete gegeven informatieverstrekking mogelijk aan de orde komen. Dat past niet in deze collectieve actie. 2.208. Bij de bepaling van de inhoud van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten komt het voorts erop aan wat de verzekeringnemer kon begrijpen uit het aangeboden materiaal.

De rechtbank gaat ook hier uit van de eerder omschreven verzekeringnemer aan wie de informatie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten is gericht: een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument die een beleggingsverzekering afsluit. Van deze verzekeringnemer mag worden verwacht dat hij bereid is zich te verdiepen in de kenmerken van het voorbeeldproduct en zich af te vragen of het voorbeeldproduct voor hem geschikt is, waarbij denkbaar is dat informatie langs verschillende wegen wordt aangeboden. De verzekeringnemer wordt in beginsel geacht in staat te zijn om verstrekte informatie op waarde te schatten, om zo nodig nadere informatie te zoeken en om vervolgens informatie uit verschillende bronnen met elkaar in verband te brengen. 2.209.

De hiervoor besproken regelingen en de CRR zien op de aanbodzijde bij het sluiten van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten. Zoals hiervoor is overwogen kunnen de informatieverplichtingen worden gezien als de invulling van de voor Aegon geldende mededelingsplichten bij het aangaan van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten. Aegon had zich voorts voor KoersPlan en VermogensPlan gecommitteerd aan de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze van voorlichting bij het aanbieden van deze voorbeeldproducten. 2.210.

De rechtbank staat eerst stil bij de gestelde niet overeengekomen (hoogte van de) kosten (A) en dan bij de gestelde niet overeengekomen (hoogte van de) overlijdensrisicopremie (B). A niet overeengekomen (hoogte van de) kosten 2.211. Bij het sluiten van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten, heeft de verzekeringnemer ingestemd met een bepaalde premie, die leidde tot een onzekere uitkering die onder meer afhankelijk was van de kosten. Als Aegon heeft voldaan aan haar verplichting om kosten te vermelden als factor waarvan de uitkering afhankelijk is, moet de verzekeringnemer daaruit hebben kunnen afleiden dat kosten waren begrepen in de prijs van de voorbeeldproducten (de bruto-premie) in die zin dat niet de gehele bruto-premie zou worden aangewend voor kapitaalopbouw.

Gelet hierop ligt wilsovereenstemming ter zake van de op de bruto-premie in mindering te brengen kosten en ook de hoogte daarvan besloten in wilsovereenstemming over de inleg die de verzekeringnemer bereid is te betalen in ruil voor een onzekere potentiële opbrengst, na aftrek van kosten en overlijdensrisicopremie. 2.212. Niet in geschil is dat de voor naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten (die worden onttrokken aan de spaarkas respectievelijk de beleggingen) een afzonderlijke contractuele grondslag vereist is. Anders dan Aegon aanvoert, is daartoe niet voldoende dat wilsovereenstemming bestaat over de soort kosten.

De voor Aegon (sinds de inwerkingtreding van de Riav 1998) geldende mededelingsplicht bij het aanbieden van de voorbeeldproducten vergde dat zij ook een kwantitatieve weergave gaf van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten. Zoals hiervoor is overwogen, vergde de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze van informatieverstrekking waaraan Aegon zich had gecommitteerd dit ook (tot mei 1999) voor KoersPlan en VermogensPlan. Mede gezien deze mededelingsplicht, is voor wilsovereenstemming over de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten vereist dat ook wilsovereenstemming bestaat over de (kwantitatief weer te geven) hoogte van deze kosten.

Er is geen grond om op dit punt onderscheid te maken tussen de periode voor en na de inwerkingtreding van de Riav 1998. Het gaat gedurende de gehele periode om dezelfde soort kosten, die vaak worden berekend als percentage van andere grootheden en zijn verbonden aan langlopende verplichtingen waarmee voor de verzekeringnemer grote bedragen gemoeid zijn. Zoals hiervoor is overwogen, konden verzekeringnemers van KoersPlan en VermogensPlan voor inwerkingtreding van de Riav 1998 op grond van de Spaaskas-brochure ervan uitgaan dat zij bij het aangaan van deze voorbeeldproducten ook in kwantitatieve zin zouden worden geïnformeerd over aan de spaarkas te onttrekken kosten. 2.213.

Aegon wijst op het aan artikel 7:4 BW ten grondslag liggende principe dat als geen prijs is bepaald bij koop, de koper een redelijke prijs is verschuldigd, waarbij rekening wordt gehouden met de door de verkoper ten tijde van de koop gewoonlijk bedongen prijzen. Aegon wijst in dat verband op het in de praktijk vaak voorkomende geval dat een klant van een bedrijf of dienstverlener een product afneemt zonder dat specifiek alle aspecten van de daaraan verbonden kosten overeen zijn gekomen. In dat geval houdt de overeenkomst in dat het bedrijf of de dienstverlener het bij dat bedrijf of dienstverlener gebruikelijke tarief in rekening brengt, waarbij de klant in beginsel de verplichting aanvaardt om het door het bedrijf of de dienstverlener gebruikelijke tarief te voldoen.

Aegon betoogt dat tussen haar en haar verzekeringnemers gold dat gebruikelijke kosten en risicopremies verschuldigd waren, ook voor zover de hoogte daarvan niet expliciet bekend was gemaakt. 2.214. Uit het voorgaande volgt dat dit betoog van Aegon opgaat voor de ten laste van de bruto-premie gebrachte kosten, die begrepen zijn in de wilsovereenstemming over de te betalen bruto-premie. Dit betoog van Aegon gaat echter niet op voor de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten, waarvoor een afzonderlijke contractuele grondslag is vereist. Deze afzonderlijke contractuele grondslag komt tot stand bij aanvaarding van na het aanbod van Aegon, die (sinds inwerkingtreding van de Riav 1998) gehouden was deze kosten te kwantificeren, terwijl dit voor KoersPlan en VermogensPlan voordien ook al volgde uit de Spaarkas-brochure.

Daar waar bij het aanbod van de, naast de bruto-premie in rekening gebrachte, kosten mededeling moet worden gedaan door een kwantitatieve weergave daarvan te geven, is niet vol te houden dat de hoogte van de betreffende kosten niet overeengekomen behoeft te worden. De overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten bevatten dus een leemte indien de hoogte (in kwantitatieve zin) van naast de bruto-premie in rekening te brengen kosten niet overeengekomen is. 2.215. Tot slot laat het door Aegon (in de brochure 1989 van KoersPlan en de brochure L10248 van FundPlan) verzaken van haar verplichting om kosten te noemen als factor waarvan de uitkering afhankelijk is, onverlet dat wilsovereenstemming kan bestaan over de naast de bruto-premie in rekening te brengen kosten, waarvoor een afzonderlijke contractuele grondslag vereist is.

Dat ligt anders voor de kosten die ten laste van de bruto-premie worden gebracht. Als de kosten niet zijn vermeld als factor waarvan de uitkering afhankelijk is, heeft de verzekeringnemer niet kunnen begrijpen dat andere dan de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten waren begrepen in de prijs van de voorbeeldproducten (de bruto-premie) in die zin dat niet de gehele bruto-premie zou worden aangewend voor kapitaalopbouw. In dat geval kan alleen wilsovereenstemming over deze ten laste van de bruto-premie gebrachte kosten bestaan, indien het voor deze verzekeringnemer voldoende duidelijk was dat deze kosten(soort) ten laste van de bruto-premie werd(en) gebracht.

De verzekeringnemer moet dus door Aegon ervan op de hoogte zijn gebracht dat een bepaalde kostensoort ten laste van de bruto-premie werd gebracht om wilsovereenstemming daarover te kunnen aannemen. Dat het destijds niet nodig werd geacht de kostensoorten afzonderlijk te noemen, maakt dit niet anders, aangezien deze niet nodig geachte verplichting werd aangenomen in het geval de verzekeringnemer kenbaar was gemaakt dat kosten, waarover hij op indirecte wijze werd geïnformeerd, een factor waren waarvan de uitkering afhankelijk was. KoersPlan en Vermogensplan 2.216.

Vrijwel alle volgens de Vereniging niet overeengekomen kosten van KoersPlan en VermogensPlan zijn naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten, waarover afzonderlijk wilsovereenstemming moet worden bereikt. Het niet noemen van kosten als factor waarvan de uitkering afhankelijk is in de brochure 1989 van KoersPlan, heeft daarom geen consequentie voor de vraag of (de hoogte van) deze kosten overeengekomen is. Dit geldt ook voor de door de Vereniging als ‘afkoopkosten’ gepresenteerde wijze van berekenen van de waarde van de afkooppremie. fondsbeheerkosten 2.217.

De Vereniging stelt in de eerste plaats dat de vanaf 2000 wel vermelde, maar voordien niet in de contractdocumentatie vermelde ‘fondsbeheerkosten’ vóór 2000 niet overeengekomen zijn. 2.218. De vanaf 2000 vermelde fondsbeheerkosten zagen op de vergoeding voor de fondsmanager en het beheer van het beleggingsfonds die ten laste werd gebracht van het fondsvermogen en verdisconteerd werd in de koers van het fonds. Het gaat om kosten van het fonds; dat zijn geen aan de verzekering verbonden kosten. Het zijn dus ook geen naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten waarvoor een afzonderlijke contractuele grondslag vereist is. aan- en verkoopkosten 2.219.

Ook de vanaf 2000 wel vermelde, maar daarvoor niet in de contractdocumentatie vermelde ‘aan- en verkoopkosten’ zijn volgens de Vereniging vóór 2000 niet overeengekomen bij KoersPlan en VermogensPlan. 2.220. Zoals hiervoor is geoordeeld, vielen de na 2000 vermelde aan- en verkoopkosten vóór 2000 onder de ‘kosten voortvloeiend uit de beleggingen’ die gedurende de gehele relevante periode zijn vermeld in de contractdocumentatie van KoersPlan en VermogensPlan als ten laste van de spaarkas (aangeduid als jaarkas of beleggingskas) komende kosten.

Voor deze, naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten is wilsovereenstemming vereist ten aanzien van zowel de soort als (in kwantitatieve zin) de hoogte van de kosten. 2.221. Niet in geschil is dat de ‘kosten voortvloeiend uit de beleggingen’ vóór 2000 waren overeengekomen. Daarin ligt besloten dat de door de Vereniging genoemde aan- en verkoopovereenkomsten overeengekomen zijn. Dit staat in de weg aan het honoreren van het verwijt van de Vereniging dat de aan- en verkoopkosten bij KoersPlan en VermogensPlan vóór 2000 niet overeengekomen zijn.

Wel heeft de Vereniging het gelijk aan haar zijde dat bij gebreke van een kwantitatieve aanduiding van deze kosten gedurende de gehele relevante periode, wilsovereenstemming op dat punt ontbreekt. De hoogte van de in rekening gebrachte aan- en verkoopkosten is daarmee niet overeengekomen, maar is eenzijdig door Aegon bepaald. Hier is sprake van een leemte in de overeenkomsten met betrekking tot KoersPlan en VermogensPlan. hoogte van naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten 2.222. De Vereniging stelt dat een gelijke leemte bestaat ten aanzien van de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten. 2.223.

Aegon betwist niet dat alleen de kostensoort en niet de hoogte van deze kosten overeengekomen is. Haar algemene verweer dat dit niet nodig is, is hiervoor is verworpen. De conclusie luidt dan ook dat hier sprake is van een leemte in de KoersPlan en VermogensPlanovereenkomsten. afkoopwaarde 2.224. Ook hier wijst de Vereniging op de door haar als ‘afkoopkosten’ in artikel 10 van de algemene voorwaarden van KoersPlan en VermogensPlan genoemde afkoopwaarde, waarover Aegon – zoals hiervoor is geoordeeld – naar de toen geldende maatstaven voldoende informatie heeft verstrekt.

Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – is er geen grond om te oordelen dat sprake is van het door de Vereniging gestelde ontbreken van wilsovereenstemming op dit punt. Fundplan kosten verzekeringsmaatschappij en kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur: eerste kosten 2.225. Volgens de Vereniging ontbreekt wilsovereenstemming over de niet in de contractdocumentatie van Fundplan genoemde “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”, die vanaf 2000 wel worden vermeld in de overzichten van FundPlan.

Zoals hiervoor is overwogen, maken deze kosten deel uit de eerste kosten, die uit de bruto-premie worden voldaan. 2.226. Dit verwijt gaat niet op ten aanzien van de verzekeringnemers die ervan op de hoogte waren dat de kosten een factor waren waarvan de uitkering afhankelijk was. Zoals hiervoor is overwogen, ligt in dat geval in de wilsovereenstemming ter zake van de bruto- premie besloten wilsovereenstemming over de daarop in mindering te brengen kosten en de hoogte daarvan. 2.227. Zoals hiervoor is overwogen, hebben de verzekeringnemers aan wie de brochure L10248 van FundPlan is verstrekt, echter niet kunnen begrijpen dat, afgezien van de afzonderlijk overeen te komen kosten die naast de bruto-premie in rekening werden gebracht, nog meer kosten waren begrepen in de prijs van de voorbeeldproducten (de bruto-premie) in die zin dat kosten ten laste zouden worden gebracht van de bruto-premie voordat deze werd belegd, zodat deze premie (afgezien van de hierna te bespreken overlijdensrisicopremie) niet in zijn geheel zou worden aangewend voor kapitaalopbouw.

Zoals hiervoor is overwogen, kan in dat geval alleen wilsovereenstemming over ten laste van de bruto-premie gebrachte kosten bestaan, indien het voor deze verzekeringnemer voldoende duidelijk was dat deze kosten(soort) ten laste van de bruto-premie werden gebracht. De verzekeringnemer moet dus door Aegon op de hoogte zijn gebracht dat een bepaalde kostensoort ten laste van de bruto-premie werd gebracht om wilsovereenstemming daarover te kunnen aannemen. 2.228. Het gedurende de gehele periode gelijkluidende clausuleblad 5570 van Fundplan vermeldt – voor zover hier van belang:

“2. Na inhouding van een aan- en verkoopmarge wordt op iedere premievervaldag de spaarpremie in de fondsen gestort”. Hieruit kan de verzekeringnemer afleiden dat Aegon de spaarpremie belegt, na aftrek van kosten. De genoemde kosten zijn echter aan- en verkoopkosten, niet de door de Vereniging genoemde “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”, die deel uitmaken van de eerste kosten bij het afsluiten van de verzekering. Deze eerste kosten werden in de relevante periode alleen met zoveel woorden genoemd in artikel 6.3 en 7 algemene voorwaarden van Fundplan (alle versies), die zien op opzegging/afkoop en premievrijmaking.

Daarin staat dat voor de vaststelling van de afkoopwaarde respectievelijk de premievrije waarde wordt uitgegaan van “de wiskundige reserve waarbij rekening wordt gehouden met de eerste kosten.” In de algemene voorwaarden nr. 18 en nr. 28 van FundPlan is artikel 6.3 uitgebreid met de bepaling – voor zover hier van belang: “De eerste kosten zijn de kosten die de verzekeraar in verband met het sluiten van de verzekering heeft moeten maken.” 2.229. De verzekeringnemer moet na lezing van de algemene voorwaarden dus hebben geweten dat de in verband met de afkoop en het premievrij maken genoemde eerste kosten verbonden waren aan FundPlan.

In de versies nr. 18 en 28 waren deze nader omschreven en kon de verzekeraar weten waarop deze kosten betrekking hadden, terwijl de verzekernemer bij de andere versies van de algemene voorwaarden van FundPlan moest raden naar de inhoud van deze kosten. Het voorvoegsel ‘eerste’ is onbepaald in de zin dat onduidelijk is ten opzichte van welke grootheid deze kosten de ‘eerste’ zijn. De context waarin deze kosten worden genoemd – de afkoop en het premievrij maken – geeft geen uitsluitsel, anders dan dat de verzekeringnemer daaruit kon afleiden dat dit aan FundPlan verbonden kosten waren.

Het voorgaande impliceert dat de verzekeringnemer wist of kon weten dat de door de Vereniging genoemde “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” deel uitmaakten van de eerste kosten. 2.230. Noch de aanduiding van de kostensoort, noch de context waarin de eerste kosten worden genoemd – ook in de versies nr. 18 en 28 waarin wel een omschrijving wordt gegeven van deze kosten – zeggen iets over de wijze waarop deze kosten in rekening worden gebracht. Ook overigens is uit de contractinformatie niet af te leiden of het – afzonderlijk overeen te komen – naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten zijn of dat het kosten zijn die, naast de aan- en verkoopkosten, ten laste van de bruto-premie komen.

De verzekeringnemer van FundPlan aan wie niet kenbaar was gemaakt dat kosten een factor vormden waarvan de uitkering afhankelijk is – en die dus afzonderlijk ervan op de hoogte moest zijn gebracht dat een bepaalde kostensoort ten laste van de bruto-premie werd gebracht om wilsovereenstemming daarover te kunnen aannemen, wist dus niet dat deze, van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” ten laste van de bruto-premie kwamen. 2.231. Hieruit volgt dat de verzekeringnemer die alleen kennis genomen heeft van brochure L10248 van Fundplan, waarin niets is vermeld over kosten, uit de aan hem verstrekte contractdocumentatie niet heeft kunnen begrijpen dat (ook) deze kosten, van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”, ten laste van de bruto-premie werden gebracht.

Dit staat in de weg aan het ten aanzien van die verzekeringnemer kunnen aannemen van wilsovereenstemming over de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”. de eerste kosten. De conclusie luidt dat er in die gevallen geen contractuele grondslag bestaat voor het in rekening brengen van de van deze kosten. naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten 2.232. De Vereniging stelt voorts dat de hoogte van een aantal naast de bruto-premie overeengekomen kosten van FundPlan niet is gekwantificeerd en daarom niet is overeengekomen.

Het gaat om: de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten; de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002); de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002); de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996). 2.233. Aegon betwist niet dat alleen de kostensoort en niet de hoogte van deze kosten overeengekomen is. Nu haar algemene verweer dat dit niet nodig is, hiervoor is verworpen, luidt de conclusie dat hier sprake is van een leemte in de FundPlanovereenkomsten. afkoopwaarde 2.234.

Ook hier wijst de Vereniging op de door haar als ‘afkoopkosten’ bestempelde, in artikel 6.3 geregelde afkoopwaarde van FundPlan, waarover Aegon – zoals hiervoor is geoordeeld – naar de toen geldende maatstaven onvoldoende informatie heeft verstrekt. Nu Aegon niet heeft voldaan aan haar mededelingsplicht op dit punt kan over deze afkoopwaarde ook geen wilsovereenstemming zijn bereikt. Dit verwijt treft dus doel. B niet overeengekomen (hoogte van de) overlijdensrisicopremie? 2.235. Niet in geschil is dat bij KoersPlan en VermogensPlan een contractuele grondslag bestaat voor de in rekening gebrachte overlijdensrisicopremie.

Bij deze twee voorbeeldproducten is het geschil toegespitst op de stelling van de Vereniging dat de wel benodigde contractuele grondslag voor de in rekening gebrachte hoogte van deze premie ontbreekt. Bij FundPlan is ook in geschil of er een contractuele grondslag bestaat voor de premie als zodanig. Derhalve komt eerst aan de orde (a), waarna het bij alle voorbeeldproducten spelende geschil over de hoogte van de overlijdensrisicopremie wordt besproken (b). ( a) contractuele grondslag overlijdensrisicopremie FundPlan? 2.236. Partijen twisten over de vraag of, zoals de Vereniging stelt, bij FundPlan vóór juli 2002 een contractuele grondslag om een premie overlijdensrisico in te houden ontbrak.

Dat de overlijdensrisicopremie niet vermeld is, is op zichzelf geen reden om te concluderen dat in het geheel geen overlijdensrisicopremie overeengekomen is. Het komt erop aan of de verzekeringnemer had kunnen begrijpen dat FundPlan overlijdensrisicodekking bood waarvoor hij een premie verschuldigd was. Of de hoogte van de premie overeengekomen is, is een volgende vraag, die hierna wordt behandeld. 2.237. Niet in geschil is dat bij de lezing van zowel de brochures als de contractdocumentatie van FundPlan duidelijk wordt dat FundPlan voorziet in een overlijdensrisicodekking.

De Vereniging stelt dat daaruit echter niet kon worden afgeleid dat de betaalde premie een overlijdensrisicopremie omvatte, te minder nu in veel gevallen bij overlijden alleen de betaalde premies werden terugontvangen en geen beleggingswinst. 2.238. Anders dan de Vereniging stelt, heeft de verzekeringnemer op grond van artikel 4 bij clausuleblad 5570, dat bepaalt dat het verzekerd kapitaal bij overlijden wordt vermeerderd met het eventueel aanwezige overschot in de fondsen, wèl recht op beleggingswinst. Dit argument kan de Vereniging dus niet baten.

Ook overigens gaat het betoog van de Vereniging niet op. Nu de verzekeringnemer wist dat sprake was van een overlijdensrisicodekking, had hij kunnen en moeten begrijpen dat daarvoor een premie moest worden betaald. Dit geldt eens temeer daar – naar de verzekeringnemer bekend moest zijn – de waarde van beleggingen kon fluctueren en deze bij overlijden dus ook lager kon uitvallen dan de door FundPlan bij overlijden uit te keren inleg. Met het bij overlijden uitkeren van de inleg nam Aegon dus een risico op zich. Dat geldt eens temeer voor de FundPlanovereenkomsten vanaf 1994, waarbij bij overlijden de inleg, verhoogd met 10%, werd uitgekeerd.

De verzekeringnemer moest begrijpen dat hij tegenover dit risico dat Aegon op zich nam met deze gegarandeerde uitkering bij overlijden – die dus tot 1994 hoger kon uitvallen en na 1994 per definitie hoger was dan de waarde van de beleggingen – een premie verschuldigd was. Op grond van de contractdocumentatie moest de verzekeringnemer dus begrijpen dat de door hem betaalde premie voor FundPlan een premie voor het overlijdensrisico omvatte. ( b) contractuele grondslag hoogte overlijdensrisicopremie voorbeeldproducten? 2.239. Niet in geschil is dat de hoogte van de overlijdensrisicopremie van KoersPlan en VermogensPlan tot 1999 niet in de contractdocumentatie is opgenomen en dat deze in de hele relevante periode ontbreekt in de contractdocumentatie van Fundplan.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft Aegon de verzekeringnemers van deze voorbeeldproducten hierover onvoldoende geïnformeerd. Ook hier geldt dat, daar waar bij het aanbod van de voorbeeldproducten mededeling moet worden gedaan van de hoogte van de overlijdensrisicopremie, niet vol te houden is dat daarover geen wilsovereenstemming nodig is. Zoals hiervoor is overwogen zijn het voor beleggen aangewende deel van de bruto-premie en de overlijdensrisicopremie communicerende vaten, in die zin dat hoe hoger de overlijdensrisicopremie wordt vastgesteld, hoe lager het voor beleggen aan te wenden deel van de premie is.

Bij een gelijkblijvend rendement behaalt een deelnemer met een hoge overlijdensrisicopremie dus een lagere opbrengst dan een deelnemer met een lagere overlijdensrisicopremie. De hoogte van de premie vormt daarmee een wezenlijk element van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten, waarover wilsovereenstemming moet bestaan. 2.240. Van wilsovereenstemming kan geen sprake zijn bij gebreke van vermelding van de hoogte van de overlijdensrisicopremie in de contractdocumentatie die werd verstrekt bij het sluiten van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten.

In zoverre is dus sprake van een leemte in deze overeenkomsten ( c) slotsom ten aanzien van het in rekening brengen van niet overeengekomen kosten en overlijdensrisicopremie 2.241. De slotsom ten aanzien van het in rekening brengen van niet overeengekomen kosten en overlijdensrisicopremie luidt dat: ( i) geen wilsovereenstemming over de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” bestaat tussen Aegon en de verzekeringnemer die alleen kennis genomen heeft van brochure L10248 van Fundplan, zodat een contractuele grondslag voor het in rekening brengen van de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” ontbreekt; ( ii) de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten in de relevante periode (1999 tot en met 2004) een leemte bevatten ten aanzien van: a. de niet overeengekomen hoogte (in kwantitatieve zin) van de volgende naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten:

KoersPlan en VermogensPlan:  de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 13 algemene voorwaarden 1989-1990, artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;  de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten; FundPlan:  de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;  de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

 de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);  de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996); b. de niet overeengekomen berekeningswijze van de in FundPlan in de in artikel 6.3 algemene voorwaarden genoemde afkoopwaarde; c. de niet overeengekomen hoogte van de overlijdensrisicopremie in:  KoersPlan en VermogenPlanovereenkomsten tot 1999;  alle FundPlanovereenkomsten in de relevante periode 2.242. Wellicht ten overvloede wordt overwogen dat de hiervoor gegeven oordelen over het ontbreken van wilsovereenstemming over de kosten en de afkoopwaarde, die zijn gestoeld op het doen van het vanwege de schending van de mededelingsplicht onvolledige aanbod, niet gelden voor zover FundPlan voorziet in een garandeerde uitkering – en dus is aan te merken als een garantieverzekering.

Daarvoor gelden andere voorschriften dan voor de door de Vereniging met haar verwijten aan de orde gestelde informatieverstrekking over kosten in gevallen waarin de uitkering onzeker is, zoals bij beleggingsverzekeringen het geval is. 2.243. De hiervoor vastgestelde leemtes in de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten, omdat de hoogte van de hiervoor genoemde kosten en overlijdensrisicopremie niet zijn overeengekomen, dienen in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 BW te worden ingevuld, rekening houdend met algemeen erkende rechtsbeginselen, de in Nederland levende rechtsovertuigingen en de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij deze zaak betrokken zijn. 2.244.

De Vereniging heeft geen vorderingen strekkende tot bepaling van (het niveau van) de redelijke kosten en overlijdensrisicopremies ingesteld. Uit haar stellingen volgt ook dat zij niet wenst dat de rechtbank overgaat tot het invullen van deze leemte, ten aanzien waarvan Aegon heeft betoogd dat – voor zover nog nodig, aangezien de doorgevoerde productieverbeteringen in haar optiek reeds hebben geleid tot redelijke kosten en overlijdensrisicopremies – dient te worden aangesloten bij de Stichtingsakkoorden en de herberekeningen van de overlijdensrisicopremies naar aanleiding van de KoersPlanzaak. 2.245.

Dat betekent dat het redelijk niveau van de kosten en de overlijdensrisicopremies buiten de reikwijdte van het geschil in deze zaak valt. Los daarvan, gaat de concrete financiële consequentie van de hiervoor gegeven oordelen voor Aegon en de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten de reikwijdte van deze collectieve actie, die gezien artikel 3:305a BW geen betrekking kan hebben op schadevergoeding, te buiten. De eventuele schadeplichtigheid van Aegon moet in individuele gevallen worden bezien – na vaststelling van een redelijk niveau van de kosten en overlijdensrisicopremie van de voorbeeldproducten waarvan de hoogte niet is overeengekomen. 3In het verkeer brengen van gebrekkige producten? 2.246.

Dit verwijt ziet op het crashrisico. Onder verwijzing naar het door haar in het geding gebrachte rapport van Capital Consult stelt de Vereniging dat ‘de praktijk heeft uitgewezen’ dat de voorbeeldproducten gebrekkig zijn en verwijst zij naar de geschiedenis van de AEX, die leert dat forse koersdalingen gemiddeld elk decennium wel een keer voorkomen. Daarmee had Aegon rekening moeten houden nu zij vooral producten aanbood met een relatief lange looptijd, aldus de Vereniging, die betoogt dat de voorbeeldproducten niet de veiligheid boden die men als afnemer mocht verwachten en die stelt dat de voorbeeldproducten, die veelal werden aangeboden als vermogensopbouwproduct met een specifiek doel (sparen voor de oude dag, aflossen hypotheek, studie kinderen, etc), waarbij de afnemers op basis van rekenvoorbeelden is voorgehouden dat een mooie uitkering kon worden verwacht, niet hebben gedaan wat werd beloofd. 2.247.

De Vereniging grondt dit verwijt op de (naar analogie toe te passen) in artikel 6:185 BW neergelegde risicoaansprakelijkheid van de producent van een gebrekkig product. Nu de voorbeeldproducten vallen buiten de reikwijdte van het toepassingsbereik van deze bepaling – die ziet op roerende zaken – zal de rechtbank toetsen of Aegon onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW/het voor 1 januari 1992 geldende artikel 1401 BW (oud). De rechtbank ziet geen grond om daarbij aansluiting te zoeken bij artikel 6:185 BW, zoals de Vereniging bepleit.

De daarvoor door de Vereniging genoemde en door Aegon inhoudelijk betwiste argumenten – de ernst van het gestelde gebrek, de bekendheid daarmee bij Aegon en de gestelde wetenschap bij Aegon dat de aanbieders het gestelde gebrek niet kenden – geven daartoe geen aanleiding, terwijl ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan het zoeken van aansluiting bij artikel 6:185 BW in dit geval geboden is. 2.248. Hiervoor is geoordeeld dat het crashrisico een aspect is van het reguliere beleggingsrisico. Met Aegon is de rechtbank van oordeel dat het crashrisico een voorzienbaar gevolg is van het beleggen in aandelen: naarmate de belegde waarde, mede als gevolg van de periodieke stortingen, gedurende de looptijd stijgt, zal het effect van koersfluctuaties – zowel positief als negatief – groter zijn.

Door beleggingsverzekeringen aan te bieden, waaraan dit onlosmakelijk met beleggen verbonden en voorzienbare gevolg van koersbewegingen verbonden is, handelt Aegon niet onrechtmatig. 4Oneerlijke bedingen? 2.249. Dit verwijt ziet op in de algemene voorwaarden van de voorbeeldproducten opgenomen bepalingen over de te betalen premie en andere kosten, die volgens de Vereniging onduidelijk en oneerlijk zijn in de zin van de richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, PbEG 1993, L 95/29, hierna:

Richtlijn 93/13. De bepalingen uit de algemene voorwaarden van de voorbeeldproducten waarop de Vereniging hier het oog heeft, hebben betrekking op de volgens de Vereniging zonder contractuele grondslag in rekening gebrachte kosten en de overlijdensrisicopremie. De Vereniging beroept zich alleen op de oneerlijkheid van deze bedingen voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat de kosten en overlijdensrisicopremie wel overeengekomen zijn. 2.250. Aegon verzet zich terecht niet tegen de door de Vereniging hieraan verbonden vordering om deze bepalingen “ te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of niet bindend tussen Aegon en haar afnemers te verklaren”.

Artikel 3:305a BW verzet zich niet tegen het instellen van zo’n vordering in een collectieve actie, terwijl uit de wetgeschiedenis kan worden afgeleid dat een collectieve actie tegemoet kan komen aan een in de praktijk bestaande behoefte ten aanzien van grote groepen lang lopende gelijkvormige overeenkomsten op basis van gelijke voorwaarden, zoals hier aan de orde (zie TK 1992-1993, 22 486, nr 5, p 10.) 2.251. Aegon heeft het gelijk aan haar zijde met haar betoog dat aan de Vereniging geen rechtstreeks beroep op deze richtlijn toekomt. Wel dienen de artikelen 6:231 en verder BW richtlijnconform te worden uitgelegd.

Niet blijkt dat de verzekeringnemer aan het begin van de relevante periode, vóór de inwerkingtreding van het BW in 1992 en het daarna van kracht worden van Richtlijn 93/13 méér bescherming kon ontlenen aan de toen geldende wettelijke bepalingen dan aan de door de Vereniging ingeroepen geharmoniseerde bepalingen over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. De rechtbank zal dit verwijt overeenkomstig de kennelijke bedoeling van de Vereniging toetsen aan het richtlijnconform toe te passen artikel 6:231 en verder BW. 2.252. De gestelde oneerlijke bedingen van KoersPlan en VermogensPlan zijn verwoord in artikel 7 lid 2 (tot en met 1995) en artikel 4 (voor de periode daarna) uit de algemene voorwaarden van deze voorbeeldproducten.

Het is de Vereniging te doen om de eerder besproken aan- en verkoopkosten en fondsbeheerkosten van KoersPlan en VermogensPlan. Haar stellingen zien voorts op het deel van artikel 1 van de algemene voorwaarden van KoersPlan en VermogensPlan, waarin de definitie van de ‘verzekeringspremie’ is gegeven: ‘de door de inschrijver te betalen premie voor de overlijdensrisicodekking’ [tot 1996]/“de door de inschrijver betaalde bruto premie voor de overlijdensrisicodekking” [na 1996]. 2.253. Hiervoor is geoordeeld dat de fondsbeheerkosten geen aan de KoersPlan en VermogensPlanovereenkomsten verbonden kosten zijn.

Reeds om die reden kunnen zij niet zijn gebaseerd op een onredelijk bezwarend beding in de algemene voorwaarden van deze voorbeeldproducten. 2.254. Ten aanzien van de hoogte van de vóór 2000 in de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ begrepen aan- en verkoopkosten van KoersPlan en VermogensPlan en de overlijdensrisicopremies is hiervoor geoordeeld dat sprake is van een leemte in de overeenkomsten met betrekking tot deze voorbeeldproducten, die moet worden ingevuld door bepaling van een redelijk kostenniveau en een redelijke premie. Dit reeds staat in de weg aan het honoreren van de stellingen van de Vereniging over de door haar als oneerlijk bestempelde bedingen. 2.255.

Met het door haar als oneerlijke bedingen bestempelde artikel 2 clausuleblad 5570 van FundPlan en de artikelen 6.3 en 7 van de algemene voorwaarden van Fundplan is het de Vereniging te doen om de hiervoor besproken ‘kosten bemiddelaar’ en ‘kosten verzekeringsmaatschappij’, die deel uitmaken van de eerste kosten, die ten laste van de bruto-premie komen, voordat de spaarpremie wordt belegd. 2.256. Hiervoor is geoordeeld dat er geen wilsovereenstemming over de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” bestaat tussen Aegon en de verzekeringnemer die alleen kennis genomen heeft van brochure L10248 van FundPlan en dat een contractuele grondslag voor het in rekening brengen van deze, van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” dus ontbreekt.

Deze overeenkomsten vallen dus buiten de reikwijdte van het geschil. 2.257. Ten aanzien van de andere FundPlanovereenkomsten is hiervoor overwogen dat de wilsovereenstemming over deze door de Vereniging genoemde kosten, die ten laste van de bruto-premie komen, besloten ligt in de wilsovereenstemming over de inleg die men bereid is te betalen in ruil voor een potentiële opbrengst, na aftrek van kosten. Dit staat in de weg aan het als onredelijk bezwarend aanmerken van de door de Vereniging genoemde bedingen uit de FundPlanovereenkomsten. Daarbij komt dat concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan deze bedingen, al dan niet in onderlinge samenhang bezien dan wel in samenhang met de overige bepalingen van de FundPlanovereenkomsten, in strijd met de goede trouw het contractuele evenwicht tussen partijen aanzienlijk en ongerechtvaardigd ten nadele van de verzekeringnemer verstoren in de bij het richtlijnconforme uitleggen bedoelde zin van de artikelen 6:231 en verder BW in aanmerking te nemen jurisprudentie van het HvJEU betreffende de uitleg van Richtlijn 93/13, niet zijn gesteld of gebleken.

IV Slotsom in de zaak van de Vereniging 2.258. De volgende verwijten van de Vereniging treffen doel: i. Aegon heeft in de brochures van KoersPlan van 1989 tot en met 1994 onjuiste voorlichting gegeven en een misleidende mededeling gedaan door: a. voorbeeldkapitalen te tonen die door geen enkele maatman gehaald konden worden en b. voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 uit te gaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden; Aegon heeft ten onrechte nagelaten de hoogte (in kwantitatieve zin) van de volgende naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten te vermelden: bij KoersPlan en VermogensPlan:

 aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 13 algemene voorwaarden 1989-1990, artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;  de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten bij Fundplan (vanaf 1 januari 1999):  de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;  de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

 de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);  de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag; Aegon is tekortgeschoten in haar informatieverplichting over de in artikel 6.3 algemene voorwaarden genoemde afkoopwaarde; Aegon heeft in de brochure 1989 van KoersPlan en brochure L10248 van FundPlan ten onrechte nagelaten kosten als factor waarvan de uitkering afhankelijk is te vermelden; Aegon heeft ten onrechte nagelaten de hoogte van de premie overlijdensrisicoverzekering te vermelden in de contractdocumentatie van KoersPlan en VermogensPlan tot 1999 en die van FundPlan gedurende de gehele relevante periode; wilsovereenstemming ontbreekt over de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” tussen Aegon en de verzekeringnemer die alleen kennis genomen heeft van brochure L10248 van Fundplan, zodat een contractuele grondslag voor het in rekening brengen van de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” ontbreekt; de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten in de relevante periode (1999 tot en met 2004) bevatten een leemte ten aanzien van: a. de niet overeengekomen hoogte (in kwantitatieve zin) van de volgende naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten:

KoersPlan en VermogensPlan:  de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 13 algemene voorwaarden 1989-1990, artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;  de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten; FundPlan:  de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;  de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);

 de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);  de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996); b. de niet overeengekomen berekeningswijze van de in FundPlan in de in artikel 6.3 algemene voorwaarden genoemde afkoopwaarde; c. de niet overeengekomen hoogte van de overlijdensrisicopremie in:  KoersPlan en VermogenPlanovereenkomsten tot 1999;  alle FundPlanovereenkomsten in de relevante periode. 2.259. De hierop betrekking hebbende vorderingen zullen worden toegewezen.

De hiervoor vastgestelde schendingen van de informatieverplichting over de kosten gelden niet voor zover FundPlan voorziet in een garandeerde uitkering – en dus is aan te merken als een garantieverzekering. Daarvoor gelden andere voorschriften dan voor de door de Vereniging met haar verwijten aan de orde gestelde informatieverstrekking over kosten in gevallen waarin de uitkering onzeker is, zoals bij beleggingsverzekeringen het geval is. Om dezelfde reden gelden de hiervoor gegeven oordelen over het ontbreken van wilsovereenstemming over de kosten en de afkoopwaarde, die zijn gestoeld op het doen van het vanwege de schending van de mededelingsplicht onvolledig aanbod, niet voor zover FundPlan voorziet in een garandeerde uitkering. 2.260.

De andere verwijten van de Vereniging gaan niet op. De rechtbank is van oordeel dat het door de Vereniging genoemde crashrisico onderdeel is van het reguliere beleggingsrisico. Het is dus geen afzonderlijk te vermelden factor waarvan de uitkering van de voorbeeldproducten afhankelijk is, waarover Aegon informatie had moeten verstrekken. Aegon heeft – afgezien van het onder i) bedoelde geval – geen onjuiste of misleidende voorbeeldberekeningen gehanteerd. De verwijten van de Vereniging over dit fata morgana-effect gaan niet op. Dat geldt ook voor de andere verwijten die de Vereniging heeft gemaakt over de informatie die Aegon heeft verstrekt over de bij de voorbeeldproducten in rekening gebrachte kosten en de door de Vereniging genoemde effecten daarvan op de uitkering. 2.261.

Afgezien van de hiervoor genoemde gevallen, waarin Aegon niet heeft voldaan aan haar informatieverplichting, gaat de door de Vereniging verlangde wijze van informatieverstrekking veel verder dan hetgeen destijds van Aegon verwacht kon worden. Niet ter discussie staat dat deze informatieverstrekking niet voldoet aan de huidige maatstaven. Dat is echter niet de door de rechtbank aan te leggen toets. De destijds geldende maatstaf is neergelegd in de regelgeving. Naast de regelgeving kunnen aanvullende informatieverplichtingen voortvloeien uit het ongeschreven recht, mits deze voldoen aan de door het HvJEU gestelde eisen.

In de relevante periode bevatte de CRR naast de regelgeving ongeschreven rechtsnormen voor de informatieverstrekking. De andere door de Vereniging aan haar verwijten ten grondslag gelegde ongeschreven rechtsnormen voldoen niet aan de door het HvJEU gestelde eisen. Wel had Aegon zich gecommitteerd aan de Spaarkas-brochure omschreven wijze van informatieverstrekking. Deze door Aegon op zich genomen informatieverplichting geldt voor KoersPlan en VermogensPlan eveneens als een ongeschreven rechtsnorm waaraan Aegon is gebonden. 2.262. De voor Aegon geldende verplichtingen voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten zien op de aanbodzijde van de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten.

Over de kosten die ten laste kwamen van de bruto-premie werd indirect informatie verstrekt, overeenkomstig het daarvoor destijds geldende uitgangspunt van indirecte transparantie. De wilsovereenstemming over die kosten en de hoogte daarvan lag besloten in de wilsovereenstemming over de inleg die de verzekeringnemer bereid was te betalen in ruil voor een onzekere potentiële opbrengst die werd bereikt met het beleggen van de premie, na aftrek van de kosten en overlijdensrisicopremie. De naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten (die ten laste van de spaarkas respectievelijk de beleggingen werden gebracht), moesten (vanaf inwerkingtreding van de Riav 1998) afzonderlijk worden vermeld, met een kwantitatieve weergave van de betreffende kostensoort.

De Spaarkas-brochure vergde dat ook niet ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan. Over de hoogte van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten (in kwantitatieve zin) en de overlijdensrisicopremie moest wilsovereenstemming bestaan. Deze ontbreekt in de hiervoor genoemde gevallen, omdat Aegon deze kosten en premies niet heeft gekwantificeerd. 2.263. Tot slot gaan de verwijten van de Vereniging over het (vanwege het crashrisico) in het verkeer brengen van gebrekkig producten en de volgens haar oneerlijke bedingen niet op. De vorderingen die betrekking hebben op de verwijten van de Vereniging die geen doel hebben getroffen, zullen worden afgewezen.

V De zaken van [eiser 4] , [eiser 3] en [eiser 2] 2.264. Hetgeen hiervoor over de voorbeeldproducten is overwogen in de zaak van de Vereniging geldt ook voor de zaken KoersPlanovereenkomst van [eiser 4] , de VermogensPlanovereenkomst van [eiser 3] respectievelijk de FundPlanovereenkomst van [eiser 2] . De in deze individuele gevallen ingenomen standpunten – die neerkomen op een uitwerking van de algemene verwijten van de Vereniging ten aanzien van de voorbeeldproducten – leiden niet tot een andere uitkomst. 2.265. Dat geldt ook voor [eiser 2] , die betwist dat hij de brochure van FundPlan heeft ontvangen.

Nu vaststaat dat hij de FundPlanovereenkomst heeft gesloten met behulp van een tussenpersoon kan, zonder nadere toelichting – die ontbreekt, het gestelde niet ontvangen van de brochure niet worden tegengeworpen aan Aegon, tenzij [eiser 2] de FindPlanovereenkomst heeft gesloten toen Aegon brochure L10248 verstrekte. Niet gesteld of gebleken is dat dit het geval is. Aan bewijslevering over dit geschilpunt wordt niet toegekomen. 2.266. Anders dan in de collectieve actie van de Vereniging, is schadevergoeding wel onderwerp van geschil in de zaken van [eiser 4] , [eiser 3] en [eiser 2] , die schadevergoeding op te maken bij staat vorderen. 2.267.

Anders dan Aegon, is de rechtbank van oordeel dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. De omstandigheid dat de beleggingsverzekeringen van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] een positief resultaat kennen, brengt niet mee dat van schade geen sprake is. Het verweer dat eventueel nadeel is weggenomen door de door Aegon doorgevoerde productverbeteringen en doordat Aegon aan [eiser 2] na toetsing aan het Aegon Stichtingsakkoord en aan [eiser 3] op basis van de Regeling Spaarbeleg 2014 geldbedragen heeft overgemaakt gaat evenmin op, reeds nu de Vereniging c.s. gemotiveerd betwist dat op grond daarvan een redelijke premie in rekening is gebracht.

Tussen het onrechtmatig handelen en (de mogelijke) schade bestaat bovendien causaal verband, nu – indien een te hoog bedrag aan overlijdensrisicopremie is ingehouden – meer kosten ten laste van het te beleggen vermogen zijn gekomen en dus de waardeopbouw negatief is beïnvloed. Voor zover de individuele eisers overigens hebben beoogd een beroep op dwaling te doen verwerpt de rechtbank dit beroep reeds nu daaraan geen rechtsgevolg is verbonden. 2.268. De vorderingen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat zullen dus worden toegewezen.

De niet weersproken vordering tot betaling van wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf de datum van dagvaarding. 2.269. De vorderingen van [eiser 4] , [eiser 3] en [eiser 2] zullen op de hierna te melden wijze worden toegewezen. Voor zover hun verwijten geen doel treffen, worden hun vorderingen afgewezen. 2.270. Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten in de andere zaken waarin eindvonnis gecompenseerd. Deze beslissing heeft ook betrekking op de incidentele vordering ex artikel 843a Rv.

3. De beslissing De rechtbank in het incident 3.1. wijst de vordering af; in de hoofdzaak Ten aanzien van de Vereniging 3.2. verklaart de Vereniging niet-ontvankelijk in haar primaire vordering; met betrekking tot KoersPlan 3.3. verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas onjuiste en misleidende eindkapitalen vermeldde in de brochures van KoersPlan over de jaren 1989 tot en met 1994 door: a. voorbeeldkapitalen te tonen die door geen enkele maatman gehaald konden worden en b. voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 uit te gaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden; 3.4. verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van KoersPlanovereenkomsten onrechtmatig heeft gehandeld jegens verzekeringnemers die slechts kennis hebben genomen van de brochure over 1989, door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen omdat zij heeft nagelaten kosten te vermelden als factor waarvan de uitkering afhankelijk is; met betrekking tot KoersPlan en VermogensPlan 3.5. verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van KoersPlanovereenkomsten en VermogensPlanovereenkomsten onrechtmatig heeft gehandeld jegens de verzekeringnemers door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 13 algemene voorwaarden 1989-1990, in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en artikel 4 algemene voorwaarden 1996-1999 genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;  de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden genoemde beleggingskosten; 3.6. verklaart voor recht dat ten aanzien van KoersPlanovereenkomsten en VermogensPlanovereenkomsten tussen de verzekeringnemers en Aegon Spaarkas geen wilsovereenstemming bestaat over de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 13 algemene voorwaarden 1989-1990, in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en artikel 4 algemene voorwaarden 1996-1999 genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;  de in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden genoemde beleggingskosten; 3.7. verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas tot 1 januari 1999 bij het aanbieden van KoersPlanovereenkomsten en VermogensPlanovereenkomsten aan de verzekeringnemers onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte van de overlijdensrisicopremie; 3.8. verklaart voor recht dat bij tot 1 januari 1999 gesloten KoersPlanovereenkomsten en VermogensPlanovereenkomsten tussen de verzekeringnemers en Aegon Spaarkas geen wilsovereenstemming bestaat over de hoogte van de overlijdensrisicopremie; met betrekking tot FundPlan 3.9. verklaart voor recht dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van FundPlanovereenkomsten onrechtmatig heeft gehandeld jegens verzekeringnemers die slechts kennis hebben genomen van brochure L10248, door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen omdat zij heeft nagelaten kosten te vermelden als factor waarvan de uitkering afhankelijk is; 3.10. verklaart voor recht dat ten aanzien van FundPlanovereenkomsten Aegon Levensverzekering onrechtmatig heeft gehandeld jegens verzekeringnemers die alleen kennis hebben genomen van brochure L10248 door de van de eerste kosten deel uitmakende “kosten verzekeringsmaatschappij” en de “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur” in rekening te brengen zonder dat daarvoor een contractuele grondslag bestond; 3.11. verklaart voor recht dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van FundPlanovereenkomsten onrechtmatig heeft gehandeld jegens de verzekeringnemers door vanaf 1 januari 1999 onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over:

 de in artikel 6.3 algemene voorwaarden genoemde afkoopwaarde en de hoogte (in kwantitatieve zin) van:  de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;  de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);  de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);  de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996); 3.12. verklaart voor recht dat ten aanzien van FundPlanovereenkomsten tussen de verzekeringnemers en Aegon Levensverzekering geen wilsovereenstemming bestond over:

 de in artikel 6.3 algemene voorwaarden genoemde afkoopwaarde en de hoogte (in kwantitatieve zin) van:  de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;  de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);  de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);  de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996); 3.13. verklaart voor recht dat Aegon bij het aanbieden van FundPlanovereenkomsten aan de verzekeringnemers onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte van de overlijdensrisicopremie; 3.14. verklaart voor recht dat ten aanzien van FundPlanovereenkomsten tussen de verzekeringnemers en Aegon Levensverzekering geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van de overlijdensrisicopremie;

Ten aanzien van [eiser 4] 3.15. verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas onjuiste en misleidende eindkapitalen vermeldde in de aan [eiser 4] verstrekte brochure van KoersPlan door: a. voorbeeldkapitalen te tonen die door geen enkele maatman gehaald konden worden en b. voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 uit te gaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden; 3.16. verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van de KoersPlanovereenkomst onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 4] door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn KoersPlanovereenkomst genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;  de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn KoersPlanovereenkomst genoemde beleggingskosten; 3.17. verklaart voor recht dat tussen [eiser 4] en Aegon Spaarkas geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte (in kwantitatieve zin) van:  de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn KoersPlanovereenkomst genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;

 de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn KoersPlanovereenkomst genoemde beleggingskosten; 3.18. verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van de KoersPlanovereenkomst aan [eiser 4] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte van de overlijdensrisicopremie; 3.19. verklaart voor recht dat tussen [eiser 4] en Aegon Spaarkas geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van de overlijdensrisicopremie van zijn KoersPlanovereenkomst; 3.20. veroordeelt Aegon Spaarkas om aan [eiser 4] de schade te vergoeden die deze als gevolg van het onrechtmatig handelen van Aegon heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum der dagvaarding;

Ten aanzien van [eiser 3] 3.21. verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van de VermogensPlanovereenkomst onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 3] door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte (in kwantitatieve zin) van:  de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn VermogensPlanovereenkomst genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;  de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn VermogensPlanovereenkomst genoemde beleggingskosten; 3.22. verklaart voor recht dat tussen [eiser 3] en Aegon Spaarkas geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte (in kwantitatieve zin) van:

 de aan- en verkoopkosten, die voor 2000 waren begrepen in de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn VermogensPlanovereenkomst genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’;  de in artikel 7 algemene voorwaarden van zijn VermogensPlanovereenkomst genoemde beleggingskosten; 3.23. verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van de VermogensPlanovereenkomst aan [eiser 3] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte van de overlijdensrisicopremie; 3.24. verklaart voor recht dat tussen [eiser 3] en Aegon Spaarkas geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van de overlijdensrisicopremie van zijn VermogensPlanovereenkomst; 3.25. veroordeelt Aegon Spaarkas om aan [eiser 3] de schade te vergoeden die deze als gevolg van het onrechtmatig handelen van Aegon heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum der dagvaarding;

Ten aanzien van [eiser 2] 3.26. verklaart voor recht dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van de FundPlanovereenkomst onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 2] door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over:  de in artikel 6.3 algemene voorwaarden genoemde afkoopwaarde en de hoogte (in kwantitatieve zin) van:  de in artikel 2 clausuleblad 5570 genoemde aan- en verkoopkosten;  de in artikel 1 clausuleblad 5570 genoemde beheerskosten (tot 2002);  de in artikel 6 clausuleblad 5570 genoemde wijzigingskosten (tot 2002);

 de in artikel 1.3 algemene voorwaarden genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996); 3.27. verklaart voor recht dat tussen [eiser 2] en Aegon Levensverzekering geen wilsovereenstemming bestond over:  de in artikel 6.3 algemene voorwaarden van zijn FundPlanovereenkomst genoemde afkoopwaarde en de hoogte (in kwantitatieve zin) van:  de in artikel 2 clausuleblad 5570 van zijn FundPlanovereenkomst genoemde aan- en verkoopkosten;  de in artikel 1 clausuleblad 5570 van zijn FundPlanovereenkomst genoemde beheerskosten (tot 2002);  de in artikel 6 clausuleblad 5570 van zijn FundPlanovereenkomst genoemde wijzigingskosten (tot 2002);

 de in artikel 1.3 algemene voorwaarden van zijn FundPlanovereenkomst genoemde termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996); 3.28. verklaart voor recht dat Aegon bij het aanbieden van de FundPlanovereenkomst aan [eiser 2] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie te verschaffen over de hoogte van de overlijdensrisicopremie; 3.29. verklaart voor recht dat tussen [eiser 2] en Aegon Levensverzekering geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van de overlijdensrisicopremie van zijn FundPlanovereenkomst ;

In de zaken van de Vereniging, [eiser 4] , [eiser 3] en [eiser 2] 3.30. compenseert de proceskosten in de zin dat partijen hun eigen kosten dragen; 3.31. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mrs. L. Alwin, M.C. Ritsema van Eck- van Drempt en A.M. Voorwinden en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017. Bijlage: de eiswijziging Ten aanzien van de Vereniging In aanvulling op hetgeen bij dagvaarding is gevorderd in de nummers 1 tot en met XIX en de nummers LXXVI en LXXVII van het petitum (hetgeen de Vereniging uitdrukkelijk handhaaft) en in aanvulling op de voorwaardelijke vorderingen van alle eisers ex artikel 843a Rv:

Voor het FundPlan I. voor recht te verklaren dat op Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product FundPlan jegens haar particuliere wederpartijen de verplichting rustte om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de hoogte van de kosten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, alsmede dat Aegon Levensverzekering deze verplichting niet is nagekomen; II. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product FundPlan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door een gebrekkig product aan hen te verkopen;

III. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product FundPlan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door hen niet te waarschuwen voor en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hen gedurende de looptijd van dit product op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen teneinde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te b eperken; IV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product FundPlan met haar voorbeeldberekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument, nu Aegon Levensverzekering heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses;

V. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product FundPlan gehouden was haar particuliere wederpartij te waarschuwen dat een hoger gemiddeld jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen; VI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product FundPlan, daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen (exacte) relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Levensverzekering op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel 6:194 BW;

VII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering ten aanzien van het product FundPlan zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de bruto premie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten teneinde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden gegenereerd, zonder dat zulks in het belang van de afnemers was; en/of voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering zich schuldig heeft gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekende over een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang was van de afnemers;

VIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product FundPlan de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens haar particuliere wederpartijen heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens haar particuliere wederpartijen door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van het FundPlan; IX. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product FundPlan onrechtmatig jegens de particuliere afnemers heeft gehandeld en/of dat Aegon Levensverzekering toerekenbaar tekort is geschoten jegens deze particuliere afnemers;

X. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product FundPlan toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was;

a) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering, ten aanzien van de voor 1juli 2002 aangeboden/verkochte FundPlannen, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door premie voor de overlijdensrisicoverzekering in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.

b) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten voor de verzekeringsmaatschappij in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond.

c) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten voor de bemiddelaar en/of verzekeringsadviseur in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond; XI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van de afnemers van een FundPlan, door kosten in te houden zonder contractuele grondslag; XII. voor recht te verklaren dat de door Aegon Levensverzekering ingehouden bedragen, waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald door de afnemers van het FundPlan;

XIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polissen FundPlan de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de bedragen die ten onrechte door Aegon Levensverzekering zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden bedragen; XIV. voor recht te verklaren dat tussen Aegon Levensverzekering en de afnemers van een FundPlan geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van: - aan- en verkoopkosten en/of - beeheerskosten (tot 1 juli 2002) en/of - - afkoopkosten en/of - wijzigingskosten en/of - overlijdensrisicopremie (vanaf 1 juli 2002) en/of - - -termijnopslag (behoudens de jaren 1994, 1995 en 1996);

XV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekeringen bij het aanbieden/verkopen van het product FundPlan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de (hoogte van de) kosten die aan de beleggingsverzekeringen zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat.

a) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekeringen vanaf juli 2002 bij het aanbieden/verkopen van het product FundPlan onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de overlijdensrisicopremie, zodat de hoogte van de overlijdensrisicopremie niet is overeengekomen met de afnemers;

b) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekeringen bij het aanbieden/verkopen van het product FundPlan onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de afkoopkosten en/of de aan- en verkoopkosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers;

c) voor recht te verklaren dat AegonLevensverzekeringen bij het aanbieden/verkopen van het FundPlan tot 1juli 2002 onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de beheerskosten en/of de wijzigingskosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers;

d) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekeringen bij het aanbieden/verkopen van het FundPlan tot 1januari 1994 en na 1januari 1997 onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de termijnopslag, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers. XVI. voor zover uw rechtbank meent dat voor de overlijdensrisicopremie (tot 2002), de kosten voor de verzekeringsmaatschappij en de kosten voor de bemiddelings- of verzekeringsadviseur een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat de bedingen: a. artikel 2 clausuleblad 5570 en/of b. artikel 6.3 van de algemene voorwaarden en/of c. artikel 7 (tot 2000)/ artikel 7.1 (vanaf 2000) algemene voorwaarden en/of van het FundPlan, op grond van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen zijn;

XVII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de overlijdensrisicopremie (tot 2002), de kosten voor de verzekeringsmaatschappij en de kosten voor de bemiddelings- of verzekeringsadviseur een contractuele grondslag aanwezig was, de bedingen: a. artikel 2 clausuleblad 5570 en/of b. artikel 6.3 van de algemene voorwaarden en/of c. artikel 7 (tot 2000)/ artikel 7.1 (vanaf 2000) algemene voorwaarden; van het FundPlan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of niet bindend tussen Aegon en de afnemers te verklaren; XVIII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de overlijdensrisicopremie (tot 2002) en/of de kosten voor de verzekeringsmaatschappij en/of de kosten voor de bemiddelings- of verzekeringsadviseur een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekeringen bij het aanbieden/verkopen van het product FundPlan onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de overlijdensrisicopremie (tot 2002) en/of de kosten voor de verzekeringsmaatschappij en/of de kosten voor de bemiddelings- of verzekeringsadviseur, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers;

Vermogensplan XIX. voor recht te verklaren dat op Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan jegens haar particuliere wederpartijen de verplichting rustte om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de hoogte van de kosten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, alsmede dat Aegon Spaarkas deze verplichting niet is nagekomen; XX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door een gebrekkig product aan hen te verkopen;

XXI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door hen niet te waarschuwen voor en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hen gedurende de looptijd van dit product, op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen teneinde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te beperken; XXII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan met haar voorbeeldberekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument, nu Aegon Spaarkas heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses;

XXIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan gehouden was haar particuliere wederpartij te waarschuwen dat een hoger gemiddeld jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen; XXIV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan, daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen (exacte) relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel 6:194 BW;

XXV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onjuiste, misleidende en/of te rooskleurige eindkapitalen voorspiegelde op het spaarcertificaat van het product Vermogensplan; XXVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas ten aanzien van het product Vermogensplan zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de bruto premie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten teneinde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden gegenereerd, zonder dat zulks in het belang van de afnemers was; en/of voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich schuldig heeft gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekende over een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang was van de afnemers;

XXVII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens haar particuliere wederpartijen heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens haar particuliere wederpartijen door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van het Vermogensplan; XXVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan onrechtmatig jegens de particuliere afnemers heeft gehandeld en/of dat Aegon Spaarkas toerekenbaar tekort is geschoten jegens deze particuliere afnemers;

XXIX. voor recht te verklaren dat artikel 1 AVvan het Vermogensplan tot en met 1998, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13; XXX. artikel 1 AV van het Vermogensplan tot en met 1998, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat dit beding geen gelding heeft tussen Aegon Spaarkas en de afnemers van het Vermogensplan; XXXI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product Vermogensplan toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was;

a) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas, ten aanzien van de voor 1januari 2000 aangeboden/verkochte producten Vermogensplan, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was;

b) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product Vermogensplan, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door fondsbeheerskosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond; XXXII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van de afnemers van een Vermogensplan, door aan- en verkoopkosten en/of fondsbeheerskosten in te houden zonder contractuele grondslag; XXXIII. voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas ingehouden aan- en verkoopkosten en/of fondsbeheerskosten, waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald door de afnemers van het Vermogensplan;

XXXIV. Voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polissen Vermogensplan de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de aan- en verkoopkosten en/of fondsbeheerskosten die ten onrechte zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden kosten; XXXV. voor recht te verklaren dat tussen Aegon Spaarkas en de afnemers van een Vermogensplan geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van: - de te betalen premie voor de overlijdensrisicoverzekering (tot 1999) - en/of - kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden en/of - afkoopkosten en/of XXXVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product Vermogensplan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de (hoogte van de) kosten die aan de beleggingsverzekeringen zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat;

a) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas tot 1 januari 1999 bij het aanbieden/verkopen van het product Vermogensplan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de overlijdensrisicoverzekeringspremie, zodat de hoogte van de overlijdensrisicopremie niet is overeengekomen met de afnemers;

b) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product Vermogensplan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de beleggingskosten en/of de afkoopkosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers; XXXVII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten voor 1 januari 2000 en de fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat de bedingen: a. artikel 7 lid 2 AV (tot en met 1995) en/of b. artikel 4 AV (vanaf 1996) van het Vermogensplan, op grond van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen zijn;

XXXVIII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten voor 1 januari 2000 en de fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was de bedingen; a. artikel 7 lid 2 AV (tot en met 1995) en/of b. artikel 4 AV (vanaf 1996) van het Vermogensplan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of niet bindend tussen Aegon Spaarkas en de afnemers te verklaren; XXXIX. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten voor 1 januari 2000 en/of voor de fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product Vermogensplan onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over deze kosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers;

KoersPlan XL. voor recht te verklaren dat op Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan jegens haar particuliere wederpartijen de verplichting rustte om te wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, alsmede dat Aegon Spaarkas deze verplichting niet is nagekomen; XLI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door een gebrekkig product aan hen te verkopen;

XLII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door hen niet te waarschuwen voor en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hen gedurende de looptijd van dit product, op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen teneinde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te beperken; XLIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan met haar voorbeeldberekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument, nu Aegon Spaarkas heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses;

XLIV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan gehouden was haar particuliere wederpartij te waarschuwen dat een hoger gemiddeld jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen; XLV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan, daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen (exacte) relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel 6:194 BW;

XLVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onjuiste, misleidende en/of te rooskleurige eindkapitalen voorspiegelde op het spaarcertificaat van het product KoersPlan; XLVII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas ten aanzien van het product KoersPlan zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de bruto premie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten teneinde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden gegenereerd, zonder dat zulks in het belang van de afnemers was; en/of voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich schuldig heeft gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekende over een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang was van de afnemers;

XLVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens haar particuliere wederpartijen heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens haar particuliere wederpartijen door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van het KoersPlan. XLIX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product KoersPlan onrechtmatig jegens de particuliere afnemers heeft gehandeld en/of dat Aegon Spaarkas toerekenbaar tekort is geschoten jegens deze particuliere afnemers;

L. voor recht te verklaren dat artikel 1 AV van het KoersPlan tot en met 1998, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13; LI. artikel 1 AV van het KoersPlan tot en met 1998, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat dit beding geen gelding heeft tussen Aegon Spaarkas en de afnemers van het KoersPlan; LII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product KoersPlantoerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.

a) voor recht te verklaren dat AegonSpaarkas, ten aanzien van de voor 1januari 2000 aangeboden/verkochte producten KoersPlan, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.

b) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkasten aanzien van de voor 1juli 2002 aangeboden/verkochte producten KoersPlan bij het aanbieden/verkopen van het product KoersPlantoerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door fondsbeheerskosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond; LIII. Voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van de afnemers van een KoersPlan, door aan- en verkoopkosten en/of fondsbeheerskosten in te houden zonder contractuele grondslag;

LIV. Voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas ingehouden aan- en verkoopkosten en/of fondsbeheerskosten, waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald door de afnemers van het KoersPlan; LV. Voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polissen KoersPlan de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de aan- en verkoopkosten en/of fondsbeheerskosten die ten onrechte zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden kosten;

LVI. Voor recht te verklaren dat tussen Aegon Spaarkas en de afnemers van een KoersPlan geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van: - de te betalen premie voor de overlijdensrisicoverzekering (tot 1999) en/of - kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden en/of – afkoopkosten; LVII. Voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product KoersPlan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de (hoogte van de) kosten die aan de beleggingsverzekeringen zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat;

a) voor recht te verklaren dat Aegonspaarkas tot 1januari 1999 bij het aanbieden/verkopen van het product KoersPlan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de overlijdensrisicoverzekeringspremie, zodat de hoogte van de overlijdens risico premie niet is overeengekomen met de afnemers;

b) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product KoersPlan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de beleggingskosten en/of de afkoopkosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers; LVIII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten voor 1januari 2000 en voor de fondsbeheerskosten voor 1 juli 2002 een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat de bedingen: a. artikel 7 lid 2 AV (tot en met 1995) en/of b. artikel 4 AV (vanaf 1996) van het KoersPlan, op grond van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen zijn;

LIX. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten voor 1 januari 2000 en voor de fondsbeheerskosten voor 1juli 2002 een contractuele grondslag aanwezig was de bedingen: a. artikel 7 lid 2 AV (tot en met 1995) en/of b. artikel 4 AV (vanaf 1996) van het KoersPlan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of niet bindend tussen Aegon Spaarkas en de afnemers te verklaren. LX. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten voor 1 januari 2000 en/of voor de fondsbeheerskosten voor 1juli 2002 een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden/verkopen van het product KoersPlan onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over deze kosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers; voor het FundPlan, Vermogensplan en KoersPlan LXI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas, voor zover mogelijk hoofdelijk, gehouden zijn de door de Vereniging gemaakte kosten tot vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid te vergoeden, welke kosten nader zijn op te maken bij staat;

LXII. Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede tot betaling van nakosten van € 131,- zonder betekening of € 199,- indien sprake is van betekening, te voldoen binnen tien dagen na de dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis en zou zij die proceskosten niet binnen die termijn voldoen — te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten gerekend vanaf de laatste dag van de voldoeningstermijn. ten aanzien van [eiser 2] (Eiser 2) In aanvulling op hetgeen [eiser 2] (Eiser 2) bij dagvaarding heeft gevorderd in de nummers LXXVIII t/m XCVII heeft gevorderd (welke vorderingen [eiser 2] uitdrukkelijk handhaaft):

LXIII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de overlijdensrisicopremie, de kosten voor de verzekeringsmaatschappij en de kosten voor de bemiddelings- of verzekeringsadviseur een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat de bedingen: a. artikel 2 clausuleblad 5570 en/of b. artikel 6.3 van de algemene voorwaarden nr. 26 en/of c. artikel 7algemene voorwaarden nr. 26 van het FundPlan op grond van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen zijn; LXIV. voor zover uw rechtbank meent dat voor de overlijdensrisicopremie, de kosten voor de verzekeringsmaatschappij en de kosten voor de bemiddelings- of verzekeringsadviseur een contractuele grondslag aanwezig was, de bedingen: a. artikel 2 clausuleblad 5570 en/of; b. artikel 6.3 van de algemene voorwaarden nr. 26 en/of; c. artikel 7 algemene voorwaarden nr. 26 van het FundPlan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat de bedingen geen gelding hebben tussen Aegon en [eiser 2] .

Ten aanzien van [eiser 3] (Eiser 3) In aanvulling op hetgeen [eiser 3] (Eiser 3) bij dagvaarding heeft gevorderd in de nummers XCVIII t/m CXVIII heeft gevorderd (welke vorderingen [eiser 3] uitdrukkelijk handhaaft): LXV. voor recht te verklaren dat artikel 1 AV 95.01 van het Vermogensplan, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13; LXVI. artikel 1 AV95.01 van het Vermogensplan, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat dit beding geen gelding heeft tussen Aegon en [eiser 3] .

LXVII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten en de fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat artikel 7 lid 2 AV 95.0l van het Vermogensplan, op grond van Richtlijn 93/13 een oneerlijke beding is; LXVIII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten en de fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was artikel 7 lid 2 AV 95.0l van het Vermogensplan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat dit beding geen gelding heeft tussen Aegon en [eiser 3] . ten aanzien van [eiser 4] (Eiser 4) In aanvulling op hetgeen [eiser 4] (Eiser 4) bij dagvaarding heeft gevorderd in de nummers CXIX t/m CXXXIX heeft gevorderd (welke vorderingen [eiser 3] uitdrukkelijk handhaaft):

LXIX. voor recht te verklaren dat artikel 1 AV 93.01 van het KoersPlan, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13; LXX. artikel 1 AV93.01 van het KoersPlan, voor zover dit artikel ziet op de definitie van de verzekeringspremie, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat dit beding geen gelding heeft tussen Aegon en [eiser 4] . LXXI. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten en voor de fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat artikel 7 lid 2 AV 93.0l van het KoersPlan, op grond van Richtlijn 93/13 een oneerlijk beding is;

LXXII. voor zover uw rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten en voor de Fondsbeheerskosten een contractuele grondslag aanwezig was artikel 7 lid 2 AV van het KoersPlan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of te verklaren dat dit beding geen gelding heeft tussen Aegon en [eiser 4] .