Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2017:4631 ECLI:NL:RBDHA:2017:4631 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:4631 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2017:4631
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 16/4101 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: F.R. Eggink), en het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder (gemachtigde: mr. M. Dalloesingh). Procesverloop Bij besluit van 2 september 2015, verzonden op 16 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) toegewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 2:15 van de Awb, artikel 2:14 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2017:4631 · Rechtbank Den Haag: Dit is in strijd met artikel 7:11 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft namelijk verzocht de documenten bij voorkeur per e-mail toe te sturen. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling van 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2770, van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1145, van 26 september 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD4379 en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0202. Het standpunt van verweerder dat de elektronische weg niet openstaat doet niet af aan het feit dat de documenten digitaal verstrekt kunnen worden.

Keywords

AI generated
distance education agreement digital divide electronic government withdrawal of administrative act digital literacy electronic service of documents

Cited Legislation

AI generated
artikel 2:15 van de Awb
Voorts heeft eiser aangegeven dat hij de documenten bij voorkeur digitaal ontvangt op zijn e-mailadres. 2 Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser op grond van de Wob toegewezen.
artikel 2:14 van de Awb
In een dergelijke situatie is artikel 2:14 van de Awb van toepassing, waaruit volgt dat een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:2770
201311375/1/A3. Datum uitspraak: 23 juli 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 oktober 2013 in zaak nr. 13/2556 in het geding tussen: [appellant] en de raad van de gemeente Noordoostpolder. Procesverloop Bij besluit van 13 juli 2012 heeft de raad een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen. Bij besluit van 24 januari 2013 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2014:1145
201300417/1/A3. Datum uitspraak: 2 april 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de korpschef van politie, appellant, tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 22 december 2011 en 26 november 2012 in zaak nr. 09/3223 in het geding tussen: [verzoeker], wonend te [woonplaats] en de korpsbeheerder van de politie Utrecht (thans: de korpschef van politie). Procesverloop Bij besluit van 13 juli 2009 heeft de korpsbeheerder, voor zover thans van belang, een verzoek van [verzoeker] om openbaarmaking van geluidsbanden van het portofoonverkeer tijdens een demonstratie van de Nederlandse Volks-Unie in Amersfoort op 21 februari 2009, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2001:AD4379
Procesverloop Bij besluit van 22 juni 1998 hebben burgemeester en wethouders van Heel (hierna: burgemeester en wethouders) afwijzend beslist op een verzoek van appellant hem een afschrift te doen toekomen van documenten uit het bijstandsdossier van zijn ex-echtgenote X (hierna: X). Bij besluit van 26 augustus 1998 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 3 mei 1999, verzonden op 12 mei 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders een nieuw besluit nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is gesteld.
ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0202
PROCESVERLOOP Deze rechtbank heeft op 8 mei 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 6 april 2006 (verder: het bestreden besluit).
ECLI:NL:RVS:2016:2867
201600896/1/A3. Datum uitspraak: 2 november 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Ermelo, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 13 mei 2013 heeft het college met toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) aan [appellant] een overzicht verstrekt van de bedragen die oud-wethouders over de periode van 2000 tot 3 mei 2013 aan wachtgelden hebben ontvangen. Bij besluit van 23 december 2015 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en openbaar gemaakt 32 loonstaten en 4 jaaropgaven van oud-wethouders die wachtgelden hebben ontvangen.
ECLI:NL:RVS:2015:1230
201402261/1/A3. Datum uitspraak: 22 april 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Eibergen, gemeente Berkelland, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 januari 2014 in zaak nr. 13/5187 in het geding tussen: [appellant] en de heffingsambtenaar van de gemeente Berkelland. Procesverloop Bij besluit van 14 februari 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland (hierna: het college) op het verzoek om informatie van [appellant] beslist. Bij besluit van 8 juli 2013 heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Berkelland het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 16/4101 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: F.R. Eggink), en het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder (gemachtigde: mr. M. Dalloesingh). Procesverloop Bij besluit van 2 september 2015, verzonden op 16 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) toegewezen.

Bij besluit van 20 april 2016, verzonden op 21 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn beiden, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Bij brief van 17 augustus 2015 heeft eiser met een beroep op de Wob aan verweerder verzocht om openbaarmaking van informatie aangaande de wetswijziging van 01-01-2015 toepassing Wet sociale werkvoorziening (WSW) regeling in de gemeente Pijnacker-Nootdorp.

Meer specifiek heeft eiser verzocht om de volgende documenten: - beleidsstukken aangaande de wetswijzigingen per 01-01-2015 in het kader van de WSW; - schriftelijke afspraken met de uitvoeringsinstantie (sociale werkplaats); - aantekeningen van brainstormsessies aangaande dit onderwerp. Daarbij verzoekt eiser verweerder dat als er kosten zijn verbonden aan het verstrekken van de verzochte documenten, verweerder van te voren een overzicht hiervan toestuurt en wacht op eisers goedkeuring. Voorts heeft eiser aangegeven dat hij de documenten bij voorkeur digitaal ontvangt op zijn e-mailadres. 2 Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser op grond van de Wob toegewezen.

Daarbij heeft verweerder te kennen gegeven dat de gevraagde documenten deels reeds openbaar en te raadplegen zijn op: http://wwww.pijnacker-nootdorp.nl/politiek-en-organisatie/verordeningen-en-regelingen.htm. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat eiser in de besluitenlijsten van de collegevergaderingen ook informatie kan vinden met betrekking tot het onderwerp en dat deze te vinden zijn op http://www.pijnacker-nootdorp.nl/artikel/besluitenlijstencollegevergaderingen.htm. De onderliggende collegeadviezen ‘Uitvoering Wet sociale werkvoorziening vanaf 2015’ en ‘Onderzoek uitvoering Wet sociale werkvoorziening’ zijn niet te raadplegen op de website.

Voor zover eisers verzoek betrekking heeft op een contract waarbij een derde-belanghebbende is betrokken, heeft verweerder deze belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van eisers verzoek. De derde-belanghebbende heeft ingestemd met het verstrekken van het contract met inachtneming van de Wob, aldus verweerder. Verweerder heeft aangegeven dat eiser de collegeadviezen en het contract kan inzien op het gemeentekantoor en zo nodig tegen betaling van leges kopieën kan (laten) maken. Daarbij heeft verweerder gewezen op het sinds december 2014 bestaande beleid dat inhoudt dat documenten in het kader van de Wob niet worden toegezonden, maar kunnen worden ingezien op het gemeentekantoor (hierna: het beleid).

Voorts heeft verweerder bij het primaire besluit kenbaar gemaakt dat ten aanzien van de college-adviezen en het contract de weigerings- c.q. beperkingsgronden gelden zoals neergelegd in artikel 10, tweede lid, sub e, en artikel 10, tweede lid, sub b en g, van de Wob. Andere dan de hiervoor genoemde zijn volgens verweerder niet aanwezig. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 3 Eiser voert in beroep – samengevat weergegeven – het volgende aan. De Commissie behandeling bezwaarschriften (hierna: de Commissie) is onvoldoende ingegaan op de bezwaargronden en de genoemde jurisprudentie.

De Commissie verwijst naar een aantal uitspraken van rechtbanken die niet gepubliceerd en bijgevoegd zijn, terwijl er uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bekend zijn waaruit volgt dat documenten die op grond van de Wob worden verzocht, openbaar gemaakt dienen te worden in de verzochte vorm, tenzij gemotiveerd wordt waarom dit niet mogelijk zou zijn. Van een dergelijke motivatie is niet gebleken in de besluitvorming. Verweerder geeft slechts aan dat sinds 2014 regels zijn opgesteld die inhouden dat Wob-verzoekers documenten kunnen inzien op het gemeentekantoor.

Dit is in strijd met artikel 7:11 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft namelijk verzocht de documenten bij voorkeur per e-mail toe te sturen. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling van 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2770, van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1145, van 26 september 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD4379 en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0202. Het standpunt van verweerder dat de elektronische weg niet openstaat doet niet af aan het feit dat de documenten digitaal verstrekt kunnen worden.

Het niet openen van de elektronische weg heeft slechts betrekking op het indienen van verzoeken of bezwaarschriften. 4 Verweerder heeft gemotiveerd verweerder gevoerd. 5 Ingevolge artikel 3 van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door: kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken; kennisneming van de inhoud toe te staan; een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzocht vorm, tenzij: a. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden; b. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is. 6 De rechtbank overweegt als volgt. 6.1 Voorop gesteld dient te worden dat de juistheid van het besluit van verweerder om tot openbaarmaking van de gevraagde documenten over te gaan hier niet ter discussie staat.

Uitsluitend in geschil is de vraag op welke wijze de openbaarmaking dient te geschieden. Deze vraag ziet slechts op de collegeadviezen en het contract, nu uit het bestreden besluit blijkt dat de overige documenten via internet zijn te raadplegen dan wel niet aanwezig zijn bij verweerder. 6.2 De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het onderhavige beroep. Verweerder voert aan dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, omdat aan eisers verzoek om informatie op grond van de Wob is tegemoetgekomen door de gevraagde documenten ter inzage te leggen.

De vorm waarin de informatie wordt verstrekt is volgens verweerder geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar en beroep open staat. De rechtbank is, anders dan verweerder en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2867, rechtsoverweging 4.1.1, van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij en dus ontvankelijk is in de onderhavige beroepsprocedure. De door eiser voorgedragen grond ziet op de vorm waarin de gevraagde informatie openbaar is gemaakt door verweerder.

De vorm van informatieverstrekking maakt deel uit van het besluit op het Wob-verzoek en eiser kan daar derhalve beroepsgronden tegen richten. Nu eiser de documenten in een andere vorm verstrekt wil krijgen dan thans door verweerder beschikbaar gesteld, heeft hij belang bij het beroep. 6.3 Eiser heeft bij zijn Wob-verzoek te kennen gegeven dat hij de documenten bij voorkeur digitaal ontvangt op zijn e-mailadres. Verweerder heeft zowel in de besluitvorming als in het verweerschrift onder verwijzing naar voornoemd beleid vermeld dat eiser de collegeadviezen en het contract kan inzien op het gemeentekantoor en zo nodig tegen betaling van leges kopieën kan (laten) maken.

Zoals volgt uit artikel 7, tweede lid, van de Wob, dient verweerder de informatie in de door eiser verzochte vorm te verstrekken, in dit geval digitaal op zijn e-mailadres, tenzij het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden van verweerder of de informatie reeds in een andere, voor eiser gemakkelijk toegankelijke vorm beschikbaar is. De rechtbank is, gelet op de jurisprudentie (zie bijvoorbeeld voornoemde uitspraak van de Afdeling), van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat geen kopieën van collegeadviezen en het contract kunnen worden verstrekt ontoereikend heeft gemotiveerd.

De toelichting van verweerder dat het de documenten tot openbaarmaking ter inzage heeft gelegd naar aanleiding van het verzoek van eiser en conform het sinds december 2014 geldende beleid, is daartoe onvoldoende. Deze situatie valt namelijk niet onder de uitzondering als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a of b, van de Wob, nu die documenten niet reeds, afzonderlijk van het verzoek van eiser, voor het publiek beschikbaar waren en verweerder ook niet heeft gesteld, en evenmin is gebleken, dat het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden. 6.4 Met betrekking tot het standpunt van verweerder dat de gevraagde documenten niet per e-mail aan eiser kunnen worden verzonden, omdat verweerder de digitale weg heeft afgesloten voor Wob-verzoeken en alle communicatie die daaruit voortvloeit, overweegt de rechtbank als volgt.

Voor zover verweerder in dit kader naar artikel 2:15 van de Awb heeft verwezen, waaruit volgt dat een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan kan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend, overweegt de rechtbank dat dit wetsartikel niet ziet op het onderhavige geval. Het wetsartikel omschrijft immers de situatie waarin eiser berichten en documenten aan verweerder verzendt, terwijl het in dit geval juist gaat om elektronische verzending van documenten van verweerder aan eiser. In een dergelijke situatie is artikel 2:14 van de Awb van toepassing, waaruit volgt dat een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.

Ook uit jurisprudentie volgt dat de documenten in beginsel worden verstrekt in de door eiser verzochte vorm, ook als dit de digitale vorm betreft. Dit is slechts anders indien het verstrekken in digitale vorm, gelet op de hoeveelheid extra werk, redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden gevergd (vgl. de uitspraken van de Afdeling van 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1230 en van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2867). De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor een dergelijk oordeel, te meer nu de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat de betreffende documenten slechts een aantal pagina’s beslaan. 6.5 Eerst ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat sprake is van misbruik van recht.

Hierover heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangevoerd dat eiser sinds 2010 één á twee keer per jaar een Wob-verzoek indient bij verweerder waarbij hij elke keer verzoekt om toezending van de gevraagde documenten via de elektronische weg. Verweerder wijst het Wob-verzoek elke keer toe, met dien verstande dat de gevraagde documenten sinds de totstandkoming van het nieuwe beleid in december 2014 niet aan eiser verzonden worden, maar eiser de documenten kan inzien op het gemeentehuis. Vervolgens verschijnt eiser niet op de door verweerder geplande hoorzittingen en ook laat hij na een afspraak te maken om de ter inzage gelegde documenten in te zien, aldus verweerder.

Nog daargelaten dat verweerder zich eerst ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van misbruik van recht, ziet de rechtbank in de door verweerder geschetste gang van zaken onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval sprake is van misbruik van recht. 6.6 Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte niet heeft besloten tot verstrekking van de gevraagde informatie in de door eiser verzochte vorm (per e-mail). 7 Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7, tweede lid, van de Wob te worden vernietigd, voor zover verweerder heeft besloten dat de documenten worden verstrekt door middel van inzage.

De rechtbank zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Verweerder zal worden opgedragen om de documenten die het bij het primaire besluit openbaar heeft gemaakt aan eiser per e-mail te doen toesturen, behoudens aanwezige weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10 en artikel 11 van de Wob. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 8 Nu het beroep gegrond is verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 495,- (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder heeft besloten dat de documenten worden verstrekt door middel van inzage; - draagt verweerder op om binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak de bij het bestreden besluit openbaar gemaakte documenten aan eiser per e-mail te doen toekomen, behoudens aanwezige weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10 en artikel 11 van de Wob; - bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 495,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Tijsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2017. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.