Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2017:417 ECLI:NL:RBDHA:2017:417 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:417 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2017:417
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/17767 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 2016 in de zaak tussen [verzoekster] , geboren op [1983] , van Somalische nationaliteit, verzoekster (gemachtigde: mr. E.L. Garnett), en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 8 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 31 mei 2016 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2017:417 · Rechtbank Den Haag: Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Keywords

AI generated
family residence permit placement of a child habitual residence of child foreign resident rights family asylum for eritreans removal

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:665
12/6791 AKW-P en 12/4197 WWB-P e.v.
ECLI:NL:HR:2014:699
28 maart 2014 nr. 12/03888 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 juli 2012, nr. 11/00917, op het verzet van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van het Hof betreffende naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.
ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443
201110325/1/V2. Datum uitspraak: 6 maart 2013 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 31 augustus 2011 in zaak nr. 10/30679 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister voor Immigratie en Asiel. Procesverloop Bij besluit van 20 april 2010 heeft de minister van Justitie voor zover thans van belang de vreemdeling ongewenst verklaard.
ECLI:NL:CRVB:2015:282
Datum uitspraak: 13 februari 2015 13/1349 WWB-V Centrale Raad van Beroep Grote kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2013, 11/2617 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) College van burgemeester en wethouders van Den Helder (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 juni 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/17767 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 2016 in de zaak tussen [verzoekster] , geboren op [1983] , van Somalische nationaliteit, verzoekster (gemachtigde: mr. E.L. Garnett), en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 8 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 31 mei 2016 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen Over het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening 1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond.

2. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen omdat zij, kort samengevat, niet over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beschikt en zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

5. Verzoekster heeft onder meer aangevoerd dat zij gezinsleven uitoefent met haar twee minderjarige kinderen die de Nederlandse nationaliteit bezitten en heeft daarbij een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 maart 2011 inzake Ruiz Zambrano, C-34/09 en op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:665), waarin de CRvB uitleg heeft gevraagd aan het Hof over de vraag onder welke voorwaarden een moeder zonder verblijfsvergunning een verblijfsrecht kan ontlenen aan het feit dat haar kind de Nederlandse nationaliteit heeft.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt hetgeen in onderhavige zaak aan de orde is gesteld onder de reikwijdte van voornoemde prejudiciële vragen van de CRvB. De beantwoording van deze vragen door het Hof is daarom van belang voor de beoordeling van het bezwaar van verzoekster, zodat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het onderzoek in het bezwaar in afwachting daarvan dient te worden aangehouden. Gelet hierop is er sprake van onverwijlde spoed voor verzoekster bij de gevraagde voorziening en ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter zal de werking van het primaire besluit schorsen en bepalen dat uitzetting achterwege blijft tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Over het verzoek tot vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht 1. Verzoekster heeft op 19 augustus 2016 verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht, omdat zij niet over (voldoende) inkomsten of vermogen beschikt.

2. De voorzieningenrechter heeft het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:699), de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443) en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) in acht genomen.

3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster met de door haar overlegde inkomens- en vermogensgegevens voldoende aannemelijk gemaakt dat het netto-inkomen waarover zij maandelijks beschikt minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende maximale bijstandsnorm en voorts dat zij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. In dit geval maakt de heffing van het griffierecht het voor verzoekster onmogelijk of uiterst moeilijk gebruik te maken van een door de wet opgestelde rechtsgang. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster geen griffierecht is verschuldigd. Dat betekent dat verweerder het griffierecht niet hoeft te vergoeden.

7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder wel in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 496,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 496,-). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;- verbiedt verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 496,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2016. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.