Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2017:2656 ECLI:NL:RBDHA:2017:2656 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:2656 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2017:2656
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 16/30379 V-nummer: [nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 maart 2017 in de zaak tussen [eiser], eiser, gemachtigde A.H. Rijkse, en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, gemachtigde mr. V. Schröder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 december 2016 (het bestreden besluit) waarbij zijn asielaanvraag is afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2017:2656 · Rechtbank Den Haag: Vervolgens heeft eiser, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 juli 2016 (AWB 16/13706), van 2 februari 2017 (AWB 16/21186) en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 21 december 2016 (AWB 16/18614) aangevoerd, dat hij bij zijn terugkeer over de ‘death road’ zal moeten reizen. Tijdens deze reis loopt hij een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, gelet op de vele aanvallen op Hazara’s door de Taliban op deze route. Verweerder heeft dit volgens hen ten onrechte niet in de beoordeling meegenomen.

Keywords

AI generated
risk of torture flight risk extraordinary risk war risk well-founded fear of persecution threat of narcotics trafficking

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
Tijdens deze reis loopt hij een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, gelet op de vele aanvallen op Hazara’s door de Taliban op deze route.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:2731
201603587/1/V2. Datum uitspraak: 20 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2016 in zaak nr. 16/7358 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 10 april 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 9 mei 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2016:3513
201503259/1/V2. Datum uitspraak: 30 december 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 27 maart 2015 in zaken nrs. 14/20590 en 14/20591 in het geding tussen: [vreemdeling 2] en [vreemdeling 1], mede voor haar minderjarige kinderen (allen tezamen: de vreemdelingen), en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 15 augustus 2014 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, en tegen hen een inreisverbod uitgevaardigd.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 16/30379 V-nummer: [nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 maart 2017 in de zaak tussen [eiser], eiser, gemachtigde A.H. Rijkse, en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, gemachtigde mr. V. Schröder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 december 2016 (het bestreden besluit) waarbij zijn asielaanvraag is afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 16 februari 2017. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig T. Wasseghi, tolk in de Dari taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Afghaanse nationaliteit. Op 27 december 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft aan zijn aanvraag het volgende ten grondslag gelegd.

2. Eiser is afkomstig uit een dorp in het district Behsud, provincie Maidan Wardak, behoort tot de Hazara bevolkingsgroep en is sjiitisch moslim. Zijn vader, die dorpsoudste was, is in juli/augustus 2014 door de Taliban vermoord. Op zijn stoffelijk overschot is een filmpje gevonden waarop is te zien dat hij werd gemarteld. Een jaar later hebben drie gewapende mannen het ouderlijk huis aangevallen en in brand gestoken. Eiser, zijn moeder en zijn broer zijn gevlucht. In Kabul zijn ze in contact gekomen met een vriend, die hen vertelde dat zij werden gezocht door de vier personen, die verantwoordelijk waren voor de dood van de vader van het gezin. Volgens deze vriend hadden deze vier personen foto’s verspreid in de omliggende dorpen. Eiser, zijn moeder en zijn broer zijn met de hulp van deze vriend uit Afghanistan vertrokken.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook de moord op de vader wordt geloofwaardig geacht. De verklaringen van eiser over de problemen die het gezin naderhand heeft ondervonden en zijn verklaring dat zij worden gezocht door dezelfde personen die vader hebben vermoord worden echter niet geloofwaardig geacht. Volgens verweerder behoort eiser niet tot een risicogroep dan wel een kwetsbare minderheidsgroep. Hazara’s lopen weliswaar risico’s bij het reizen, maar een reëel risico op schending van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt niet aangenomen. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het zogenoemde traumatabeleid.

4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en het verweerschrift niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen na de moord op de vader ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat de uitvaartdienst van vader volgens eiser veilig was en dat er daarna geen sprake was van dreigementen. Niet valt in te zien waarom degenen die verantwoordelijk waren voor de moord, eerst na een jaar op zoek gaan naar eiser en vervolgens het ouderlijk huis in brand steken. Eisers verklaringen voor het tijdsverloop, dat de daders het gezin niet konden vinden en dat de degenen die hem zoeken, Kuchi’s zijn, nomaden die in het gebied rondtrekken en samenwerken met de Taliban, zijn terecht terzijde geschoven.

Het is niet aannemelijk dat de daders van de moord op eisers vader niet eenvoudig zouden kunnen achterhalen waar het gezin woonachtig was, nu vader dorpsoudste was. Ook de omstandigheid dat de vader zich een fel tegenstander van de nomaden had getoond en dat met zijn dood dat verzet was geëindigd, heeft verweerder niet ten onrechte betrokken bij de twijfel aan de belangstelling voor eiser.

6. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Hazara, afkomstig uit het district Behsud, in de provincie Maidan Wardak, behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep dan wel risicogroep. Ook blijkens zijn overige verklaringen heeft eiser in zijn district en in zijn dorp, waar Hazara’s in de meerderheid zijn, geen noemenswaardige problemen ondervonden vanwege zijn afkomst. Steun voor het oordeel dat Hazara’s in Afghanistan geen reëel risico lopen op vervolging of een onmenselijke behandeling, wordt eveneens gevonden in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2731 en 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3513). Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de door eiser overgelegde informatie van VluchtelingenWerk grotendeels dateert van 2015 en eerder.

7. Vervolgens heeft eiser, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 juli 2016 (AWB 16/13706), van 2 februari 2017 (AWB 16/21186) en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 21 december 2016 (AWB 16/18614) aangevoerd, dat hij bij zijn terugkeer over de ‘death road’ zal moeten reizen. Tijdens deze reis loopt hij een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, gelet op de vele aanvallen op Hazara’s door de Taliban op deze route. Verweerder heeft dit volgens hen ten onrechte niet in de beoordeling meegenomen.

8. In reactie hierop heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat de weg naar Behsud een andere is dan die van Bamyan via Wardak, die volgens het ambtsbericht als ‘death road’ bekend staat. De weg naar Behsud ligt zuidelijker. Volgens verweerder kan eiser via een andere route dan de ‘death road’ reizen naar zijn herkomstgebied.

9. Vervolgens heeft eiser ter zitting op zijn mobiele telefoon een Engelstalig artikel getoond van 24 januari 2016. Volgens eiser blijkt hieruit dat de weg die hij moet afleggen, de bedoelde gevaarlijke weg is en dat dit voor hem de enige route naar huis is.

10. De rechtbank is van oordeel dat eiser op deze wijze en met dit -overigens onvertaalde- bericht, waarvan de bron bovendien onbekend is, niet heeft aangetoond dat voornoemd standpunt van verweerder onjuist is. Ook heeft eiser niet aangetoond dat hij uitsluitend over de ‘death road’ moet reizen om naar zijn herkomstgebied te kunnen terugkeren.

11. Tot slot heeft verweerder het beroep van eiser op het zogenoemde traumatabeleid, gelet op het oordeel in rechtsoverweging 5, terecht afgewezen. Niet aannemelijk is dat de dood van zijn vader, ook gelet op het tijdsverloop, voor eiser de aanleiding is geweest voor zijn vertrek.

12. Eiser heeft gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.