Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2017:2285 ECLI:NL:RBDHA:2017:2285 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:2285 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2017:2285
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/498246 / KG ZA 15-1589 Vonnis in kort geding van 9 maart 2017 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PUTKAST B.V., gevestigd te Wormerveer, eiseres, advocaat mr. A.E. Heezius te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CUSTOM BUILT MACHINERY B.V., gevestigd te Montfoort, gedaagde, advocaat mr. S.M. Kaak te Utrecht. Partijen zullen hierna Putkast en CBM genoemd worden. 1De procedure 1.1. Putkast heeft CBM op 23 oktober 2015 doen dagvaarden om op 11 december 2015 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank.

Legislator headnote

AI generated

artikel 249 Rv, artikel 1019h Rv; ECLI:NL:RBDHA:2017:2285 · Rechtbank Den Haag: Bij brieven van 23 september en 15 november 2016 heeft CBM de voorzieningenrechter verzocht vonnis te wijzen. 1.4. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten en nu partijen zulks niet (langer) verzoeken, acht de voorzieningenrechter behandeling ter zitting niet noodzakelijk. Vonnis is uiteindelijk bepaald op heden. 2Overwegingen 2.1. In artikel 249 Rv is met betrekking tot de bodemprocedures bepaald dat de eiser bij afstand van instantie verplicht is de proceskosten van gedaagde te betalen. In zijn uitspraak van 3 juni 2016 heeft de Hoge Raad overwogen dat voormelde bepaling, tezamen met de artikelen 125-127 en 250 Rv, niet op het kort geding in eerste aanleg van toepassing is.

Keywords

AI generated
procedural costs assumption of costs disability-related expenses professional expenses costs under foreigners act ongoing procedure

Cited Legislation

AI generated
artikel 249 Rv
In artikel 249 Rv is met betrekking tot de bodemprocedures bepaald dat de eiser bij afstand van instantie verplicht is de proceskosten van gedaagde te betalen.
artikel 1019h Rv
Op de na 27 november 2015 door CBM gemaakte kosten is artikel 1019h Rv niet van toepassing, zodat deze kosten hierna overeenkomstig het liquidatietarief worden begroot.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2015:8082
Als de eisende partij na het uitbrengen van de dagvaarding maar voorafgaand aan (het uitroepen van) de mondelinge behandeling de rechtbank (schriftelijk) mededeelt dat de zaak wordt ‘ingetrokken’, komt dan daarmee de aanhangigheid van het kort geding te vervallen (ex artikel 125 leden 2 en 5 Rv)? Maakt het voor het antwoord op deze vraag uit of op het moment van die mededeling de eisende partij al dan niet reeds (een kopie van) de uitgebrachte dagvaarding aan de rechtbank heeft gezonden? 4.24. GIA c.s. stelt voor om aan vraag 1 (dat zij heeft hernummerd tot vraag 1 met onderdeel a) de volgende onderdelen toe te voegen : b.
ECLI:NL:HR:2016:1087
Zijn de art. 125-127 Rv respectievelijk 249-250 Rv van (overeenkomstige) toepassing in kort geding? 2. Hoe verhouden die bepalingen zich in dat geval tot elkaar? 3. Hoe moet in kort geding art. 249 lid 2 Rv worden toegepast? 4. Maakt het verschil of het gaat om art. 1019h Rv? 5. Is griffierecht verschuldigd? 6. Gelding van art. 9 Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie (hierna: Procesreglement); is overgangsrecht nodig? Ad 1. Zijn de art. 125-127 Rv respectievelijk 249-250 Rv van (overeenkomstige) toepassing in kort geding? 3.3.1 Art. 78 Rv bepaalt dat de tweede titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is op alle zaken waarop niet ingevolge art. 261 Rv de derde titel van toepassing is, en voor zover daarop niet een andere, bijzondere wettelijke regeling van toepassing is.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/498246 / KG ZA 15-1589 Vonnis in kort geding van 9 maart 2017 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PUTKAST B.V., gevestigd te Wormerveer, eiseres, advocaat mr. A.E. Heezius te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CUSTOM BUILT MACHINERY B.V., gevestigd te Montfoort, gedaagde, advocaat mr. S.M. Kaak te Utrecht. Partijen zullen hierna Putkast en CBM genoemd worden. 1De procedure 1.1. Putkast heeft CBM op 23 oktober 2015 doen dagvaarden om op 11 december 2015 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank.

Op 10 november 2015 heeft Putkast de zaak ingetrokken, waarna CBM bij brief van 27 november 2015 de voorzieningenrechter heeft verzocht Putkast te veroordelen in de proceskosten op grond van artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), door CBM gespecificeerd op € 13.375,85 (inclusief BTW). Vervolgens heeft de voorzieningenrechter op 1 december 2015 te kennen gegeven dat de zaak wordt aangehouden in afwachting van antwoorden van de Hoge Raad op voordien, bij vonnis van 10 juli 2015, door deze rechtbank gestelde prejudiciële vragen. 1.2.

Nadat de Hoge Raad bij uitspraak van 3 juni 2016 antwoord had gegeven op de prejudiciële vragen, heeft CBM bij e-mail van 6 juni 2016 verzocht om voortzetting van de procedure. Bij e-mail van 7 juni 2016 heeft Putkast daarop gereageerd en verzocht tot afwijzing van zowel het verzoek om een nieuwe datumbepaling als het verzoek tot vergoeding van de proceskosten. Bij e-mail van eveneens 7 juni 2016 heeft CBM haar vordering tot vergoeding van de proceskosten vermeerderd tot € 13.848,48 (exclusief BTW). Bij e-mail van opnieuw 7 juni 2016 heeft Putkast haar verzoek tot afwijzing gehandhaafd. 1.3.

Bij brieven van 23 september en 15 november 2016 heeft CBM de voorzieningenrechter verzocht vonnis te wijzen. 1.4. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten en nu partijen zulks niet (langer) verzoeken, acht de voorzieningenrechter behandeling ter zitting niet noodzakelijk. Vonnis is uiteindelijk bepaald op heden. 2Overwegingen 2.1. In artikel 249 Rv is met betrekking tot de bodemprocedures bepaald dat de eiser bij afstand van instantie verplicht is de proceskosten van gedaagde te betalen. In zijn uitspraak van 3 juni 2016 heeft de Hoge Raad overwogen dat voormelde bepaling, tezamen met de artikelen 125-127 en 250 Rv, niet op het kort geding in eerste aanleg van toepassing is.

Deze regels bieden echter wel aanknopingspunten op grond waarvan de voorzieningenrechter onder de door de Hoge Raad gegeven voorwaarden op vordering van gedaagde beslist op een tussen partijen gerezen geschil over de vergoeding van proceskosten na intrekking van een kort geding. 2.2. In zijn uitspraak van 3 juni 2016 heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat indien eiser het kort geding intrekt de aanhangigheid daarvan niet komt te vervallen indien de gedaagde tijdig aan de eiser en de voorzieningenrechter mededeelt dat het geding desondanks doorgang dient te vinden omdat hij een beslissing van de voorzieningenrechter omtrent de proceskosten verlangt.

De door de Hoge Raad vastgestelde termijn waarbinnen de mededeling dient te worden gedaan bedraagt veertien dagen na datum waartegen gedaagde oorspronkelijk was opgeroepen, waarna een dergelijke vordering (ook in een afzonderlijke procedure) niet meer mogelijk is (uitgezonderd het in door de Hoge Raad in r.o. 3.8.3-3.8.4 bepaalde overgangsregime). 2.3. In de onderhavige zaak is de mededeling van CBM dat zij vergoeding van haar kosten vordert binnen de gestelde veertiendagentermijn gedaan. CBM heeft dit immers gedaan bij brief van 27 november 2015, derhalve vóór de aangezegde dag (11 december 2015) en daarmee (ruim) vóór het verstrijken van de veertiendagentermijn.

Op 1 december 2015 is de beslissing op het verzoek van CBM voor onbepaalde tijd aangehouden. Het verweer van Putkast dat de onderhavige zaak niet meer aanhangig is, moet daarom worden verworpen. 2.4. In de dagvaarding vorderde Putkast een inbreukverbod in verband met de door haar gestelde inbreuk op het Nederlandse octrooi 2000407 door CBM. In haar brief van 27 november 2015 heeft CBM gesteld dat Putkast het kort geding heeft ingetrokken nadat zij Putkast er per e-mail op had gewezen dat haar octrooi nietig was. Putkast heeft dit niet bestreden zodat zij moet worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij en aldus zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

CBM vordert vergoeding van haar kosten die volgens haar gespecificeerde opgave (met afdrukdatum 27 november 2015), inclusief verschotten, € 11.054,42 (exclusief BTW) bedragen. Aangezien Putkast tegen deze opgave geen zelfstandig verweer heeft gevoerd, komen deze kosten voor toewijzing in aanmerking. 2.5. Aangezien de voorzieningenrechter op het geschil over de proceskosten moet beslissen, zijn partijen op grond van artikel 3 lid 1 Wgbz (alsnog) griffierecht verschuldigd. 2.6. Putkast zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de overige kosten van deze procedure.

Op de na 27 november 2015 door CBM gemaakte kosten is artikel 1019h Rv niet van toepassing, zodat deze kosten hierna overeenkomstig het liquidatietarief worden begroot. Deze kosten worden aan de zijde van CBM begroot op € 613,- aan griffierecht (tarief 2015). Nu er geen zitting heeft plaatsgevonden en er nu de proceshandelingen van partijen niet zijn gelijk te stellen aan aktes met een bijzondere inhoud, wordt de vergoeding voor het salaris van de advocaat begroot op nihil. De kostenveroordeling komt daarmee in totaal op € 11.667,42. Nu CBM dat ook niet heeft verzocht, zal deze veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

3De beslissing

De voorzieningenrechter: 3.1. veroordeelt Putkast in de proceskosten, tot dusver aan de zijde van CBM begroot op € 11.667,42. Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Brinkman en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017. Rechtbank Den Haag 10 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:8082. Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087. Wet griffierechten burgerlijke zaken. Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087: r.o. 3.7. Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087: r.o. 3.6.