Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2017:16262 ECLI:NL:RBDHA:2017:16262 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:16262 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2017:16262
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL17.7136 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2017 in de zaak tussen [eiseres], eiseres, mede namens haar minderjarige kind [kind] (gemachtigde: mr. D.J. Merhottein), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder (gemachtigde: mr. P. van Zijl). Procesverloop Bij besluit van 21 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:16262 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank stelt allereerst vast dat er op grond van de Venezolaanse nationaliteitwetgeving waarop verweerder zich heeft beroepen vanuit mocht worden gegaan dat eiseres de Venezolaanse nationaliteit heeft. Dit geldt echter niet voor haar minderjarige zoon. Voor hem geldt dat hij de Venezolaanse nationaliteit desgevraagd zou kunnen verkrijgen.

Keywords

AI generated
asylum for Syrian nationals nationality international protection temporary protection Albanian asylum request ukrainian nationals

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:2815
A person whose father or mother is a national of the Republic of Korea at the time of the person’s birth; A person whose father was a national of the Republic of Korea at the time of the father’s death, if the person’s father died before the person’s birth;
ECLI:NL:RVS:2015:2954
201502500/1/V2. Datum uitspraak: 11 september 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 27 februari 2015 in zaak nr. 14/15868 in het geding tussen: [vreemdeling 1] (lees: [vreemdeling 2]), mede voor haar minderjarig kind (hierna: de dochter), en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 10 juni 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2016:1240
201601186/1/V2. Datum uitspraak: 28 april 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 11 februari 2016 in zaak nr. 16/1339 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 19 januari 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL17.7136 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2017 in de zaak tussen [eiseres], eiseres, mede namens haar minderjarige kind [kind] (gemachtigde: mr. D.J. Merhottein), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder (gemachtigde: mr. P. van Zijl). Procesverloop Bij besluit van 21 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tweemaal aanvullende gronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft door de rechtbank verzochte vertalingen ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hanina. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep gegrond;  vernietigt het bestreden besluit;  draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

 veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 990,- (negenhonderdnegentig euro). Overwegingen 1. In geschil is de vraag of verweerder de asielaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 omdat zij naast de Syrische tevens de Venezolaanse nationaliteit heeft en om die reden in Venezuela bescherming kan krijgen.

2. De rechtbank stelt allereerst vast dat er op grond van de Venezolaanse nationaliteitwetgeving waarop verweerder zich heeft beroepen vanuit mocht worden gegaan dat eiseres de Venezolaanse nationaliteit heeft. Dit geldt echter niet voor haar minderjarige zoon. Voor hem geldt dat hij de Venezolaanse nationaliteit desgevraagd zou kunnen verkrijgen.

3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in bestendige jurisprudentie uiteengezet wat het te hanteren toetsingskader is bij het tegenwerpen van een beschermingsalternatief als het onderhavige. Daarbij verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2815, 11 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2954 en 28 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1240. Vereist is dat de vreemdeling de nationaliteit van het desbetreffende land op het moment van tegenwerping daadwerkelijk heeft en de bescherming van dat land kan krijgen. Tevens is vereist dat van de vreemdeling in redelijkheid kan worden verwacht dat hij zich onder de bescherming van de autoriteiten van het desbetreffende land stelt. Daarbij rust de bewijslast op verweerder en is verweerder gehouden om in te gaan op alle door de vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Verweerder is ruim onvoldoende ingegaan op de door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden. Zo heeft verweerder geen aandacht besteed aan de stellingen van eiseres dat zij reeds vóór haar eerste verjaardag uit Venezuela is vertrokken; dat zij de taal niet spreekt; dat zij er geen familie heeft; dat haar echtgenoot en kinderen de Venezolaanse nationaliteit niet bezitten en in Syrië, oorlogsgebied verblijven en dat het in Venezuela niet veilig is. Het bestreden besluit is dan ook niet deugdelijk gemotiveerd.

5. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu verweerder nader onderzoek zal moeten doen naar diverse aspecten van het bestreden besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen zoals ter zitting door verweerder verzocht, noch om anderszins tot een definitieve beslechting van het geschil te komen.

6. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Deze uitspraak is gedaan door mr.

C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op 21 december 2017. griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.