Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2017:14572 ECLI:NL:RBDHA:2017:14572 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:14572 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2017:14572
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/3973 MAW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2017 in de zaak tussen [eiser], te [plaats], eiser (gemachtigde: mr. R. Küçükünal), en de minister van Defensie, verweerder (gemachtigde: mr. A.F. Vink). Procesverloop Bij rekest van 21 april 2015 heeft eiser verweerder verzocht hem met terugwerkende kracht in aanmerking te laten komen voor tegemoetkomingen behorende bij het voeren van een eigen huishouding. Bij besluit van 5 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het rekest afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:14572 · Rechtbank Den Haag: Voorts heeft verweerder het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen. 3 De rechtbank overweegt het volgende. De CRvB is op 2 maart 2017 in een aantal uitspraken (ECLI:NL:CRVB:2017:851, ECLI:NL:CRVB:2017:852, ECLI:NL:CRVB:2017:853, ECLI:NL:CRVB:2017:862) nader ingegaan op zijn eerdergenoemde uitspraak van 24 november 2014. Daarbij heeft de CRvB onder meer overwogen dat volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3985) de inhoud van inmiddels tot stand gekomen rechtspraak op zichzelf geen grond vormt voor het doorbreken van het in rechte onaantastbaar zijn van besluiten waartegen niet in rechte is opgekomen.

Keywords

AI generated
right to housing right to rebuild landlord right of retention rehousing priority right to property right of repossession

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2014:3762
13/646 MAW, 13/647 MAW Datum uitspraak: 24 november 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 december 2012, 12/8705 en 12/8494 (aangevallen uitspraken) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Defensie (minister) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. C. van Kins hoger beroepen ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr.
ECLI:NL:CRVB:2017:851
16/5169 MAW Datum uitspraak: 2 maart 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2016, 15/8085 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Defensie (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C. van Kins, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/5139 MAW, 16/5171 MAW en 16/5156 MAW, plaatsgevonden op 19 januari 2017.
ECLI:NL:CRVB:2017:852
16/5156 MAW Datum uitspraak: 2 maart 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2016, 16/1605 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Defensie (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C. van Kins, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/5139 MAW, 16/5169 MAW en 16/5171 MAW, plaatsgevonden op 19 januari 2017.
ECLI:NL:CRVB:2017:853
16/5171 MAW Datum uitspraak: 2 maart 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2016, 16/578 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Defensie (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C. van Kins, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/5139 MAW, 16/5156 MAW en 16/5169 MAW, plaatsgevonden op 19 januari 2017.
ECLI:NL:CRVB:2017:862
16/5139 MAW Datum uitspraak: 2 maart 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2016, 16/671 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Defensie (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C. van Kins, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/5171 MAW, 16/5169 MAW en 16/5156 MAW, plaatsgevonden op 19 januari 2017.
ECLI:NL:CRVB:2016:3985
15/8151 WWB Datum uitspraak: 18 oktober 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 november 2015, 15/1070 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/3973 MAW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2017 in de zaak tussen [eiser], te [plaats], eiser (gemachtigde: mr. R. Küçükünal), en de minister van Defensie, verweerder (gemachtigde: mr. A.F. Vink). Procesverloop Bij rekest van 21 april 2015 heeft eiser verweerder verzocht hem met terugwerkende kracht in aanmerking te laten komen voor tegemoetkomingen behorende bij het voeren van een eigen huishouding. Bij besluit van 5 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het rekest afgewezen.

Daartegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 15 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1 Op 9 augustus 2013 heeft verweerder eiser de maandelijkse tegemoetkoming behorende bij het voeren van een eigen huishouding toegekend.

Hiertegen heeft eiser geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte vast staat. 1.2 Bij rekest van 21 april 2015 heeft eiser verweerder verzocht hem met terugkerende kracht voor de periode 14 november 2009 tot 12 augustus 2013 in aanmerking te laten komen voor tegemoetkomingen behorende bij het voeren van een eigen huishouding. 2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat ten aanzien van eiser niet met terugwerkende kracht gevolg behoeft te worden gegeven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna CRvB) van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3762), waarin is geoordeeld dat de in artikel 20 van het Verplaatsingskostenbesluit militairen (VKBM) neergelegde eis van het voeren van een eigen huishouding wegens strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 1 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten.

Voorts heeft verweerder het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen. 3 De rechtbank overweegt het volgende. De CRvB is op 2 maart 2017 in een aantal uitspraken (ECLI:NL:CRVB:2017:851, ECLI:NL:CRVB:2017:852, ECLI:NL:CRVB:2017:853, ECLI:NL:CRVB:2017:862) nader ingegaan op zijn eerdergenoemde uitspraak van 24 november 2014. Daarbij heeft de CRvB onder meer overwogen dat volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3985) de inhoud van inmiddels tot stand gekomen rechtspraak op zichzelf geen grond vormt voor het doorbreken van het in rechte onaantastbaar zijn van besluiten waartegen niet in rechte is opgekomen.

Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat de enkele omstandigheid dat in een rechterlijke uitspraak aan een wettelijk voorschrift een bepaalde uitleg wordt gegeven, niet betekent dat alle voorafgaande toepassingen van dat voorschrift in overeenstemming met die (nieuwe) uitleg moeten worden gebracht. Dergelijke verstrekkende gevolgen van rechterlijke uitspraken zouden de rechtszekerheid te zeer aantasten. Met inachtneming van die jurisprudentie van de CRvB overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet gehouden was om eiser met terugkerende kracht voor de periode 14 november 2009 tot 12 augustus 2013 in aanmerking te laten komen voor tegemoetkomingen behorende bij het voeren van een eigen huishouding.

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank met verweerder van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen, aangezien de collega’s waar de uitspraak van de CRvB van 24 november 2014 op zag, niet hadden berust in een eerdere afwijzing van hun rekest om tegemoetkomingen behorende bij het voeren van een eigen huishouding. Hun rekesten waren afgewezen en tegen de in bezwaar gehandhaafde besluiten hebben zij beroep bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep ingesteld. Het door eiser in zijn nadere gronden van 11 juli 2016 genoemde arrest van het Hof van Justitie EG van 13 januari 2004 maakt het vorenstaande niet anders, reeds nu in dit geval geen ‘uitlegging door het Hof van een relevante bepaling van gemeenschapsrecht’ heeft plaatsgevonden waar verweerder rekening mee zou moeten houden. 4 Het beroep is ongegrond. 5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2017. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.