Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2017:13708 ECLI:NL:RBDHA:2017:13708 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:13708 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2017:13708
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 17/2650 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2017 in de zaak tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 april 2017 de aanslag gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:13708 · Rechtbank Den Haag: Bij de vraag of stukken tot de procedure kunnen worden toegelaten is het volgende van belang. Artikel 8:58, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze bepaling beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting, een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Uit deze strekking volgt dat de rechter – binnen het kader van een goede procesorde – de mogelijkheid heeft stukken die binnen tien dagen voor de zitting of eerst ter zitting zijn overgelegd al dan niet in de procedure toe te laten (HR 1 oktober 2004, nr. 38.967, ECLI:NL:HR:2004:AR3099, BNB 2005/151).

Keywords

AI generated
health insurance voucher fee hospital billing statement of insurance benefits overpaid insurance benefits late payment of fees charging of fees

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2004:AR3099
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1992 tot en met 1995 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van respectievelijk ƒ 17.545, ƒ 23.061, ƒ 12.669 en ƒ 15.760, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2007:BA0721
Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 375.000, alsmede een boete van ƒ 1250 wegens niet-tijdige aangifte. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 365.483, waarvan ƒ 150.000 belast naar het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, en de boetebeschikking gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 320.000, waarvan ƒ 150.000 belast naar het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, en de boete verminderd tot ƒ 250. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2009:BI0562
Het geding in feitelijke instantie Bij beschikking is de waarde van de onroerende zaak a-straat 1, begane grond, te Z (hierna: de onroerende zaak) voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 17/2650 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2017 in de zaak tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 april 2017 de aanslag gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde en [persoon 1]. Namens verweerder zijn verschenen [persoon 2] en [persoon 3] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft voor het jaar 2014 aangifte gedaan voor de IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.295. In de aangifte is, voor zover hier van belang, als persoonsgebonden aftrekpost uitgaven voor de navolgende specifieke ziektekosten opgevoerd: Medicijnen € 146 Uitgaven voor hulpmiddelen € 595 Uitgaven voor vervoer € 2.190 Extra uitgaven kleding of beddengoed € 310 Genees- en heelkundige hulp € 2.932 Totaal uitgaven specifieke zorgkosten € 6.173 Af:

Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € - 821 Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 5.352 2. Met dagtekening 15 juli 2016 is aan eiseres een aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.647. Bij de aanslagregeling heeft verweerder de uitgaven wegens specifieke zorgkosten niet in aftrek toegelaten. Geschil 3. In geschil is of verweerder bij het opleggen van de aanslagen terecht de uitgaven wegens specifieke zorgkosten niet in aanmerking heeft genomen.

4. Eiseres stelt dat zij recht heeft op de door haar gevraagde aftrek.

5. Verweerder stelt dat eiseres geen recht op de gevraagde aftrek omdat zij niet de gevraagde bewijsmiddelen heeft overgelegd. Beoordeling van het geschil 6. Eiseres heeft eerst ter zitting aangeboden het overzicht met vergoedingsspecificaties van de zorgverzekeraar van 17 maart 2017 te overleggen. Verweerder heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank heeft het stuk niet toegelaten.

7. Bij de vraag of stukken tot de procedure kunnen worden toegelaten is het volgende van belang. Artikel 8:58, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze bepaling beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting, een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Uit deze strekking volgt dat de rechter – binnen het kader van een goede procesorde – de mogelijkheid heeft stukken die binnen tien dagen voor de zitting of eerst ter zitting zijn overgelegd al dan niet in de procedure toe te laten (HR 1 oktober 2004, nr. 38.967, ECLI:NL:HR:2004:AR3099, BNB 2005/151).

Bij de beslissing of een partij, hoewel de wederpartij daartegen bezwaar maakt, de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken ter zitting alsnog over te leggen, zal een afweging moeten plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure voor de feitenrechter heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang. (HR 3 februari 2006, nr. 41.329, ECLI:NL:HR: 2006:AV0821, BNB 2006/204, HR 16 maart 2007, nr. 42.905, ECLI:NL:HR:2007:BA0721, BNB 2007/222 en HR 10 april 2009, nr. 42681, ECLI:NL:HR:2009:BI0562, BNB 2009/167).

8. Verweerder heeft eiseres meermaals in de gelegenheid gesteld het bedoelde stuk in te brengen (zie brieven van verweerder van 29 december 2015, 21 maart 2016, 9 januari 2017). Bij brief, ingekomen bij verweerder op 23 januari 2017, heeft de gemachtigde geschreven: “Indien U een opgave wenst van de zorgverzekering, graag Uw nader bericht, dan zal kantoor aan mevrouw verzoeken die op te vragen. (maar strikt nodig lijkt ons dit niet). Immers uit de giroafschriften U reeds toegezonden, blijkt eea. reeds 100%” In antwoord hierop heeft verweerder bij brief van 9 februari 2017 wederom aangegeven het overzicht nodig te hebben.

Dit overzicht is niet verstrekt. Bij brief, ingekomen bij verweerder op 4 april 2017, schrijft de gemachtigde: “U kunt nazien dat van de fiscaal opgevoerde kosten: niet is ontvangen aan vergoeding. Er valt niet in te zien waarom een overzicht van de ziektekostenverzekering dit zal veranderen. Zoals al eerder gesteld is: Een dergelijk overzicht is ook niet voorhanden. Zal moeten worden opgevraagd. (…).” Vervolgens is op 6 april 2017 uitspraak op bezwaar gedaan. De verklaring van de gemachtigde ter zitting dat hij het stuk na de uitspraak op bezwaar aan verweerder had opgestuurd en dat verweerder het aan de rechtbank had moeten sturen, volgt de rechtbank niet.

De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat eiseres na de uitspraak op bezwaar nog stukken bij verweerder heeft ingediend waarvan zij zelf het nut niet zag. Bovendien lag het op haar weg het stuk mee te sturen bij haar beroepschrift dan wel in te brengen als tiendagenstuk toen zij zag dat het niet bij verweerders stukken zat. Het is in strijd met de goede procesorde om eerst ter zitting een stuk waar door verweerder al meerdere malen om is gevraagd in te brengen.

9. Artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 noemt als uitgaven voor specifieke zorgkosten, de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor: a. genees- en heelkundige hulp (…); b. vervoer; c. (. . .); d. andere hulpmiddelen (…); e. (…); f. (…); g. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven (…); h. (…).

10. Ten aanzien van de aftrek van specifieke zorgkosten rust op eiseres, als degene die de aftrek claimt, de bewijslast aannemelijk te maken dat zij dergelijke uitgaven heeft gedaan. Naast het algemene vereiste dat de uitgaven op eiseres moeten drukken geldt bij specifieke zorgkosten de voorwaarde dat de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van de uitgaven (artikel 6.1, derde lid, van de Wet IB 2001).

11. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat enkel het overleggen van giroafschriften niet volstaat als bewijs. Eiseres heeft met hetgeen zij heeft gesteld niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Aan eiseres is meerdere malen om specifieke informatie gevraagd. Zij heeft, op een niet nader onderbouwde medische verklaring van de huisarts (“hartfalen + hoge bloeddruk, medicatie + dieetadvies”) en een pagina met handgeschreven aantekeningen na, geen enkel bewijsstuk ter onderbouwing van de door haar gestelde op haar drukkende uitgaven ingebracht. De in de aangifte opgenomen aftrek aan specifieke zorgkosten is dan ook terecht niet verleend.

12. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot vermindering van de aanslag.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2017. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.