Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2017:13653 ECLI:NL:RBDHA:2017:13653 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:13653 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2017:13653
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 17/4160 en SGR 17/4161 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2017 in de zaken tussen [eiser] te [plaats], eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser de hierna vermelde naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 mei 2017 de bezwaren ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A]. Overwegingen Feiten 1. Verweerder heeft aan eiser twee naheffingsaanslagen ten bedrage van € 63,15 opgelegd, bestaande uit € 2,15 aan parkeerbelasting en € 61 aan kosten van de naheffingsaanslagen (de naheffingsaanslagen). Op de naheffingsaanslagen staat als plaats waar geparkeerd is ‘[plein]’, ter hoogte van locaties [nummer] en [nummer].

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:13653 · Rechtbank Den Haag: In artikel 2 van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2008 (de Verordening) van de gemeente Den Haag is het belastbare feit als volgt omschreven: “Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven: een belasting ter zake van het –anders dan krachtens een vergunning (…) parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; (…)” Daaruit volgt dat de locatie waar is geparkeerd een essentieel onderdeel is van het belastbare feit en daarom op de naheffingsaanslag moet worden vermeld (vgl Hoge Raad 20 december 1978 (ECLI:NL:HR:1978:AX2808).

Keywords

AI generated
parking fee parking area parking space replacement fee parking fine location of property traffic offence

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1978:AX2808
De hand- of tekengelden worden door het Hof als een vergoeding gekwalificeerd, die uitbetaald wordt zodra een speler en een club in hoofdzaak overeenstemming hebben bereikt omtrent de voorwaarden waarop de speler bij de club in dienst zal treden. Deze vaststelling wettigt alleen dan de conclusie, dat een dergelijke vergoeding ook loon is, in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet, indien de door een club betaalde hand- of tekengelden zelve geen andere oorzaak of titel hebben of kunnen hebben, dan de tussen de betreffende speler en de club zojuist tot stand gekomen privaatrechtelijke dienstbetrekking, omtrent welke oorzaak in deze eerste overweging van het Hof niets blijkt. 2. ' s Hofs uitspraak in de tweede overweging ten aanzien van de andere oorzaak of titel voor de betaalde hand- of tekengelden is daarnaast enerzijds onbegrijpelijk omdat uit de uitspraak niet blijkt, waarom een vergoeding vooruit geen vergoeding voor goodwill is of kan zijn, anderzijds innerlijk tegenstrijdig en onvoldoende gemotiveerd omdat wel uit de uitspraak blijkt, dat het Hof ervan uitgaat, dat er een zekere verhouding bestaat tussen de grootte van de vergoeding en de deskundigheid van de speler en een vergoeding voor goodwill zich nu juist leent om die op het moment van het sluiten van een arbeidsovereenkomst bestaande deskundigheid te verdisconteren, doch het Hof niet aangeeft waarom desondanks geen sprake is van een vergoeding wegens inbreng van goodwill, en, ten slotte, onbegrijpelijk, omdat uit hetgeen hiervoren onder enerzijds en anderzijds omschreven werd in onderlinge samenhang ten opzichte van het in de eerste overweging vervatte oordeel, dat een dergelijke vergoeding loon is, niet blijkt waar de betaalde hand- of tekengelden geen andere oorzaak of titel hebben, dan de gesloten arbeidsovereenkomst, zodat noch de eerste overweging van 's Hofs uitspraak, noch de tweede overweging, noch deze beide samen voldoende gemotiveerd zijn.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 17/4160 en SGR 17/4161 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2017 in de zaken tussen [eiser] te [plaats], eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser de hierna vermelde naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 mei 2017 de bezwaren ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A]. Overwegingen Feiten 1. Verweerder heeft aan eiser twee naheffingsaanslagen ten bedrage van € 63,15 opgelegd, bestaande uit € 2,15 aan parkeerbelasting en € 61 aan kosten van de naheffingsaanslagen (de naheffingsaanslagen). Op de naheffingsaanslagen staat als plaats waar geparkeerd is ‘[plein]’, ter hoogte van locaties [nummer] en [nummer].

2. Op het [plein] zijn geen parkeerplaatsen die door burgemeester en wethouders zijn aangewezen als parkeerplaatsen voor betaald parkeren.

3. De naheffingsaanslagen zijn opgelegd naar aanleiding van een controle met een zogenoemde scanauto.

4. De auto van eiser stond op de tijdstippen die op de naheffingsaanslagen staan vermeld, geparkeerd aan de [straat 1] op een plaats die wel door burgemeester en wethouders is aangewezen als parkeerplaats waar parkeerbelasting verschuldigd is.

5. Eiser beschikt over een eigen parkeerplaats in de parkeergarage aan de [straat 2], in de nabijheid van zijn woning aan de [straat 1]. Geschil 6. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht aan eiser zijn opgelegd. Beoordeling van het geschil 7. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de scanauto de locatie van een geparkeerde auto binnenhaalt via GPS waarbij het dichtstbijzijnde adres wordt geregistreerd. Het [plein] en de [straat 1] liggen dicht bij elkaar en de GPS heeft ten onrechte de parkeerlocatie aangeduid als [plein]. Verweerder stelt dat met het parkeren aan de [straat 1] sprake was van parkeren binnen een gebied waar parkeerbelasting verschuldigd was zodat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

8. In artikel 2 van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2008 (de Verordening) van de gemeente Den Haag is het belastbare feit als volgt omschreven: “Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven: een belasting ter zake van het –anders dan krachtens een vergunning (…) parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; (…)” Daaruit volgt dat de locatie waar is geparkeerd een essentieel onderdeel is van het belastbare feit en daarom op de naheffingsaanslag moet worden vermeld (vgl Hoge Raad 20 december 1978 (ECLI:NL:HR:1978:AX2808).

Het staat vast dat ter zake van parkeren op het [plein] geen parkeerbelasting behoefde te worden voldaan, nu deze locatie niet is aangewezen als bedoeld in artikel 2 van de Verordening. Gelet hierop en op artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is een naheffingsaanslag gebaseerd op het belastbare feit ‘parkeren op het [plein]’ niet rechtsgeldig. Het enkele feit dat eisers auto elders in het betaald parkeren gebied stond geparkeerd, betekent niet dat de naheffingsaanslagen geacht kunnen worden betrekking te hebben op een ander belastbaar feit dan op de naheffingsaanslagen stond vermeld.

9. Uit de verklaring ter zitting van verweerder volgt dat de onjuiste locatievermelding het gevolg is van het door verweerder gebruikte systeem. Dat dit systeem de GPS-coördinaten koppelt aan het dichtstbijzijnde adres en niet aan het juiste adres, dient voor rekening en risico van verweerder te komen. De onjuiste locatievermelding dient dan ook te leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslagen.

10. Het enkele feit dat het ook voor eiser duidelijk was dat op de locatie [plein] geen parkeerbelasting verschuldigd was en de naheffingsaanslagen kennelijk op een vergissing berustten, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft verklaard op de desbetreffende tijdstippen geen gebruik te hebben gemaakt van de auto en dat hij deze normaal gesproken parkeert op zijn eigen parkeerplaats in de parkeergarage. Hij heeft dan ook niet hoeven begrijpen dat de naheffingsaanslagen bedoeld waren voor het parkeren aan de [straat 1].

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de beroepen gegrond verklaren. Proceskosten 12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat gesteld noch gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank:  verklaart de beroepen gegrond;  vernietigt de uitspraak op bezwaar;  vernietigt de naheffingsaanslagen;  draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2017. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.