Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2017:10104 ECLI:NL:RBDHA:2017:10104 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2017:10104 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2017:10104
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/28385 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 september 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker], te [plaats], verzoeker, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde mr. J. Singh), tegen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: F. Gerritsen & S.M.G. Bouwma). Procesverloop Bij besluiten van 3 augustus 2016 en 17 oktober 2016 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen. Bij besluit van 1 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoeker van 29 augustus 2016 en van 20 oktober 2016 ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2017:10104 · Rechtbank Den Haag: Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

Keywords

AI generated
discontinuation of proceedings withdrawal of legal petition request to proceed with execution pending proceedings urgent preliminary ruling procedure lack of prosecutorial standing

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Awb
Nu niet langer wordt voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/28385 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 september 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker], te [plaats], verzoeker, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde mr. J. Singh), tegen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: F. Gerritsen & S.M.G. Bouwma). Procesverloop Bij besluiten van 3 augustus 2016 en 17 oktober 2016 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen. Bij besluit van 1 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoeker van 29 augustus 2016 en van 20 oktober 2016 ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat uitzetting achterwege blijft, totdat op het beroep is beslist. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Bij uitspraak van heden, in de procedure met zaaknummer 16/28384, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker ongegrond verklaard.

3. Nu niet langer wordt voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.

4. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb komt mitsdien niet meer voor inwilliging in aanmerking.

5. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de proceskosten van de andere partij, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Beslissing De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld