Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2016:9622 ECLI:NL:RBDHA:2016:9622 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2016:9622 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2016:9622
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/827219-16 Datum uitspraak: 25 juli 2016 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2016:9622 · Rechtbank Den Haag: Hierbij kan aan de orde komen of de ongewenstverklaring in overeenstemming is met rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht. Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad Voor burgers van de Europese Unie, zoals verdachte, geldt Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad (hierna: de Richtlijn), waarin regels zijn opgenomen betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Europese Unie en hun familieleden. Blijkens artikel 3, eerste lid, is deze richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit.

Keywords

AI generated
unlawful departure removal under immigration law risk of overstaying ground for expulsion removal immigration law fraud

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBROT:2013:7679
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 17 mei 2011 te Amsterdam en/of Den Haag en/of elders in Nederland en/of in Spanje en/of Colombia en/of Panama en/of Dominicaanse Republiek en/of Equador en/of Venezuela en/of Duitsland en/of België en/of elders ter wereld, (telkens) tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s), toen en aldaar (telkens) (krachtens die gewoonte) (van) (een) voorwerp(en), te weten van een of meer grote geldbedrag(en) (met een totale waarde van ongeveer 50.350.590,00 euro), te weten - 400.000,00 euro, althans een (groot) geldbedrag, tezamen en in verenging met onder meer [geldkoerier 5] vervoerd (traject september 2010) en/of - 400.000,00 euro, althans een (groot) geldbedrag, tezamen en in vereniging met onder meer [geldkoerier 5] vervoerd (traject november 2010) en - 400.000,00 euro, althans een (groot) geldbedrag, tezamen en in vereniging met onder meer [geldkoerier 5] vervoerd (traject maart 2011) en - 400.000,00 euro, althans een (groot) geldbedrag, tezamen en in verenging met onder meer [geldkoerier 4] vervoerd en/of - 400.000,00 euro, althans een (groot) geldbedrag, tezamen en in verenging met onder meer [geldkoerier 8] vervoerd en/of - 400.000,00 euro, althans een (groot) geldbedrag, tezamen en in verenging met onder meer [geldkoerier 1] vervoerd (traject juli 2010) en/of - 235.000,00 euro, althans een (groot) geldbedrag, tezamen en in verenging met onder meer [geldkoerier 1] vervoerd (traject september 2010) en/of - 400.000,00 euro, althans een (groot) geldbedrag, tezamen en in verenging met onder meer [geldkoerier 6] vervoerd en/of - 300.000,00 euro, althans een (groot) geldbedrag, tezamen en in verenging met onder meer [geldkoerier 2] vervoerd en/of - 400.000,00 euro, althans een (groot) geldbedrag, tezamen en in verenging met onder meer [geldkoerier 3] vervoerd en/of - 400.000,00 euro, althans een (groot) geldbedrag, tezamen en in verenging met onder meer [geldkoerier 7] vervoerd en/of een of meer (grote) geldbedragen vervoerd door een of meer tot nu toe onbekend gebleven personen - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/ hebben verborgen en/of verhuld, althans heeft/ hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemde geldbedrag(en), althans van enig(e) geldbedrag(en) en/of bovengenoemde geldbedrag(en), althans enig(e) geldbedrag(en), voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat de bovengenoemde geldbedrag(en), althans enig(e) geldbedrag(en) -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of - die geldbedragen gebruikt heeft/ hebben gemaakt en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) ten tijde van het gebruik maken en/of verwerven en/of voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en), althans enig(e) geldbedrag(en), -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit de opbrengst van handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf;
ECLI:NL:HR:2010:BL2854
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
ECLI:NL:HR:2016:616
12 april 2016 Strafkamer nr.
ECLI:NL:GHAMS:2016:2335
parketnummer: 23-001316-15 datum uitspraak: 15 juni 2016 VERSTEK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-034206-15 tegen [verdachte] geboren in de voormalige Sovjet-Unie op [geboortedag] 1969, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 19 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de beleidsbrief van het College van Procureurs-Generaal van 20 oktober 2008 inzake de opsporing en vervolging terzake van artikel 197 Wetboek van Strafrecht (PAG/HB/13161-beleidsbrief) niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in deze zaak. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde. Vrijspraak De verdachte heeft op 19 februari 2015 bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie verklaard dat hij niet wist dat hij niet in Nederland mocht zijn. Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 21 mei 2012 ongewenst is verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Het dossier houdt niet in dat deze beschikking aan de verdachte in persoon is uitgereikt of dat hij daarvan op andere wijze op de hoogte is geraakt. De omstandigheid dat de verdachte op 17 november 2011 is gehoord omtrent het voornemen hem ongewenst te verklaren alsmede de publicatie in de Staatscourant van voornoemde beschikking op 20 augustus 2012 zijn onvoldoende om wettig en overtuigend bewezen te verklaren dat de verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Dit brengt mee dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. G. Oldekamp en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 juni 2016. De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest te ondertekenen ========================================================================= [....]
ECLI:NL:GHDHA:2013:1516
In sommige vonnissen van rechtbanken wordt de publicatie in de Staatscourant als voldoende beschouwd, maar zowel het Gerechtshof Amsterdam (arrest van 15 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2335) als het Gerechtshof Den Haag (arrest van 16 mei 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:1516) oordeelden dat dit onvoldoende is.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/827219-16 Datum uitspraak: 25 juli 2016 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 mei 2016 (politierechter) en 11 juli 2016 (meervoudige kamer). De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Offers en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. D.J.G.J. Cornelissen, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht.

2De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 23 april 2016 te Rijswijk, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard. 3Bewijsoverwegingen 3.1 InleidingVerdachte wordt verweten dat hij in Nederland heeft verbleven terwijl hij ongewenst was verklaard. Om tot wettig en overtuigend bewijs te komen dat verdachte dit feit heeft gepleegd, dient de rechtbank achtereenvolgens drie vragen bevestigend te beantwoorden.

Ten eerste komt aan de orde of verdachte zich op de ten laste gelegde datum in Nederland bevond terwijl hij ongewenst was verklaard. Vervolgens zal de rechtbank moeten beoordelen of de grondslag van de ongewenstverklaring rechtmatig is. (Alleen) als deze vragen bevestigend beantwoord zijn, komt de rechtbank toe aan de vraag of de verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat hij ongewenst was verklaard op de tenlastegelegde datum. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Hiertoe heeft zij met verwijzing naar het uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2013:7679) aangevoerd dat de beslissing is gepubliceerd in de Staatscourant en dat deze daarnaast is verzonden naar het adres dat van verdachte in Nederland bekend was en naar zijn advocaat. Dat verdachte wellicht niet is geïnformeerd door zijn advocaat, komt voor zijn eigen risico en doet niet af aan de conclusie dat hij ernstige redenen had om te vermoeden dat hij ongewenst was verklaard. Voorts was er op het moment van het opleggen van de ongewenstverklaring sprake van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. 3.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte niet wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat hij ongewenst was verklaard. De ongewenstverklaring is immers alleen gepubliceerd in de Staatscourant en de beslissing is verstuurd naar zijn advocaat, die hem er niet van in kennis heeft gesteld. Daarnaast vormt het gedrag van verdachte geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. De beslissing tot ongewenstverklaring is enkel gebaseerd op het strafblad en niet op verdachte betreffende actuele en persoonlijke omstandigheden.

De verdachte heeft zich inmiddels niet meer schuldig gemaakt aan strafbare feiten. 3.4 De beoordeling van de tenlastelegging 3.4.1 Was verdachte op de ten laste gelegde datum in Nederland terwijl hij ongewenst was verklaard? Bij beslissing van 9 november 2015 is de verdachte ongewenst verklaard. Verdachte is op 23 april 2016 aangehouden in Rijswijk. De rechtbank stelt op basis van vorenstaande vast dat verdachte op de ten laste gelegde datum in Nederland was terwijl hij ongewenst was verklaard. 3.4.2 Is de grondslag van de ongewenstverklaring rechtmatig? Toetsingskader De rechtbank stelt voorop dat er bij de beoordeling van de grondslag van het de ongewenstverklaring allereerst onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de situatie dat de bestuursrechter zich inhoudelijk onherroepelijk over de ongewenstverklaring heeft uitgelaten en anderzijds de situatie waarin dit niet het geval is.

In verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken dient de strafrechter in principe niet zelfstandig te onderzoeken of de ongewenstverklaring in strijd is met het Unierecht of op andere gronden onrechtmatig is wanneer de bestuursrechter de ongewenstverklaring onherroepelijk in stand heeft gelaten (Hoge Raad 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2854). Bijzondere omstandigheden kunnen echter aanleiding geven om hierop een uitzondering te maken. Van een dergelijke bijzondere omstandigheid kan sprake zijn bij evidente strijd met rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht (zie Hoge Raad 13 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:616).

Naar het oordeel van de rechtbank dient hierbij te worden gedacht aan kennelijke misslagen, zoals het geval dat een beslissing gebaseerd blijkt te zijn op een evident onjuiste feitelijke grondslag. Aan een inhoudelijke toets waarbij de motivering van de ongewenstverklaring op zijn juridische merites wordt beoordeeld, komt de strafrechter in zo’n geval dan ook niet toe, zelfs niet als de bestuursrechter zich in zijn uitspraak niet over alle door de vreemdeling bij de strafrechter aangevoerde argumenten concreet heeft uitgelaten. Als er tegen de ongewenstverklaring geen rechtsmiddel is ingesteld of de bestuursrechter niet aan een inhoudelijke beoordeling van het besluit is toegekomen (het beroep was bijvoorbeeld niet-ontvankelijk) of als deze beoordeling nog niet onherroepelijk is, beoordeelt de strafrechter of de ongewenstverklaring rechtmatig is.

Hierbij kan aan de orde komen of de ongewenstverklaring in overeenstemming is met rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht. Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad Voor burgers van de Europese Unie, zoals verdachte, geldt Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad (hierna: de Richtlijn), waarin regels zijn opgenomen betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Europese Unie en hun familieleden. Blijkens artikel 3, eerste lid, is deze richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit.

Artikel 27 van de Richtlijn - voor zover hier van belang - luidt: “1. Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk kunnen de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd.

2. De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen.” Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.

De Richtlijn staat derhalve niet in de weg aan het tot ongewenst vreemdeling verklaren van personen die onder zijn reikwijdte vallen, maar een dergelijke verklaring is slechts mogelijk zolang van de ongewenst verklaarde een bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat die kan worden aangemerkt als actueel, werkelijk en voldoende ernstig. In casu In het onderhavige geval is er geen rechtsmiddel ingesteld tegen de ongewenstverklaring. Dit maakt dat de beschikking waarbij de verdachte ongewenst is verklaard niet inhoudelijk onderworpen is geweest aan het oordeel van de bestuursrechter, zodat de rechtbank thans heeft te oordelen of kan worden geoordeeld dat de ongewenstverklaring rechtmatig is.

Verdachte is ongewenst verklaard onder de motivering dat - kort weergegeven -: i.

i) hij geen stabiel leven heeft opgebouwd in Nederland en kort na binnenkomst in Nederland in 2010 hier voor het eerst een strafbaar feit heeft gepleegd; ii) verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diverse strafbare feiten, waaronder straatroof, waarbij de verdachte met zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van de slachtoffers; iii) verdachte heeft grote overlast en (psychische) schade aangericht door zijn handelen; iv) gelet op de aard en het aantal van de misdrijven waarvoor de verdachte is veroordeeld, een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving is aangetast.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze motivering dat voldoende rekening is gehouden met de ernst van de feiten en de actualiteit daarvan. Verdachte heeft immers in een relatief kort tijdsbestek meerdere feiten gepleegd, waaronder straatroof. Voorts is bij de beslissing rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals dat door verdachte geen stabiel leven is opgebouwd. De ongewenstverklaring is derhalve niet slechts gestoeld op strafrechtelijke veroordelingen. Dit maakt dat de rechtbank niet is gebleken van strijd met een Uniebepaling, zodat de beslissing moet worden geacht rechtmatig te zijn. 3.4.3 Wist verdachte of had hij ernstige redenen om te vermoeden dat hij op de tenlastegelegde datum ongewenst was verklaard? Juridisch kader Voor bewezenverklaring van de tenlastelegging moet tot slot komen vast te staan dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat hij ongewenst is verklaard.

Het eerste geval doet zich (bijvoorbeeld) voor indien vast kan worden vastgesteld dat die beslissing aan hem is medegedeeld (Hoge Raad 10 december 1985, ECLI:NL:HR1985:AC1739) of indien de verdachte verklaart ervan op de hoogte te zijn geweest. Uit de jurisprudentie volgt minder eenduidig welke omstandigheden voor een vreemdeling een ernstige reden opleveren om te vermoeden dat hij ongewenst is verklaard. In sommige vonnissen van rechtbanken wordt de publicatie in de Staatscourant als voldoende beschouwd, maar zowel het Gerechtshof Amsterdam (arrest van 15 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2335) als het Gerechtshof Den Haag (arrest van 16 mei 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:1516) oordeelden dat dit onvoldoende is.

Het Gerechtshof Amsterdam overwoog in voormeld arrest daarnaast dat de aanvullende omstandigheid dat de verdachte was gehoord over het voornemen tot ongewenstverklaring evenmin voldoende is om ervan uit te gaan dat hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat hij ongewenst was verklaard. De rechtbank zal deze jurisprudentie van de gerechtshoven als uitgangspunt nemen bij haar beoordeling. In casu De beslissing tot ongewenstverklaring is op 16 november 2015 in de Staatscourant gepubliceerd en naar de advocaat van de verdachte verzonden. Verdachte heeft bij de vreemdelingenpolitie verklaard dat hij wist dat hij na zijn detentie een beschikking zou kunnen ontvangen.

Hij stelde te hebben gezegd dat de beschikking moest worden verzonden naar zijn adres in Roemenië. Dit is niet gebeurd. Tegenover de politie heeft hij verklaard dat zijn advocaat hem had gezegd dat het nog wel even kon duren voor hij daadwerkelijk ongewenst zou worden verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze feiten en omstandigheden - met inachtneming van de het hiervoor geschetste kader - onvoldoende om te concluderen dat verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat hij ongewenst was verklaard. Dit maakt, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

4De beslissing

De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, mr. J. Eisses, rechter, mr. D. Biever, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Ekkart, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juli 2016.