Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2016:9252 ECLI:NL:RBDHA:2016:9252 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2016:9252 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2016:9252
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 16/2386 en SGR 16/2387 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2016 in de zaken tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: P.J. Hendriks), en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 4 maart 2016 op het bezwaar van eiser tegen de opgelegde naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting en boetebeschikkingen over de tijdvakken 6 juni 2014 tot en met 5 juni 2015 en 7 juni 2014 tot en met 6 juni 2015 (de naheffingsaanslagen). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2016. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon] . Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Overwegingen 1. De personenauto (kampeerauto) van het merk Citroën met kenteken [kentekennummer] (de auto) stond volgens de kentekenregistratie vanaf 16 juni 2014 opgenomen in de handelsvoorraad van eiser.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2016:9252 · Rechtbank Den Haag: Naheffingsaanslagen 6. Artikel 1, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) kent een bijzondere regeling voor auto’s die tot de bedrijfsvoorraad worden gerekend (de handelaarsregeling). Bij toepassing van de handelaarsregeling wordt de motorrijtuigenbelasting niet geheven ter zake van het houden van het motorrijtuig maar, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, ter zake van het opgegeven handelaarskenteken.

Keywords

AI generated
offence committed within a business misuse of permits and plates offenses against legal certainty non-compliance with inspection regulations criminal offense inspection contract

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2014:3614
19 december 2014 nr. 13/03336 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juni 2013, nrs. 13/00038, 13/00039, 13/00040 en 13/00041, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nrs. AWB 12/2676, AWB 12/2677, AWB 12/2678 en AWB 12/2679) betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHDHA:2015:3207
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-14/00360 t/m BK-14/00362 Uitspraak van 13 november 2015 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Landelijk Coördinatiecentrum Auto, de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2014, nrs. SGR 13/7218, SGR 13/7219 en SGR 13/7220. Bezwaar en beroep 1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2010, 2011 en 2012 naheffingsaanslagen in de loonheffingen opgelegd.
ECLI:NL:GHSHE:2015:1086
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 13/00800 en 13/00801 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [plaats 1], hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 mei 2013, in de beroepen met kenmerken AWB 12/6749 en AWB 12/6750, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Landelijk Coördinatiecentrum Auto te Doetinchem, hierna: de Inspecteur, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslagen alsmede de daarbij bij beschikking vastgestelde boetes en de beschikkingen heffingsrente. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 16/2386 en SGR 16/2387 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2016 in de zaken tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: P.J. Hendriks), en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 4 maart 2016 op het bezwaar van eiser tegen de opgelegde naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting en boetebeschikkingen over de tijdvakken 6 juni 2014 tot en met 5 juni 2015 en 7 juni 2014 tot en met 6 juni 2015 (de naheffingsaanslagen). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2016. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon] . Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Overwegingen 1. De personenauto (kampeerauto) van het merk Citroën met kenteken [kentekennummer] (de auto) stond volgens de kentekenregistratie vanaf 16 juni 2014 opgenomen in de handelsvoorraad van eiser.

2. Op 5 juni 2015 respectievelijk 6 juni 2015 is middels camera geconstateerd dat met de auto zonder handelaarskentekenplaat gebruik is gemaakt van de openbare weg.

3. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur aan eiser de naheffingsaanslagen opgelegd, in beide gevallen een belastingbedrag van € 425. Tegelijkertijd is aan eiser bij elk van de aanslagen een verzuimboete van € 425 opgelegd.

4. In geschil is of de naheffingsaanslagen en boetes terecht zijn opgelegd.

5. Eiser stelt dat de handelaarskentekenplaten wel in de auto aanwezig waren, ze zaten namelijk achter de voor- en achterruit van de auto, en dat hij niet wist dat ze over de originele platen heen moesten worden bevestigd. Verder acht eiser het onredelijk dat hij over vrijwel hetzelfde tijdvak tweemaal een naheffing met boete opgelegd heeft gekregen en dat hij hier pas na zeven maanden bericht over heeft gekregen. Voorts acht hij het gebruik van de camera’s door verweerder onrechtmatig en klaagt hij dat hij door deze wijze van controleren niet de mogelijkheid heeft zijn vergissing te corrigeren en daarmee naheffing en boetes te voorkomen.

Naheffingsaanslagen 6. Artikel 1, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) kent een bijzondere regeling voor auto’s die tot de bedrijfsvoorraad worden gerekend (de handelaarsregeling). Bij toepassing van de handelaarsregeling wordt de motorrijtuigenbelasting niet geheven ter zake van het houden van het motorrijtuig maar, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, ter zake van het opgegeven handelaarskenteken.

7. Artikel 3 Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 bepaalt dat, ingeval een auto op grond van artikel 1, tweede lid, Wet MRB tot de bedrijfsvoorraad wordt gerekend, dient te worden voldaan aan de in artikel 37, derde en vierde lid van de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorwaarden.

8. In artikel 37, derde lid, Wegenverkeerswet 1994 is, onder verwijzing naar artikel 44, vierde lid, van het Kentekenreglement, de verplichting neergelegd om bij gebruik van een auto die tot de bedrijfsvoorraad behoort het handelaarskenteken te gebruiken. In hetzelfde artikel is neergelegd dat de Dienst Wegveerkeer (RDW) hier voorschriften aan kan verbinden. In paragraaf 3.2 van de ‘Informatiemap voor de voertuigbranche’, zijn de voorwaarden vermeld die de RDW verbindt aan het gebruik van het handelaarskenteken. Daar is, onder meer, opgenomen dat de handelaarskentekenplaten op de daarvoor bestemde plaats op het voertuig moeten worden bevestigd.

Aangezien het handelaarskenteken in de plaats treedt van het kenteken dat aan de desbetreffende auto is toegekend, kan dit niet anders worden gelezen dan dat de handelaarskentekenplaten moeten worden aangebracht op de plaats van de oorspronkelijke kentekenplaten. Nu eiser de auto op het moment van de constateringen tot zijn bedrijfsvoorraad rekende en de handelaarskentekenplaten achter de voor- en achterruit van de auto en dus niet op de daarvoor bestemde plaats op de auto waren bevestigd, werd niet aan de voorwaarden van de handelaarsregeling voldaan zodat verweerder met inachtneming van artikel 69, eerste lid, Wet MRB terecht beide naheffingsaanslagen heeft opgelegd.

De omstandigheid dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd zeven maanden na de constateringen is, gelet op de in artikel 20, derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) opgenomen naheffingstermijn van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan, wellicht traag maar niet onrechtmatig.

9. Dat eiser het onredelijk vindt dat hij over vrijwel hetzelfde tijdvak twee naheffingsaanslagen en boetes heeft gekregen, maakt niet dat een van de naheffingsaanslagen zou moeten worden vernietigd. De Hoge Raad heeft in overweging 2.4 van zijn arrest van 19 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3614) geoordeeld dat het de inspecteur is toegestaan om, wanneer op verschillende dagen wordt geconstateerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de handelaarsregeling, voor iedere constatering een naheffingsaanslag met een verzuimboete op te leggen die is berekend over een tijdsduur van 12 maanden.

10. Eisers stelling dat door de gehanteerde wijze van controleren hij niet de mogelijkheid heeft zijn vergissing te corrigeren en daarmee naheffing en boetes te voorkomen treft evenmin doel, want ook bij fysieke controle zou het belastbare feit zich dan al hebben voorgedaan en was de belasting reeds verschuldigd. Het is verweerder voorts toegestaan om voor controle gebruik te maken van camerabeelden afkomstig van de politie. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraken van het gerechtshof Den Haag van 13 november 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:3207) en van het gerechtshof Den Bosch van 27 maart 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:1086). Verzuimboetes 11. Op grond van artikel 70 van de Wet MRB in samenhang met artikel 67c van de Awr en paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst legt verweerder met betrekking tot situaties waarvoor op grond van artikel 69 van de Wet MRB een naheffingsaanslag is opgelegd een verzuimboete op van 100% met een maximum van € 5.278.

12. Bij het opleggen van verzuimboeten wordt geen onderscheid gemaakt naar de mate van schuld of nalatigheid, met dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld het opleggen ervan achterwege behoort te blijven. Eisers stelling dat hij de RDW heeft gebeld met de vraag of er regels zijn met betrekking tot de plaats waar de kentekenplaten bevestigd moeten worden en dat daarop werd geantwoord dat daar geen regels voor zijn maakt niet dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Eiser heeft ter zitting immers erkend dat hij beschikte over de informatiemap van de RDW en dat daarin is te vinden dat ‘de handelaarskentekenplaten op de daarvoor bestemde plaats op het voertuig moeten zijn bevestigd’.

13. Zoals in het onder 9 genoemde arrest is bepaald, heeft verweerder voor elk van de naheffingsaanslagen een boete mogen opleggen. De rechtbank acht de verzuimboetes dan ook terecht opgelegd en, uit oogpunt van normhandhaving, passend en geboden.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond verklaard.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. M.G.J. Konings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2016. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.