Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2016:832 ECLI:NL:RBDHA:2016:832 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2016:832 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2016:832
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummers: 09/819617-15 (dagvaarding I) en 09/044458-15 (dagvaarding II) (gevoegd ter terechtzitting) Datum uitspraak: 1 februari 2016 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Legislator headnote

AI generated

artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBDHA:2016:832 · Rechtbank Den Haag: Feit 2 Was verdachte op de datum in geding in Nederland en gold er toen voor hem een inreisverbod? Op 5 november 2015 werd verdachte aangehouden in Den Haag. Bij voormelde beschikking van 10 januari 2013 is aan verdachte een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a, zevende lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte op 5 november 2015 in Nederland was, terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd. Was de grondslag van het inreisverbod rechtmatig? De rechtbank stelt voorop dat de strafrechter in een geval als het onderhavige bij de beoordeling van de grondslag van het inreisverbod slechts dient te toetsen of de beschikking evident onrechtmatig is.

Keywords

AI generated
unlawful stay immigration law fraud breach of entry ban customs fraud residence permits importation of illicit narcotics

Cited Legislation

AI generated
artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht
6 november 2015 betreffende verdachte blijkt dat hij in het verleden diverse malen is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht
Uit zijn strafblad is gebleken dat verdachte in 2010 diverse malen is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen wegens diefstal, een strafbaar feit dat op grond van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar kan worden bestraft.
artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht
6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van zijn voorarrest op te leggen, gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en gelet op het feit dat aan verdachte geen redelijke termijn is geboden om zelf zijn terugkeer te regelen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2015:4751
parketnummer: 23-001779-15 datum uitspraak: 17 november 2015 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2015 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-701036-15 (A) en 13-703377-14 (B) alsmede 13-850664-12 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1983, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, gedetineerd in het Detentiecentrum Schiphol te Badhoevedorp. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Zaak A met parketnummer 13-701036-15: 1:hij op of omstreeks 07 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid goederen (bestaande uit o.a. tandpasta en/of douchegel en/of een of meer blikjes bier en/of whisky (ter waarde van 60,95 euro)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal gelegen aan de [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte (met kracht) - eenmaal of meermalen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd en/of (vervolgens) - (met gebalde vuist(en)) een of meer slaande en/of zwaaiende bewegingen naar en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt; 2:hij op of omstreeks 07 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000; Zaak B met parketnummer 13-703377-14 (gevoegd): hij op of omstreeks 12 december 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraak zaak A feit 2 en zaak B Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in de zaak B met parketnummer 13-703377-14 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Bij besluit van 4 februari 2014 is aan de verdachte een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet opgelegd. Dit inreisverbod is opgelegd voor de duur van tien jaar. Niet betwist wordt, en ook het hof leidt uit de bewijsmiddelen af, dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten op de hoogte was van dit besluit. Omtrent eventueel ingestelde rechtsmiddelen tegen dit besluit ontbreekt informatie in het proces-verbaal “sfeer” van de Dienst Regionale Recherche van de politie Eenheid Amsterdam d.d. 21 oktober 2015. Uit de mededelingen van de raadsman van de verdachte houdt het hof het er, bij gebreke aan andersluidende informatie, voor dat voornoemd besluit nog niet rechtens onaantastbaar is nu er kennelijk nog een vreemdelingrechtelijke procedure aanhangig is bij de Raad van State. Het hof acht, gelet op de duur van deze procedure, en de daarin te beantwoorden rechtsvragen, geen termen aanwezig (nogmaals) tot heropening van het onderzoek en aanhouding van de onderhavige zaak over te gaan teneinde de vreemdelingrechtelijke procedure af te wachten nu dit tot een onaanvaardbare vertraging van de strafzaak zou leiden. Het hof ziet zich bij de beoordeling van de onder A2 en B tenlastegelegde feiten derhalve thans gesteld voor beantwoording van de vraag of het inreisverbod dusdanig in strijd is met inhoud en strekking van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: Terugkeerrichtlijn), bezien in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) van 11 juni 2015, dat hieraan gevolgen dienen te worden verbonden in het kader van de bewijsbeslissing. De advocaat-generaal heeft zich dienaangaande – kort samengevat en zakelijk weergegeven – op het volgende standpunt gesteld: - Bij de beoordeling van een besluit als het onderhavige dient internationale regelgeving in ogenschouw te worden genomen. - De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De kern van de uitspraak is dat een termijn voor vrijwillig vertrek wordt gegeven, tenzij sprake is van een acuut of reëel gevaar voor de openbare orde. - In het inreisverbod van de verdachte is geen termijn voor vrijwillig vertrek opgenomen zonder dat hieraan overwegingen zijn gewijd. Volstaan wordt met een verwijzing naar eerdere veroordelingen. Gelet op de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 is dit niet juist. Hieraan hoeven echter in deze strafzaak geen consequenties te worden verbonden nu materieel gezien wel sprake is geweest van een dergelijke termijn. Het besluit dateert immers van 4 februari 2014 en de verdachte heeft genoeg tijd gehad om terug te keren. - In de onderhavige zaak kon het inreisverbod voorts op juiste gronden worden opgelegd voor de duur van 10 jaar nu de strafbare feiten waarop dit verbod is gebaseerd niet slechts betrekking hebben op vermogensdelicten maar ook op ernstiger feiten, die gedurende langere tijd hebben plaatsgevonden. - Hierbij wordt opgemerkt dat het arrest van 11 juni 2015 specifiek betrekking had op artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het Hof overweegt als volgt. A. Uitspraak HvJ-EU 11 juni 2015 Het HvJ-EU heeft op 11 juni 2015 arrest gewezen op een verzoek van de Raad van State om een prejudiciële beslissing met betrekking tot de uitleg van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. In dit arrest is – samengevat – het volgende overwogen: 1Rechtsoverweging 38: De Raad van State heeft een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen: 1) Vormt een onderdaan van een derde land, die illegaal verblijft op het grondgebied van een lidstaat, een gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115, reeds omdat hij verdacht wordt van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of is daarvoor vereist dat hij door de strafrechter wegens het plegen van dit feit is veroordeeld en, in het laatste geval, dient die veroordeling dan onherroepelijk te zijn geworden? 2) Spelen bij de beoordeling of een onderdaan van een derde land, die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft, een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 naast een verdenking of een veroordeling nog andere feiten en omstandigheden van het geval een rol, zoals de ernst en aard van het naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gestelde feit, het tijdsverloop en de intentie van de betrokkene? 3) Spelen de feiten en omstandigheden van het geval die relevant zijn voor de beoordeling als bedoeld in de tweede vraag, nog een rol bij de in artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 geboden mogelijkheid om in het geval de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van dat artikellid te kunnen kiezen tussen enerzijds het afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek en anderzijds het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek die korter is dan zeven dagen? 2Rechtsoverweging 40 In de Vreemdelingencirculaire is vermeld dat als gevaar voor de openbare orde wordt aangemerkt iedere door de korpschef van de politie bevestigde verdenking of iedere veroordeling ter zake van een naar misdrijf strafbaar gesteld feit. 3Rechtsoverweging 41 Het begrip “gevaar voor de openbare orde” is in artikel 3 van de Terugkeerrichtlijn noch elders gedefinieerd. 4Rechtsoverweging 50 Een lidstaat dient het begrip gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn per geval te beoordelen teneinde na te gaan of de gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Wanneer een lidstaat daarbij steunt op een algemene praktijk of een vermoeden om vast te stellen dat sprake is van een dergelijk gevaar zonder dat naar behoren rekening wordt gehouden met de persoonlijke gedragingen van de derdelander en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde, gaat de lidstaat voorbij aan een individueel onderzoek van het betrokken geval en het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het enkele feit dat een derdelander wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor is veroordeeld, er op zichzelf geen rechtvaardiging voor kan vormen dat deze derdelander wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde te zijn in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. 5Rechtsoverweging 60 Het begrip: “gevaar voor de openbare orde” als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn veronderstelt hoe dan ook dat er, naast de verstoring die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, sprake is van een werkelijke en actuele bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. 6Rechtsoverweging 61 Daaruit volgt dat in het kader van een beoordeling van dat begrip alle feitelijke en juridische gegevens betreffende de situatie van de betrokken derdelander waardoor kan worden verduidelijkt of diens persoonlijke gedragingen een dergelijke bedreiging vormen, relevant zijn. 7Rechtsoverweging 70 Een lidstaat mag niet automatisch, middels regelgeving of in de praktijk, afzien voor het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek in het geval waarin de betrokkene een gevaar voor de openbare orde vormt. Voor een juiste gebruikmaking van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geboden mogelijkheid dient per geval te worden nagegaan of het niet toekennen van een dergelijke termijn verenigbaar zou zijn met de grondrechten van de betrokkene. Het HvJ-EU verklaart in het arrest van 11 juni 2015 voor recht: 1) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale praktijk volgens welke een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander wordt geacht een gevaar voor de openbare orde te vormen in de zin van die bepaling, louter omdat hij wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld. 2) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat in het geval van een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander die wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld, andere gegevens, zoals de aard en de ernst van dat feit, het tijdsverloop sinds dat feit werd gepleegd en de omstandigheid dat die derdelander het grondgebied van die lidstaat aan het verlaten was toen hij door de nationale autoriteiten werd aangehouden, van belang kunnen zijn bij de beoordeling of die derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt in de zin van die bepaling. In het kader van die beoordeling is in voorkomend geval tevens elk gegeven relevant dat betrekking heeft op de gegrondheid van de verdenking van het aan de betrokken derdelander verweten misdrijf. 3) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat voor gebruikmaking van de bij deze bepaling geboden mogelijkheid om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen wanneer de derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt, de gegevens die reeds zijn onderzocht om vast te stellen dat dit gevaar bestaat, niet opnieuw hoeven te worden onderzocht. Elke regeling of praktijk van de lidstaat ter zake moet echter waarborgen dat per geval wordt nagegaan of het niet toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek verenigbaar is met de grondrechten van die derdelander. B. Betekenis uitspraak HvJ-EU d.d. 11 juni 2015 voor de toetsing van artikel 11, tweede lid, Terugkeerrichtlijn De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op (uitleg van) het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Naar het oordeel van het hof (Gerechtshof Amsterdam) kan echter aan de uitleg van het begrip “openbare orde” in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geen betekenis worden ontzegd bij de uitleg van het begrip “ernstige bedreiging van de openbare orde” in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Immers bieden inhoud en strekking van de Terugkeerrichtlijn geen aanknopingspunt voor de conclusie dat bij de uitleg van het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn een ander, minder verstrekkend, niveau van rechtsbescherming dan het in de uitspraak HvJ-EU d.d. 11 juni 2015 in het kader van artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn geschetste, leidend zou moeten zijn. Het hof zal er daarom bij de beoordeling van de onder A2 en B tenlastegelegde feiten vanuit gaan dat de uitleg die het HvJ-EU in het arrest geeft aan artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn richtinggevend is voor de uitleg van artikel 11 van deze richtlijn. C. Inhoud van het inreisverbod Aan de verdachte is bij besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 4 februari 2014 een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet. Het inreisverbod is op grond van het bepaalde in artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet, juncto artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a van het Vreemdelingenbesluit – voor zover van belang – opgelegd voor de duur van 10 jaar. Hiertoe is door de Staatsecretaris, voor zover hier van belang, het volgende overwogen (waarbij onder betrokkene wordt verstaan: de verdachte): “Volgens artikel 6.5 a, vijfde lid, onder a Vb kan een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid blijken uit onder meer: a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of Opiumdelict; b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd. (…) Vastgesteld wordt dat betrokkene een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Betrokkene heeft immers bij herhaling misdrijven gepleegd, waaronder een geweldsdelict. Voorts wordt nog opgemerkt dat betrokkene is gedagvaard voor een zedenmisdrijf. In de zienswijze zijn met betrekking tot artikel 8 EVRM en 3 EVRM geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. De overwegingen uit het voornemen hieromtrent dienen dan ook als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Volgens paragraaf A4/2.3 Vc legt de IND het inreisverbod op voor de maximale duur zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a Vb is genoemd. In artikel 6.5 Vb is al rekening gehouden met de ernst van de aanleiding om een inreisverbod uit te vaardigen. Aangezien door betrokkene geen nader onderbouwde individuele omstandigheden zijn aangevoerd, wordt volgens artikel 6.5a, lid 5, onder a, Vb de maximale duur van 10 jaar opgelegd.” Verder is in dit besluit van de Staatssecretaris overwogen: “5. Rechtsgevolgen van deze beschikking Betrokkene moet het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland onmiddellijk verlaten en kan worden uitgezet.” D. Beoordeling van de rechtmatigheid van het inreisverbod Het hof is van oordeel dat het toetsingskader dat is aangelegd bij de besluitvorming tot oplegging van het inreisverbod van 14 februari 2014 in het licht van de in de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 geformuleerde criteria, onvoldoende dragend is voor de conclusie dat in dit geval sprake is van een (ernstige) bedreiging van de openbare orde. De enkele verwijzing naar de aard van twee misdrijven is daarvoor onvoldoende. Voor het overige wordt slechts gesproken van “misdrijven” die de verdachte “bij herhaling” gepleegd zou hebben, welke motivering eveneens tekortschiet. Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat de motivering van het inreisverbod onvoldoende is in het licht van de Terugkeerrichtlijn en dat dit besluit derhalve niet rechtmatig kan worden geacht. Naar aanleiding van hetgeen in dit verband is aangevoerd door de advocaat-generaal merkt het hof nog op dat het niet aan het hof is om in het kader van de onderhavige strafprocedure het betreffende gebrek te “helen”. Dit brengt met zich dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder A2 en B tenlastegelegde. Gezien het voorgaande bestaat er geen aanleiding meer nadere overwegingen te wijden aan de, ook door de advocaat-generaal onderkende, omstandigheid dat in het inreisverbod geen termijn voor vrijwillig vertrek is verleend zonder dat dit nader is gemotiveerd. Bespreking van een gevoerd bewijsverweer De raadsman heeft ten aanzien van het in de zaak A onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat er vrijspraak dient te volgen omdat er, kortgezegd, geen sprake is van diefstal met geweld. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt als volgt. De aangifte van de beveiliger van Albert Heijn wordt met betrekking tot de wegnemingshandelingen en de confrontatie die daarop volgde ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] die de bewakingsbeelden van Albert Heijn heeft bekeken en heeft gerelateerd wat er op de betreffende camerabeelden is waargenomen. Daarnaast wordt de lezing van de beveiliger bevestigd door getuige [getuige]. Gelet op de context waarin verdachtes handelen plaatsvond, te weten bij de aanhouding door de winkelbeveiliger ter zake verdenking van een zojuist gepleegde winkeldiefstal, en welke handelingen uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, is het hof van oordeel dat deze moeten worden aangemerkt als geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Het betoog van de raadsman dat het geweld niet was gericht op het vergemakkelijken van de diefstal en de verdachte zich moest verweren tegen de wederrechtelijke aanranding door een beveiliger treft geen doel nu het hof uit de te bezigen bewijsmiddelen afleidt dat het handelen van de betreffende beveiliger niet als een wederrechtelijke aanval kan worden aangemerkt waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen. Ook naar de uiterlijke verschijningsvorm moet het handelen van de verdachte, te weten het duwen tegen [slachtoffer] en vervolgens slaande en zwaaiende bewegingen maken naar en tegen [slachtoffer], naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als te zijn aangewend om zichzelf bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren. In dit laatste ligt de toepassing van geweld met bijkomend oogmerk besloten. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 7 januari 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid goederen, bestaande uit o.a. tandpasta, douchegel en bier, toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal gelegen aan de [adres]), welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte (met kracht) meermalen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd en met gebalde vuist een of meer slaande en zwaaiende bewegingen naar en tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt. Hetgeen in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep, ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde, onder de nummers 1, 2, 3 en 4. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde levert op: diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf of maatregel De rechtbank Amsterdam heeft aan de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Diefstal is een ergerlijk feit dat doorgaans overlast en schade veroorzaakt voor een winkelbedrijf. Daarnaast is door de verdachte geweld gebruikt tegen een winkelbeveiliger die hem op heterdaad betrapte. Dit geweld maakt dit feit veel ernstiger. Door een dergelijk handelen wordt immers de lichamelijke integriteit van deze medewerker aangetast en een voor hem en andere aanwezigen intimiderende situatie geschapen. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 oktober 2015 is de verdachte eerder voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. In het voorgaande ligt besloten dat het hof in casu geen termen aanwezig acht om, als gevorderd door de advocaat-generaal, tot het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) over te gaan. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De advocaat-generaal heeft zijn vordering tot oplegging van de ISD-maatregel mede gebaseerd op het advies van de Reclassering d.d. 26 maart 2015. Dit advies strekt tot oplegging van de ISD-maatregel. De daaraan ten grondslag gelegde motivering heeft hoofdzakelijk en in de eerste plaats betrekking op verdachtes illegaal verblijf hier te lande. Dragende overwegingen in dit advies komen er in de kern op neer dat de ISD-maatregel moet worden opgelegd met als doel de verdachte te motiveren terug te keren naar zijn land van herkomst. Een dergelijke doelstelling verdraagt zich naar het oordeel van het hof niet aanstonds met doel en strekking van de ISD-maatregel zoals neergelegd in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Het zou een (naar het oordeel van het hof te) vergaande uitleg van (in het bijzonder het tweede lid van) deze bepaling vergen indien de in de wet voorziene doelstellingen “beveiliging van de maatschappij” en “beëindigen van recidive” – met name – zouden moeten worden bereikt door een strafrechtelijk gefaciliteerd vertrek uit Nederland. Opleggen van een ISD-maatregel gericht op terugkeer naar het land van herkomst zou voorts tot gevolg hebben dat deze strafrechtelijke sanctie feitelijk als onderdeel van de terugkeerprocedure moet worden gezien hetgeen naar het oordeel van het hof op gespannen voet staat met: het uitgangspunt dat vreemdelingrechtelijke regelgeving is neergelegd in de bij en krachtens de Vreemdelingenwet 2000 gestelde regelgeving en een goede taakverdeling tussen de vreemdelingrechtelijke autoriteiten en de strafrechter. Het hof acht het advies van de Reclassering van 26 maart 2015 dan ook, voor zover dit uitgaat van bovenstaande doelstelling, onvoldoende redengevend voor het aannemen van de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de gevorderde maatregel. Ook overigens kunnen hiervoor in de inhoud van dit advies onvoldoende concrete aanknopingspunten worden gevonden, zodat het hof niet meegaat in de eis van de advocaat-generaal. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Dit wettelijk voorschrift wordt toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. Vordering tenuitvoerlegging Aan de orde is een vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 7 april 2012 opgelegde voorwaardelijke geldboete van 100 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting bij het hof gevorderd om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, evenals de rechtbank heeft gedaan, omdat het onverenigbaar is met het opleggen van de ISD-maatregel. Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting omtrent de persoon van de verdachte is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in de zaak B met parketnummer 13-703377-14 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 13 januari 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 7 april 2012, parketnummer 13-850664-12, voorwaardelijk opgelegde geldboete van 100 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.N. van der Spoel, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.W. Groenendijk, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 november 2015. ========================================================================= [....]
ECLI:NL:HR:2013:BY3151
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummers: 09/819617-15 (dagvaarding I) en 09/044458-15 (dagvaarding II) (gevoegd ter terechtzitting) Datum uitspraak: 1 februari 2016 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel te Krimpen aan den IJssel.

1Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 januari 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Offers en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. C.P. Zwaanswijk, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat: Ten aanzien van dagvaarding I 1. hij op of omstreeks 21 mei 2015 te [vestigingsplaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen vier, althans een of meer verpakking(en) parfum(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (winkelbedrijf) Douglas BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2. hij op of omstreeks 05 november 2015 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000; Ten aanzien van dagvaarding II 1. hij op of omstreeks 7 maart 2015 te [vestigingsplaats 2] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een verpakking parfum, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Douglas (gelegen aan [locatie 1] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2. hij op of omstreeks 7 maart 2015 te [vestigingsplaats 2] , in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. 3Bewijsoverwegingen 3.1 Inleiding De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 21 mei 2015 bij parfumerie Douglas te [vestigingsplaats 1] en op 7 maart 2015 bij parfumerie Douglas te [vestigingsplaats 2] een diefstal heeft gepleegd (feiten 1 van de dagvaardingen I en II).

Met betrekking tot de feiten 2 van dagvaardingen I en II zal de rechtbank achtereenvolgens bezien of verdachte op 7 maart 2015 en 5 november 2015 in Nederland (meer specifiek in [vestigingsplaats 2] dan wel Den Haag) was, of hij toen ongewenst was verklaard dan wel dat voor hem een inreisverbod gold, of de grondslag hiervan rechtmatig was, en of verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij ten tijde van het feit ongewenst was verklaard dan wel dat tegen hem een inreisverbod gold. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I onder 1 en 2 en bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Met betrekking tot feit 1 van dagvaarding I heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte en de herkenning van verdachte op de camerabeelden door een verbalisant. Met betrekking tot feit 1 van dagvaarding II heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte, de verklaring van de beveiliger en het proces-verbaal van aanhouding van verdachte. Met betrekking tot feit 2 van de dagvaardingen 1 en 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat – kort samengevat – verdachte wist dat aan hem bij beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 januari 2013 een inreisverbod voor de duur van drie jaren is opgelegd, aangezien hij in het verleden reeds diverse malen aangehouden is voor overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

Ook zou dat volgen uit het feit dat hij beroep heeft aangetekend tegen het inreisverbod. Voorts is de officier van justitie van mening dat deze beschikking niet in strijd is met richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: de Terugkeerrichtlijn). Nu aan verdachte een inreisverbod voor de duur van drie jaren is opgelegd, is zij van mening dat toetsing aan het openbare orde-begrip uit artikel 11 lid 2 van de Terugkeerrichtlijn niet aan de orde is. Voor het overige zijn er volgens de officier van justitie ook geen redenen om aan te nemen dat de beschikking in strijd is met enige rechtstreeks werkende bepalingen van het Europees Unierecht. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit.

Met betrekking tot feit 1 van dagvaarding I bestaat er naar de mening van de raadsman twijfel of verdachte de persoon op de camerabeelden is. Volgens hem zijn er onvoldoende overeenkomsten tussen verdachte en de persoon op de camerabeelden. Met betrekking tot feit 1 van dagvaarding II heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet uit te sluiten is dat iemand anders dan verdachte de diefstal heeft gepleegd, aangezien de beveiliger de verdachte een aantal minuten uit het oog is verloren. Voorts acht hij de verklaring van verdachte dat hij de parfumflesjes vijftien minuten voor zijn aanhouding van een vriend heeft gekregen, niet onaannemelijk.

Dit kan gebeurd zijn toen de beveiliger verdachte niet meer zag. Met betrekking tot feit 2 van de dagvaardingen 1 en 2 heeft de raadsman zich onder verwijzing naar een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 november 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4751) op het standpunt gesteld dat het inreisverbod evident in strijd is met de Terugkeerrichtlijn, nu onvoldoende is gemotiveerd waarom verdachte een ernstige bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid vormde. 3.4 De beoordeling van de tenlastelegging Ten aanzien van dagvaarding I Feit 1 Op 21 mei 2015 omstreeks 11.27 uur was aangeefster [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) als verkoopmedewerker aan het werk in parfumerie Douglas te [vestigingsplaats 1] .

Zij hoorde dat het alarm bij de detectiepoorten afging. Zij zag dat een manspersoon de winkel verliet en wegliep. [benadeelde 1] ging achter deze persoon aan maar raakte hem kwijt. Na bestudering van de camerabeelden bleek dat deze persoon vier verpakkingen met parfums vanuit het schap onder zijn jas heeft gestopt en deze had weggenomen. Een verbalisant die de camerabeelden heeft bekeken heeft ook gerelateerd dat op de beelden te zien is dat – kort samengevat – een man vier producten uit het schap pakte en deze wegstopte in, dan wel onder zijn jas.

Van deze beelden zijn een aantal zogeheten “screenshots” in het proces-verbaal gevoegd. Ter terechtzitting is door de rechtbank waargenomen dat de haarlijn, de neus, de wenkbrauwen en het oor van de persoon op de camerabeelden zeer sterke gelijkenissen vertonen met die van verdachte. Gelet op het vorenstaande en gelet op het feit dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij de persoon op de beelden is en dat het zou kunnen dat hij de betreffende diefstal heeft gepleegd, en in aanmerking genomen dat hij een aantal dagen na 21 mei 2015 en, zoals blijkt uit het bij dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde, op 7 maart 2015 ook is aangehouden voor diefstal van parfums in een parfumerie, acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 Was verdachte op de datum in geding in Nederland en gold er toen voor hem een inreisverbod? Op 5 november 2015 werd verdachte aangehouden in Den Haag. Bij voormelde beschikking van 10 januari 2013 is aan verdachte een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a, zevende lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte op 5 november 2015 in Nederland was, terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd. Was de grondslag van het inreisverbod rechtmatig? De rechtbank stelt voorop dat de strafrechter in een geval als het onderhavige bij de beoordeling van de grondslag van het inreisverbod slechts dient te toetsen of de beschikking evident onrechtmatig is.

Enkel als evident is dat het opleggen van het inreisverbod onrechtmatig is geweest of indien het inreisverbod achteraf teniet is gedaan, kan de strafrechter oordelen dat de grondslag van het inreisverbod niet rechtmatig is. Ter beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval daarvan sprake is, overweegt de rechtbank het navolgende. Tegen verdachte is een inreisverbod voor de duur van drie jaren uitgevaardigd op grond van artikel 66a, zevende lid onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Niet is gebleken dat dit besluit achteraf teniet is gedaan.

Blijkens een mededeling van de raadsman ter terechtzitting is het hoger beroep tegen (de handhaving van) het inreisverbod door verdachte ingetrokken, hetgeen ook volgt uit het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van Politie Haaglanden van 8 januari 2016. Artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 luidt als volgt. “7. In afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling: a, bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd (…); b. een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.” In artikel 11 van de Terugkeerrichtlijn is – voor zover van belang – het navolgende bepaald:

“1. Het terugkeerbesluit gaat gepaard met inreisverbod: a.

a) indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend, of b) indien niet aan de terugkeerverplichting is voldaan. In de overige gevallen kan het terugkeerbesluit een inreisverbod omvatten. 2 De duur van het inreisverbod wordt volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval bepaald, en bedraagt in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.” Het vorenstaande is geïmplementeerd in de nationale wetgeving in artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000:

“Het inreisverbod wordt gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.” In artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000 is bepaald dat – voor zover van belang – de duur van het inreisverbod ten hoogste drie jaren bedraagt, indien het een vreemdeling betreft die is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van minder dan zes maanden (lid 3).

In de Vreemdelingencirculaire 2000 zijn beleidsregels opgenomen als aanvulling op de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000. Van belang zijn de navolgende bepalingen. In paragraaf A4, artikel 2.1. is bepaald dat – voor zover van belang – het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring van een vreemdeling op grond van artikel 67 lid 1 onder b tot en met e van de Vreemdelingenwet 2000, van overeenkomstige toepassing is op het inreisverbod dat wordt opgelegd met toepassing van artikel 66a lid 7 onder a, b, c en d van de Vreemdelingenweg 2000.

Verwezen wordt naar paragraaf A4/3.1 onder b tot en met e van de Vreemdelingencirculaire 2000. Paragraaf A4/3.1 onder c van de Vreemdelingencirculaire 2000 luidt als volgt: “c. Ongewenstverklaring op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw De IND besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De IND beschouwt een vreemdeling als een gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw (http://wetten.overheid.nl/BWBR0011823/Hoofdstuk6/Afdeling4/Artikel67/geldigheidsdatum_19-01-2016) als hij wegens een misdrijf: is veroordeeld tot een gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie) of een taakstraf of vrijheidsontnemende maatregel opgelegd heeft gekregen en waarbij het (totale) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of vrijheidsontnemende maatregel ten minste één dag bedraagt; bij herhaling is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie) of bij herhaling een taakstraf, onvoorwaardelijke geldboete of vrijheidsontnemende maatregel opgelegd heeft gekregen, een transactieaanbod heeft aanvaard of een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen.” Op grond van vorenstaande bepalingen kan naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat evident is dat tegen verdachte geen inreisverbod had mogen worden uitgevaardigd.

Uit zijn strafblad is gebleken dat verdachte in 2010 diverse malen is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen wegens diefstal, een strafbaar feit dat op grond van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar kan worden bestraft. Blijkens zijn strafblad was verdachte ten tijde van het opleggen van het inreisverbod veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen met in totaal een duur van korter dan zes maanden. Ook verder is niet gebleken dat de conclusie in voormelde beschikking dat verdachte een gevaar voor de openbare orde vormde in strijd is met enige wettelijke bepaling.

Nu een inreisverbod voor de duur van drie jaar is opgelegd en derhalve geen sprake is van een inreisverbod voor de duur van langer dan vijf jaren, is een rechterlijke toetsing aan het begrip “ernstige bedreiging van de openbare orde”, zoals genoemd in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en in artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, niet aan de orde. Het nationaalrechtelijke begrip “gevaar voor de openbare orde” in de overige voormelde bepalingen van de Vreemdelingenwet, en Vreemdelingencirculaire, is naar het oordeel van de rechtbank geen equivalent van het begrip “ernstige bedreiging van de openbare orde” in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn.

Verdachte heeft dus een inreisverbod opgelegd gekregen met toepassing van een nationaalrechtelijk openbare orde-criterium, dat niet wordt bestreken door het openbare orde-criterium uit de Terugkeerrichtlijn. Dit betekent dat het arrest van het Hof van Justitie EU d.d. 11 juni 2015 (zaak C-554/13) en de uitleg daarvan in het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 17 november 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4751) in het onderhavige geval toepassing missen. De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat de grondslag van het inreisverbod rechtmatig is.

Wist verdachte of had hij ernstige redenen om te vermoeden dat voor hem een inreisverbod gold? Genoemde beschikking van 10 januari 2013 om tegen verdachte een inreisverbod voor de duur van drie jaren uit te vaardigen, is op 16 januari 2013 geplaatst in de Staatscourant. Uit een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 november 2015 betreffende verdachte blijkt dat hij in het verleden diverse malen is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft ter zitting ook verklaard dat hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd.

Conclusie Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte op 5 november 2015 in Nederland (namelijk in Den Haag) heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd. Ten aanzien van dagvaarding II Feit 1 Op 7 maart 2015 omstreeks 14.40 uur kregen verbalisanten de melding dat er een winkeldiefstal had plaatsgebonden bij parfumerie Douglas aan de [locatie 1] te [vestigingsplaats 2] . De diefstal zou gezien zijn door een beveiligingsmedewerker die achter de mogelijke verdachte was aangelopen terwijl zij de melding deed.

Op de [locatie 2] zagen de verbalisanten de beveiligingsmedewerker. Zij wees naar een man die voor haar liep. De politie sprak de man aan, maar die rende weg. Na een korte achtervolging kon hij worden aangehouden. Deze man bleek verdachte te zijn. Tijdens de fouillering werden meerdere flesjes parfum in zijn jaszak aangetroffen. De verbalisanten hoorden de beveiligingsmedewerker zeggen dat zij de verdachte hadden aangehouden die de winkeldiefstal had gepleegd. Door een verkoopmedewerker van Douglas werden de bij verdachte aangetroffen flessen parfum herkend als flessen die in de winkel worden verkocht.

Getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) heeft verklaard dat zij op 7 maart 2015 omstreeks 14.30 uur als winkelbeveiliger aan het werk was in parfumerie Douglas te [vestigingsplaats 2] . Zij zag dat een man twee testers van het merk Yves Saint Laurent pakte en deze onder zijn jas stopte. [getuige] is hierop de winkel uitgelopen om de politie te bellen. Zij zag de man de winkel uitlopen zonder iets af te rekenen. Zij is de man gaan volgen en op de [locatie 2] zag zij dat de man door de politie werd aangehouden. Zij herkende de bij de aangehouden verdachte aangetroffen testers als de in haar verklaring beschreven testers van Douglas.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht het uitgesloten dat een ander persoon dan verdachte deze diefstal heeft gepleegd. Zij acht voorts de verklaring van verdachte dat hij de bij hem aangetroffen flessen parfum vijftien minuten voor zijn aanhouding van een vriend heeft gekregen, onaannemelijk. Dit geldt temeer nu verdachte geen concrete of verifieerbare gegevens omtrent deze vriend heeft verstrekt en bovendien bij de politie in eerste instantie heeft verklaard dat hij deze flessen een dag eerder in Den Haag heeft gekocht.

Feit 2 Was verdachte op het moment van aanhouding in Nederland en was hij ongewenst verklaard of gold er toen voor hem een inreisverbod? Op 7 maart 2015 werd verdachte aangehouden in [vestigingsplaats 2] . Hiervoor heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat aan hem bij beschikking van 10 januari 2013 een inreisverbod was opgelegd en dat hij dat ook wist. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte op 7 maart 2015 in Nederland ( [vestigingsplaats 2] ) was, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd. De overige rechtsvragen De rechtbank verwijst hier kortheidshalve naar hetgeen reeds ten aanzien van dagvaarding I, feit 2, hieromtrent is overwogen.

Conclusie Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte op 7 maart 2015 in Nederland heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte: Ten aanzien van dagvaarding I 1. op 21 mei 2015 te [vestigingsplaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen vier verpakkingen parfums, toebehorende aan winkelbedrijf Douglas;

2. op 05 november 2015 te 's-Gravenhage als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000; Ten aanzien van dagvaarding II 1. op 7 maart 2015 te [vestigingsplaats 2] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een verpakking parfum, toebehorende aan Douglas gelegen aan de [locatie 1] ;

2. op 7 maart 2015 te [vestigingsplaats 2] als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op: ten aanzien van dagvaarding I feit 1 en dagvaarding II feit 1 diefstal, meermalen gepleegd; ten aanzien van dagvaarding I feit 2 en dagvaarding II feit 2 als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000, meermalen gepleegd.

5De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van achttien weken, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, wordt opgelegd. Zij is van mening dat de stappen van de Terugkeerrichtlijn door de Nederlandse Staat zijn doorlopen, zodat er niets is dat aan de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de weg staat. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van zijn voorarrest op te leggen, gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en gelet op het feit dat aan verdachte geen redelijke termijn is geboden om zelf zijn terugkeer te regelen.

Verdachte is immers op 16 oktober 2015 in vrijheid gesteld en op 5 november 2015 wederom aangehouden ter zake overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen.

Dergelijke feiten veroorzaken veel schade en ergernis. Voorts heeft hij zich meerdere malen schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, door in Nederland te verblijven terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd. Het overheidsbeleid met betrekking tot vreemdelingen tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd is ingesteld ter bescherming van de openbare orde. Verdachte heeft dit beleid gefrustreerd met zijn handelen. Uit een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 november 2015 betreffende verdachte blijkt dat hij in het verleden meerdere malen veroordeeld is voor vermogensdelicten en voor overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte dient in beginsel te worden beschouwd als recidivist. De rechtbank houdt evenwel rekening met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft acht geslagen op de bepalingen in de Terugkeerrichtlijn en op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie d.d. 6 december 2011 (C-329/11, Achughbabian, ECLI:EU:C:2011:807). Daaruit volgt dat de Terugkeerrichtlijn zich er niet tegen verzet dat op grond van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een vreemdeling voor wie een inreisverbod geldt en die onderdaan is van een derde land in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn op wie de bij die richtlijn voorziene terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal in Nederland verblijft.

Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is evenwel strijdig met de Terugkeerrichtlijn indien de stappen van de in de Terugkeerrichtlijn vastgelegde terugkeerprocedure nog niet zijn doorlopen. Het is aan de rechter die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wil opleggen voor handelen in strijd met artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, om zich ervan te vergewissen dat alle stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen en hiervan in zijn motivering van zijn beslissing blijk te geven (Hoge Raad 21 mei 2913, ECLI:NL:HR:2013:BY3151).

Naar het oordeel van de rechtbank zijn, gelet op het sfeer-proces-verbaal, door de Staat alle stappen van de terugkeerprocedure in de onderhavige zaak doorlopen. Verdachte heeft diverse malen in vreemdelingenbewaring gezeten, voor het laatst in 2014, en is bij de Palestijnse, de Egyptische, de Algerijnse en de Marokkaanse vertegenwoordigingen gepresenteerd, hetgeen niet heeft geleid tot afgifte van een reisdocument. Het resultaat van een taalanalyse in 2013 is dat verdachte kon worden herleid tot de spraak- en cultuurgemeenschap van [land] . Niet is gebleken dat verdachte zelf adequate pogingen heeft ondernomen om een reisdocument te verkrijgen zodat hij Nederland kan verlaten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de overheid gedaan wat tot dusver mogelijk was om verdachte uit te zetten. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de Terugkeerrichtlijn zich niet verzet tegen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Per overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank conform de geldende oriëntatiepunten een gevangenisstraf van twee maanden opleggen. Gelet op het voorgaande behoeft het verweer dat verdachte voorafgaande aan zijn aanhouding van 5 november 2015 geen redelijke termijn is geboden om Nederland te verlaten geen bespreking.

Overigens is gebleken dat verdachte toen een langere termijn is geboden dan de in ieder geval als redelijk aan te merken termijn van 10 dagen. Al het voorgaande in overweging genomen acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden.

7De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 57, 63, 197 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8De beslissing

De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/819617-15 onder 1 en 2 en bij dagvaarding II met het parketnummer 09/044458-15 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van dagvaarding I feit 1 en dagvaarding II feit 1 diefstal, meermalen gepleegd; ten aanzien van dagvaarding I feit 2 en dagvaarding II feit 2 als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000, meermalen gepleegd; verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 18 (ACHTTIEN) WEKEN; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Eisses, voorzitter, mr. A.P. Pereira Horta, rechter, mr. C. Fetter, rechter, in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 februari 2016. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015151964, van de politie eenheid Den Haag, district Westland Delft, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 42).

Proces-verbaal aangifte [benadeelde 1] , blz. 3 en 4. Proces-verbaal van bevindingen, blz.

5. Een geschrift, te weten screenshots, blz. 7 en 8. Eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting. Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting van 18 januari 2016. Proces-verbaal van bevindingen, blz.

9. Proces-verbaal van aanhouding, blz.

12. Een geschrift, te weten een kopie van een beschikking, blz. 33-39. Een geschrift, te weten een kopie van een beschikking, blz. 15-18. Een geschrift, te weten een kopie van de Staatscourant d.d. 16 januari 2013, blz.

41. Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting van 18 januari 2016. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015072306, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 32). Proces-verbaal van aanhouding, blz. 8 en 9. Proces-verbaal aangifte [benadeelde 2] , blz. 3 en 4. Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , blz.

6. Proces-verbaal verhoor verdachte, blz.

30. Proces-verbaal van aanhouding, blz. 8 en 9.