Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2016:830 ECLI:NL:RBDHA:2016:830 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2016:830 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2016:830
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

hij op of omstreeks 7 oktober 2015 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer bacardi cola en/of een of meer smirnoff ice en/of een of meer bacardi razz & up en/of een of meer william lawson cola, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte 2. hij op of omstreeks 7 oktober 2015 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 3De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van feit 2 3.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde niet ontvankelijk is in de vervolging, nu verdachte in een situatie van overmacht verkeerde.

Legislator headnote

AI generated

artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBDHA:2016:830 · Rechtbank Den Haag: Zij heeft daarbij verwezen naar het arrest Filev en Osmani van het Hof van Justitie van de Europese Unie d.d. 19 december 2013, waaruit kan worden afgeleid dat deze beschikking geacht moet worden voor vijf jaren te gelden, die gaan lopen op het moment dat de vreemdeling Nederland heeft verlaten. Nu verdachte in de periode na 2005 Nederland nog geen aaneengesloten periode van vijf jaren heeft verlaten, is de beschikking nog steeds geldig. Nu het hier om een geldigheidsduur van vijf jaren gaat, is toetsing aan het openbare orde-begrip uit artikel 11 lid 2 van de Terugkeerrichtlijn niet aan de orde.

Keywords

AI generated
trade in alcoholic beverages unlawful departure breach of entry ban immigration law fraud importation of illicit narcotics protection against illicit commercial practices

Cited Legislation

AI generated
artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering
artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht
Dit zou anders zijn als binnen de vertrektermijn waarover discussie bestaat, een vervolging ter zake artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht jegens verdachte is aangevangen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8849
Rolnummer: 22-000240-06 Parketnummer: 10-631271-05 Datum uitspraak: 15 juni 2006 TEGENSPRAAK Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 10 januari 2006 in de strafzaak tegen de verdachte: Driss A[.] thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Utrecht- HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 juni 2006.
ECLI:NL:HR:2010:BL2854
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
ECLI:NL:GHAMS:2015:4751
parketnummer: 23-001779-15 datum uitspraak: 17 november 2015 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2015 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-701036-15 (A) en 13-703377-14 (B) alsmede 13-850664-12 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1983, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, gedetineerd in het Detentiecentrum Schiphol te Badhoevedorp. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Zaak A met parketnummer 13-701036-15: 1:hij op of omstreeks 07 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid goederen (bestaande uit o.a. tandpasta en/of douchegel en/of een of meer blikjes bier en/of whisky (ter waarde van 60,95 euro)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal gelegen aan de [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte (met kracht) - eenmaal of meermalen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd en/of (vervolgens) - (met gebalde vuist(en)) een of meer slaande en/of zwaaiende bewegingen naar en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt; 2:hij op of omstreeks 07 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000; Zaak B met parketnummer 13-703377-14 (gevoegd): hij op of omstreeks 12 december 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraak zaak A feit 2 en zaak B Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in de zaak B met parketnummer 13-703377-14 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Bij besluit van 4 februari 2014 is aan de verdachte een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet opgelegd. Dit inreisverbod is opgelegd voor de duur van tien jaar. Niet betwist wordt, en ook het hof leidt uit de bewijsmiddelen af, dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten op de hoogte was van dit besluit. Omtrent eventueel ingestelde rechtsmiddelen tegen dit besluit ontbreekt informatie in het proces-verbaal “sfeer” van de Dienst Regionale Recherche van de politie Eenheid Amsterdam d.d. 21 oktober 2015. Uit de mededelingen van de raadsman van de verdachte houdt het hof het er, bij gebreke aan andersluidende informatie, voor dat voornoemd besluit nog niet rechtens onaantastbaar is nu er kennelijk nog een vreemdelingrechtelijke procedure aanhangig is bij de Raad van State. Het hof acht, gelet op de duur van deze procedure, en de daarin te beantwoorden rechtsvragen, geen termen aanwezig (nogmaals) tot heropening van het onderzoek en aanhouding van de onderhavige zaak over te gaan teneinde de vreemdelingrechtelijke procedure af te wachten nu dit tot een onaanvaardbare vertraging van de strafzaak zou leiden. Het hof ziet zich bij de beoordeling van de onder A2 en B tenlastegelegde feiten derhalve thans gesteld voor beantwoording van de vraag of het inreisverbod dusdanig in strijd is met inhoud en strekking van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: Terugkeerrichtlijn), bezien in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) van 11 juni 2015, dat hieraan gevolgen dienen te worden verbonden in het kader van de bewijsbeslissing. De advocaat-generaal heeft zich dienaangaande – kort samengevat en zakelijk weergegeven – op het volgende standpunt gesteld: - Bij de beoordeling van een besluit als het onderhavige dient internationale regelgeving in ogenschouw te worden genomen. - De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De kern van de uitspraak is dat een termijn voor vrijwillig vertrek wordt gegeven, tenzij sprake is van een acuut of reëel gevaar voor de openbare orde. - In het inreisverbod van de verdachte is geen termijn voor vrijwillig vertrek opgenomen zonder dat hieraan overwegingen zijn gewijd. Volstaan wordt met een verwijzing naar eerdere veroordelingen. Gelet op de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 is dit niet juist. Hieraan hoeven echter in deze strafzaak geen consequenties te worden verbonden nu materieel gezien wel sprake is geweest van een dergelijke termijn. Het besluit dateert immers van 4 februari 2014 en de verdachte heeft genoeg tijd gehad om terug te keren. - In de onderhavige zaak kon het inreisverbod voorts op juiste gronden worden opgelegd voor de duur van 10 jaar nu de strafbare feiten waarop dit verbod is gebaseerd niet slechts betrekking hebben op vermogensdelicten maar ook op ernstiger feiten, die gedurende langere tijd hebben plaatsgevonden. - Hierbij wordt opgemerkt dat het arrest van 11 juni 2015 specifiek betrekking had op artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het Hof overweegt als volgt. A. Uitspraak HvJ-EU 11 juni 2015 Het HvJ-EU heeft op 11 juni 2015 arrest gewezen op een verzoek van de Raad van State om een prejudiciële beslissing met betrekking tot de uitleg van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. In dit arrest is – samengevat – het volgende overwogen: 1Rechtsoverweging 38: De Raad van State heeft een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen: 1) Vormt een onderdaan van een derde land, die illegaal verblijft op het grondgebied van een lidstaat, een gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115, reeds omdat hij verdacht wordt van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of is daarvoor vereist dat hij door de strafrechter wegens het plegen van dit feit is veroordeeld en, in het laatste geval, dient die veroordeling dan onherroepelijk te zijn geworden? 2) Spelen bij de beoordeling of een onderdaan van een derde land, die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft, een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 naast een verdenking of een veroordeling nog andere feiten en omstandigheden van het geval een rol, zoals de ernst en aard van het naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gestelde feit, het tijdsverloop en de intentie van de betrokkene? 3) Spelen de feiten en omstandigheden van het geval die relevant zijn voor de beoordeling als bedoeld in de tweede vraag, nog een rol bij de in artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 geboden mogelijkheid om in het geval de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van dat artikellid te kunnen kiezen tussen enerzijds het afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek en anderzijds het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek die korter is dan zeven dagen? 2Rechtsoverweging 40 In de Vreemdelingencirculaire is vermeld dat als gevaar voor de openbare orde wordt aangemerkt iedere door de korpschef van de politie bevestigde verdenking of iedere veroordeling ter zake van een naar misdrijf strafbaar gesteld feit. 3Rechtsoverweging 41 Het begrip “gevaar voor de openbare orde” is in artikel 3 van de Terugkeerrichtlijn noch elders gedefinieerd. 4Rechtsoverweging 50 Een lidstaat dient het begrip gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn per geval te beoordelen teneinde na te gaan of de gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Wanneer een lidstaat daarbij steunt op een algemene praktijk of een vermoeden om vast te stellen dat sprake is van een dergelijk gevaar zonder dat naar behoren rekening wordt gehouden met de persoonlijke gedragingen van de derdelander en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde, gaat de lidstaat voorbij aan een individueel onderzoek van het betrokken geval en het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het enkele feit dat een derdelander wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor is veroordeeld, er op zichzelf geen rechtvaardiging voor kan vormen dat deze derdelander wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde te zijn in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. 5Rechtsoverweging 60 Het begrip: “gevaar voor de openbare orde” als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn veronderstelt hoe dan ook dat er, naast de verstoring die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, sprake is van een werkelijke en actuele bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. 6Rechtsoverweging 61 Daaruit volgt dat in het kader van een beoordeling van dat begrip alle feitelijke en juridische gegevens betreffende de situatie van de betrokken derdelander waardoor kan worden verduidelijkt of diens persoonlijke gedragingen een dergelijke bedreiging vormen, relevant zijn. 7Rechtsoverweging 70 Een lidstaat mag niet automatisch, middels regelgeving of in de praktijk, afzien voor het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek in het geval waarin de betrokkene een gevaar voor de openbare orde vormt. Voor een juiste gebruikmaking van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geboden mogelijkheid dient per geval te worden nagegaan of het niet toekennen van een dergelijke termijn verenigbaar zou zijn met de grondrechten van de betrokkene. Het HvJ-EU verklaart in het arrest van 11 juni 2015 voor recht: 1) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale praktijk volgens welke een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander wordt geacht een gevaar voor de openbare orde te vormen in de zin van die bepaling, louter omdat hij wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld. 2) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat in het geval van een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander die wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld, andere gegevens, zoals de aard en de ernst van dat feit, het tijdsverloop sinds dat feit werd gepleegd en de omstandigheid dat die derdelander het grondgebied van die lidstaat aan het verlaten was toen hij door de nationale autoriteiten werd aangehouden, van belang kunnen zijn bij de beoordeling of die derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt in de zin van die bepaling. In het kader van die beoordeling is in voorkomend geval tevens elk gegeven relevant dat betrekking heeft op de gegrondheid van de verdenking van het aan de betrokken derdelander verweten misdrijf. 3) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat voor gebruikmaking van de bij deze bepaling geboden mogelijkheid om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen wanneer de derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt, de gegevens die reeds zijn onderzocht om vast te stellen dat dit gevaar bestaat, niet opnieuw hoeven te worden onderzocht. Elke regeling of praktijk van de lidstaat ter zake moet echter waarborgen dat per geval wordt nagegaan of het niet toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek verenigbaar is met de grondrechten van die derdelander. B. Betekenis uitspraak HvJ-EU d.d. 11 juni 2015 voor de toetsing van artikel 11, tweede lid, Terugkeerrichtlijn De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op (uitleg van) het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Naar het oordeel van het hof (Gerechtshof Amsterdam) kan echter aan de uitleg van het begrip “openbare orde” in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geen betekenis worden ontzegd bij de uitleg van het begrip “ernstige bedreiging van de openbare orde” in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Immers bieden inhoud en strekking van de Terugkeerrichtlijn geen aanknopingspunt voor de conclusie dat bij de uitleg van het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn een ander, minder verstrekkend, niveau van rechtsbescherming dan het in de uitspraak HvJ-EU d.d. 11 juni 2015 in het kader van artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn geschetste, leidend zou moeten zijn. Het hof zal er daarom bij de beoordeling van de onder A2 en B tenlastegelegde feiten vanuit gaan dat de uitleg die het HvJ-EU in het arrest geeft aan artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn richtinggevend is voor de uitleg van artikel 11 van deze richtlijn. C. Inhoud van het inreisverbod Aan de verdachte is bij besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 4 februari 2014 een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet. Het inreisverbod is op grond van het bepaalde in artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet, juncto artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a van het Vreemdelingenbesluit – voor zover van belang – opgelegd voor de duur van 10 jaar. Hiertoe is door de Staatsecretaris, voor zover hier van belang, het volgende overwogen (waarbij onder betrokkene wordt verstaan: de verdachte): “Volgens artikel 6.5 a, vijfde lid, onder a Vb kan een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid blijken uit onder meer: a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of Opiumdelict; b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd. (…) Vastgesteld wordt dat betrokkene een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Betrokkene heeft immers bij herhaling misdrijven gepleegd, waaronder een geweldsdelict. Voorts wordt nog opgemerkt dat betrokkene is gedagvaard voor een zedenmisdrijf. In de zienswijze zijn met betrekking tot artikel 8 EVRM en 3 EVRM geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. De overwegingen uit het voornemen hieromtrent dienen dan ook als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Volgens paragraaf A4/2.3 Vc legt de IND het inreisverbod op voor de maximale duur zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a Vb is genoemd. In artikel 6.5 Vb is al rekening gehouden met de ernst van de aanleiding om een inreisverbod uit te vaardigen. Aangezien door betrokkene geen nader onderbouwde individuele omstandigheden zijn aangevoerd, wordt volgens artikel 6.5a, lid 5, onder a, Vb de maximale duur van 10 jaar opgelegd.” Verder is in dit besluit van de Staatssecretaris overwogen: “5. Rechtsgevolgen van deze beschikking Betrokkene moet het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland onmiddellijk verlaten en kan worden uitgezet.” D. Beoordeling van de rechtmatigheid van het inreisverbod Het hof is van oordeel dat het toetsingskader dat is aangelegd bij de besluitvorming tot oplegging van het inreisverbod van 14 februari 2014 in het licht van de in de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 geformuleerde criteria, onvoldoende dragend is voor de conclusie dat in dit geval sprake is van een (ernstige) bedreiging van de openbare orde. De enkele verwijzing naar de aard van twee misdrijven is daarvoor onvoldoende. Voor het overige wordt slechts gesproken van “misdrijven” die de verdachte “bij herhaling” gepleegd zou hebben, welke motivering eveneens tekortschiet. Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat de motivering van het inreisverbod onvoldoende is in het licht van de Terugkeerrichtlijn en dat dit besluit derhalve niet rechtmatig kan worden geacht. Naar aanleiding van hetgeen in dit verband is aangevoerd door de advocaat-generaal merkt het hof nog op dat het niet aan het hof is om in het kader van de onderhavige strafprocedure het betreffende gebrek te “helen”. Dit brengt met zich dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder A2 en B tenlastegelegde. Gezien het voorgaande bestaat er geen aanleiding meer nadere overwegingen te wijden aan de, ook door de advocaat-generaal onderkende, omstandigheid dat in het inreisverbod geen termijn voor vrijwillig vertrek is verleend zonder dat dit nader is gemotiveerd. Bespreking van een gevoerd bewijsverweer De raadsman heeft ten aanzien van het in de zaak A onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat er vrijspraak dient te volgen omdat er, kortgezegd, geen sprake is van diefstal met geweld. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt als volgt. De aangifte van de beveiliger van Albert Heijn wordt met betrekking tot de wegnemingshandelingen en de confrontatie die daarop volgde ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] die de bewakingsbeelden van Albert Heijn heeft bekeken en heeft gerelateerd wat er op de betreffende camerabeelden is waargenomen. Daarnaast wordt de lezing van de beveiliger bevestigd door getuige [getuige]. Gelet op de context waarin verdachtes handelen plaatsvond, te weten bij de aanhouding door de winkelbeveiliger ter zake verdenking van een zojuist gepleegde winkeldiefstal, en welke handelingen uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, is het hof van oordeel dat deze moeten worden aangemerkt als geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Het betoog van de raadsman dat het geweld niet was gericht op het vergemakkelijken van de diefstal en de verdachte zich moest verweren tegen de wederrechtelijke aanranding door een beveiliger treft geen doel nu het hof uit de te bezigen bewijsmiddelen afleidt dat het handelen van de betreffende beveiliger niet als een wederrechtelijke aanval kan worden aangemerkt waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen. Ook naar de uiterlijke verschijningsvorm moet het handelen van de verdachte, te weten het duwen tegen [slachtoffer] en vervolgens slaande en zwaaiende bewegingen maken naar en tegen [slachtoffer], naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als te zijn aangewend om zichzelf bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren. In dit laatste ligt de toepassing van geweld met bijkomend oogmerk besloten. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 7 januari 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid goederen, bestaande uit o.a. tandpasta, douchegel en bier, toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal gelegen aan de [adres]), welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte (met kracht) meermalen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd en met gebalde vuist een of meer slaande en zwaaiende bewegingen naar en tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt. Hetgeen in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep, ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde, onder de nummers 1, 2, 3 en 4. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde levert op: diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf of maatregel De rechtbank Amsterdam heeft aan de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Diefstal is een ergerlijk feit dat doorgaans overlast en schade veroorzaakt voor een winkelbedrijf. Daarnaast is door de verdachte geweld gebruikt tegen een winkelbeveiliger die hem op heterdaad betrapte. Dit geweld maakt dit feit veel ernstiger. Door een dergelijk handelen wordt immers de lichamelijke integriteit van deze medewerker aangetast en een voor hem en andere aanwezigen intimiderende situatie geschapen. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 oktober 2015 is de verdachte eerder voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. In het voorgaande ligt besloten dat het hof in casu geen termen aanwezig acht om, als gevorderd door de advocaat-generaal, tot het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) over te gaan. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De advocaat-generaal heeft zijn vordering tot oplegging van de ISD-maatregel mede gebaseerd op het advies van de Reclassering d.d. 26 maart 2015. Dit advies strekt tot oplegging van de ISD-maatregel. De daaraan ten grondslag gelegde motivering heeft hoofdzakelijk en in de eerste plaats betrekking op verdachtes illegaal verblijf hier te lande. Dragende overwegingen in dit advies komen er in de kern op neer dat de ISD-maatregel moet worden opgelegd met als doel de verdachte te motiveren terug te keren naar zijn land van herkomst. Een dergelijke doelstelling verdraagt zich naar het oordeel van het hof niet aanstonds met doel en strekking van de ISD-maatregel zoals neergelegd in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Het zou een (naar het oordeel van het hof te) vergaande uitleg van (in het bijzonder het tweede lid van) deze bepaling vergen indien de in de wet voorziene doelstellingen “beveiliging van de maatschappij” en “beëindigen van recidive” – met name – zouden moeten worden bereikt door een strafrechtelijk gefaciliteerd vertrek uit Nederland. Opleggen van een ISD-maatregel gericht op terugkeer naar het land van herkomst zou voorts tot gevolg hebben dat deze strafrechtelijke sanctie feitelijk als onderdeel van de terugkeerprocedure moet worden gezien hetgeen naar het oordeel van het hof op gespannen voet staat met: het uitgangspunt dat vreemdelingrechtelijke regelgeving is neergelegd in de bij en krachtens de Vreemdelingenwet 2000 gestelde regelgeving en een goede taakverdeling tussen de vreemdelingrechtelijke autoriteiten en de strafrechter. Het hof acht het advies van de Reclassering van 26 maart 2015 dan ook, voor zover dit uitgaat van bovenstaande doelstelling, onvoldoende redengevend voor het aannemen van de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de gevorderde maatregel. Ook overigens kunnen hiervoor in de inhoud van dit advies onvoldoende concrete aanknopingspunten worden gevonden, zodat het hof niet meegaat in de eis van de advocaat-generaal. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Dit wettelijk voorschrift wordt toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. Vordering tenuitvoerlegging Aan de orde is een vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 7 april 2012 opgelegde voorwaardelijke geldboete van 100 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting bij het hof gevorderd om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, evenals de rechtbank heeft gedaan, omdat het onverenigbaar is met het opleggen van de ISD-maatregel. Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting omtrent de persoon van de verdachte is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in de zaak B met parketnummer 13-703377-14 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 13 januari 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 7 april 2012, parketnummer 13-850664-12, voorwaardelijk opgelegde geldboete van 100 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.N. van der Spoel, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.W. Groenendijk, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 november 2015. ========================================================================= [....]
ECLI:NL:HR:2009:BI5627
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. van Koesveld, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 1.2. De raadsvrouwe heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
ECLI:NL:HR:2013:BY3151
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/202469-15 Datum uitspraak: 1 februari 2016 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , verblijfadres: [adres] .

1Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 januari 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Offers en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J. Hemelaar, advocaat te Leiden, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 7 oktober 2015 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer bacardi cola en/of een of meer smirnoff ice en/of een of meer bacardi razz & up en/of een of meer william lawson cola, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte 2. hij op of omstreeks 7 oktober 2015 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 3De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van feit 2 3.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde niet ontvankelijk is in de vervolging, nu verdachte in een situatie van overmacht verkeerde.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat – kort samengevat – verdachte geen verwijt van zijn illegale verblijf in Nederland kan worden gemaakt omdat hij niet door de Nederlandse staat uitgezet kan worden en zelf al het mogelijke heeft gedaan om zijn illegale verblijf in Nederland te beëindigen. Het openbaar ministerie is hiermee bekend en desondanks wordt verdachte steeds opnieuw vervolgd. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, nu zij van mening is dat verdachte geen adequate pogingen heeft gedaan om zijn verblijf in Nederland te beëindigen.

Daarbij heeft zij verwezen naar de inhoud van de brief van de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) en de verklaring ter terechtzitting van de getuige-deskundige [deskundige] , werkzaam bij de DT&V. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie als een in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg komt slechts in aanmerking indien sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan.

Hiervan kan met betrekking tot een beroep op overmacht in het kader van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht enkel sprake zijn indien de verdachte geen verwijt van zijn illegale verblijf in Nederland kan worden gemaakt omdat hij niet door de Nederlandse staat kan worden uitgezet, hij zijn medewerking heeft verleend aan de pogingen van de autoriteiten tot uitzetting en hij zelf adequate pogingen heeft ondernomen om zijn verblijf in Nederland te beëindigen, de overheid met die situatie bekend is en het openbaar ministerie desondanks verdachte steeds opnieuw vervolgt ter zake van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

Met het steeds opnieuw vervolgen is in dat geval geen enkel redelijk strafrechtelijk doel meer gediend (zie onder meer het arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 15 juni 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8849). Verdachte is bij beschikking van 5 oktober 2005 tot ongewenst vreemdeling verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000. Uit een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 oktober 2015 betreffende verdachte en uit de door de raadsman overgelegde arresten van het Gerechtshof te Den Haag van 2 juli 2007, 31 oktober 2008 en 10 november 2011 blijkt dat verdachte in het verleden diverse malen is vervolgd ter zake van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij het openbaar ministerie, al dan niet wegens een geslaagd beroep op overmacht, niet- ontvankelijk is verklaard.

Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet reeds op voorhand tot de conclusie leiden dat het openbaar ministerie ook thans niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. De rechtbank dient ter beoordeling van dit verweer allereerst op basis van de thans voorhanden zijnde stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting te onderzoeken of er sprake is van een situatie van overmacht. Daartoe overweegt de rechtbank het navolgende. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat verdachte voldoende inspanningen heeft verricht om aanknopingspunten te bieden om zijn identiteit en zijn nationaliteit vast te stellen door juiste en verifieerbare gegevens omtrent zijn persoon, dan wel zijn familie of verleden in [geboorteland] te verstrekken.

Indien verdachte wel deze gegevens zou hebben verstrekt, had dit moeten leiden tot de vaststelling van zijn identiteit en zijn nationaliteit. Daarbij heeft de rechtbank mede acht geslagen op de brief van 13 januari 2016 van [deskundige] , werkzaam als afdelingsmanager bij de DT&V en op haar verklaring ter terechtzitting als deskundige. Zij heeft verklaard dat indien van een persoon die stelt uit [geboorteland] te komen de juiste voor- en achternaam, geboortedatum en geboorteplaats worden verstrekt, deze persoon te traceren is in het bevolkingsregister van [geboorteland] .

Volgens de deskundige heeft [geboorteland] een goed werkend bevolkingsregister. Dit was reeds zo in 1992, het jaar waarin verdachte uit [geboorteland] stelt te zijn vertrokken. Voorts is gebleken dat verdachte gebruik heeft gemaakt van verschillende aliassen. Bij de Nederlandse overheid is hij onder negen verschillende combinaties van personalia bekend. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat dit deels aan verdachte te wijten is, aangezien verdachte volgens voornoemde brief van 13 januari 2016 op diverse formulieren verschillende personalia heeft ingevuld.

Ook heeft verdachte onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens omtrent zijn familie en zijn verleden in [geboorteland] verstrekt. Hij heeft geen exacte namen of geboortedata en geboorteplaatsen van zijn ouders in [geboorteland] genoemd. Hij heeft niet opgegeven waar hij voor het laatst heeft gewoond in [geboorteland] , waar hij naar school ging of wie zijn familieleden of buren waren in [geboorteland] . Met name door de nieuwe technologische ontwikkelingen, zoals het internet en met name Google Maps, zou het evenwel zeker mogelijk moeten zijn om concrete en verifieerbare gegevens omtrent zijn verleden in [geboorteland] te verstrekken.

Tevens heeft verdachte geweigerd zijn naam in het Arabisch aan de DT&V te verstrekken, terwijl daarnaast de deskundige ter terechtzitting heeft verklaard dat volgens de [geboorteland] autoriteiten “ [verdachte] ” geen Arabische naam betreft. Ten slotte heeft een taalanalyse uitgewezen dat verdachte te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap van [land 1] . Gelet op het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat verdachte zelf onvoldoende adequate pogingen heeft ondernomen om zijn verblijf in Nederland te beëindigen.

Het beroep op overmacht kan derhalve niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Of het vorenstaande gevolgen heeft voor de strafbaarheid van het feit komt hierna nog aan de orde. 4Bewijsoverwegingen 4.1 Inleiding De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 7 oktober 2015 te Den Haag een diefstal bij de Albert Heijn heeft gepleegd (feit 1) en dat hij op die dag als ongewenst vreemdeling in Den Haag heeft verbleven (feit 2). Met betrekking tot feit 2 zal de rechtbank achtereenvolgens bezien of verdachte op het moment van aanhouding in Den Haag was, of hij toen ongewenst was verklaard, of de grondslag hiervan rechtmatig was, en of verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij ten tijde van het feit ongewenst was verklaard+. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Met betrekking tot feit 1 heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte en de eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting. Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat – kort samengevat – verdachte wist dat hij bij beschikking van 5 oktober 2005 tot ongewenst vreemdeling was verklaard, aangezien deze beschikking in persoon aan hem is uitgereikt. Voorts is zij van mening dat deze beschikking, ook na de omzetting van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: de Terugkeerrichtlijn) in de Nederlandse wet, zijn rechtskracht is blijven houden.

Zij heeft daarbij verwezen naar het arrest Filev en Osmani van het Hof van Justitie van de Europese Unie d.d. 19 december 2013, waaruit kan worden afgeleid dat deze beschikking geacht moet worden voor vijf jaren te gelden, die gaan lopen op het moment dat de vreemdeling Nederland heeft verlaten. Nu verdachte in de periode na 2005 Nederland nog geen aaneengesloten periode van vijf jaren heeft verlaten, is de beschikking nog steeds geldig. Nu het hier om een geldigheidsduur van vijf jaren gaat, is toetsing aan het openbare orde-begrip uit artikel 11 lid 2 van de Terugkeerrichtlijn niet aan de orde.

Voor het overige zijn er naar de mening van de officier van justitie ook geen redenen om aan te nemen dat de beschikking in strijd is met enige rechtstreeks werkende bepalingen van het Europees Unierecht. 4.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich met betrekking tot feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, nu verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Naar zijn mening is de ongewenstverklaring uit 2005 evident in strijd met de Terugkeerrichtlijn, nu deze ongewenstverklaring voor onbepaalde duur is opgelegd en nadien nooit is gewijzigd, waardoor de termijn die in de Terugkeerrichtlijn en in het arrest Filev en Osmani van het Hof van Justitie van de Europese Unie d.d. 19 december 2013 wordt genoemd, is verstreken.

Ook is er naar zijn mening geen afdoende onderbouwing dat het vereiste actuele gevaar voor de openbare orde ernstig genoeg zou zijn. Daarbij heeft de raadsman verwezen naar een uitspraak van de Raad van State van 7 augustus 2015 (ECLI:NL:RvS:2015:2627) en naar artikel 8.22 lid 1 van het Vreemdelingenbesluit 2000. 4.4 De beoordeling van de tenlastelegging Ten aanzien van feit 1 De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, omdat verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend.

Voorts heeft verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van verdachte met betrekking tot het bewezen verklaarde geen vrijspraak bepleit. De rechtbank bezigt als bewijsmiddelen: de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 januari 2016; een proces-verbaal van aangifte, blz. 3 en 4; een geschrift, te weten een overzicht verwerkte mutaties, blz. 5; een proces-verbaal van bevindingen, blz.

13. Ten aanzien van feit 2 Was verdachte op het moment van aanhouding in Den Haag en was hij ongewenst verklaard? Op 7 oktober 2015 werd verdachte aangehouden in Den Haag. Bij beschikking van 5 oktober 2005 is verdachte tot ongewenst vreemdeling verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte op 7 oktober 2015 in Nederland was, terwijl hij ongewenst was verklaard. Was de grondslag van de ongewenstverklaring rechtmatig? De rechtbank stelt voorop dat de strafrechter in een geval als de onderhavige bij de beoordeling van de grondslag van de ongewenstverklaring slechts dient te toetsen of de beschikking tot ongewenstverklaring evident onrechtmatig is.

Enkel als evident is dat de vreemdeling niet ongewenst had mogen worden verklaard, of indien het besluit tot ongewenstverklaring achteraf teniet is gedaan, kan de strafrechter oordelen dat de grondslag van de ongewenstverklaring niet rechtmatig is. Ten aanzien van de vraag of in het onderhavige geval daarvan sprake is, overweegt de rechtbank het navolgende. Verdachte is tot ongewenst vreemdeling verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit besluit is, blijkens hetgeen door de raadsman van verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, door de hoogste bestuursrechter in stand gelaten.

In verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken geldt dat de strafrechter dient uit te gaan van de onherroepelijke beslissing van de bestuursrechter omtrent de beschikking tot ongewenstverklaring. Enkel onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken, indien de ongewenstverklaring evident in strijd is met Europees recht. In dit verband verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL2854).

Artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 luidt als volgt. “1. Tenzij afdeling 3 van toepassing is, kan Onze Minister de vreemdeling ongewenst verklaren: ….. c. indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l” Verdachte is nimmer in het bezit gesteld geweest van een vergunning tot verblijf. De ongewenstverklaring is uitgevaardigd vóór de datum van de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn en het verstrijken van de uiterste implementatiedatum.

De ongewenstverklaring wordt derhalve gelijkgesteld met een terugkeerbesluit dat tevens een inreisverbod behelst. Het inreisverbod is gebonden aan een maximale duur. In artikel 11 van de Terugkeerrichtlijn is – voor zover van belang – het navolgende bepaald: “1. Het terugkeerbesluit gaat gepaard met inreisverbod: a.

a) indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend, of b) indien niet aan de terugkeerverplichting is voldaan. In de overige gevallen kan het terugkeerbesluit een inreisverbod omvatten. 2 De duur van het inreisverbod wordt volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval bepaald, en bedraagt in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.” Gelet op deze bepalingen van de Terugkeerrichtlijn en de uitleg daarvan in het arrest van het Hof van Justitie EU d.d. 8 november 2013 (C-297/12) in de zaak Filev en Osmani, dient ervan uit te worden gegaan dat, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare orde, de duur van de ongewenstverklaring niet langer dan vijf jaren mag zijn.

Het vorenstaande is geïmplementeerd in de nationale wetgeving in artikel 66a, lid 4, van de Vreemdelingenwet 2000: “Het inreisverbod wordt gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.” In de Vreemdelingencirculaire 2000 zijn beleidsregels opgenomen als aanvulling op de Vreemdelingenwet 2000.

Van belang is het navolgende. Paragraaf A4/3.1 onder c van de Vreemdelingencirculaire 2000 luidt als volgt. “c. Ongewenstverklaring op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw De IND besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De IND beschouwt een vreemdeling als een gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw (http://wetten.overheid.nl/BWBR0011823/Hoofdstuk6/Afdeling4/Artikel67/geldigheidsdatum_19-01-2016) als hij wegens een misdrijf: is veroordeeld tot een gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie) of een taakstraf of vrijheidsontnemende maatregel opgelegd heeft gekregen en waarbij het (totale) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of vrijheidsontnemende maatregel ten minste één dag bedraagt; bij herhaling is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie) of bij herhaling een taakstraf, onvoorwaardelijke geldboete of vrijheidsontnemende maatregel opgelegd heeft gekregen, een transactieaanbod heeft aanvaard of een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen.” Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat evident is gebleken dat verdachte nooit ongewenst had mogen worden verklaard.

Uit zijn strafblad is gebleken dat verdachte in de jaren 2003 tot en met 2005 herhaaldelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, dan wel een onvoorwaardelijke geldboete. De conclusie van de IND dat verdachte een gevaar voor de openbare orde vormde, is dan ook niet in strijd met enige wettelijke bepaling. De rechtbank stelt vast dat verdachte niet wegens een ernstige bedreiging van de openbare orde ongewenst is verklaard. Er is dan ook geen sprake van een ongewenstverklaring voor de duur van langer dan vijf jaren en een rechterlijke toetsing van het begrip “ernstige bedreiging van de openbare orde”, zoals genoemd in artikel 11 lid 2 van de Terugkeerrichtlijn en in artikel 66a, lid 4, van de Vreemdelingenwet 2000, is niet aan de orde.

Het begrip “gevaar voor de openbare orde” in artikel 67, eerste lid onder c Vw 2000, zijnde de grond waarop verdachte ongewenst is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank geen equivalent van het begrip “ernstige bedreiging van de openbare orde”. Verdachte is ongewenst verklaard met toepassing van een nationaalrechtelijk openbare orde-criterium, dat niet wordt bestreken door het openbare orde-criterium uit de Terugkeerrichtlijn. Dit betekent dat het arrest van het Hof van Justitie EU d.d. 11 juni 2015 (zaak C-554/13) en de uitleg daarvan in het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 17 november 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4751) in het onderhavige geval toepassing missen.

Het verweer van de raadsman dat de ongewenstverklaring niet meer geldig is, wordt verworpen, reeds omdat niet is gebleken dat verdachte in de periode na 2005 Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. De beschikking is derhalve nog steeds geldig. Ook een beroep op artikel 8.22 lid 1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan niet slagen nu verdachte niet onder het bereik van deze bepaling valt. Deze bepaling heeft blijkens artikel 8.7 van dit besluit betrekking op – kort gezegd – vreemdelingen die de nationaliteit van de Europese Unie bezitten, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven, en op bepaalde familieleden van deze vreemdeling, waarbij getoetst dient te worden of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat het feit dat aan verdachte een vertrektermijn is onthouden, dan wel dat deze vertrektermijn is verkort, de geldigheid van de ongewenstverklaring niet aantast. Een ongewenstverklaring of een inreisverbod is immers niet gekoppeld aan een vertrektermijn. Dit zou anders zijn als binnen de vertrektermijn waarover discussie bestaat, een vervolging ter zake artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht jegens verdachte is aangevangen. De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat de grondslag van de ongewenstverklaring rechtmatig is.

Wist verdachte of had hij ernstige redenen om te vermoeden dat hij ongewenst was? De beschikking van de IND d.d. 5 oktober 2005 is op 18 oktober 2005 aan verdachte in persoon uitgereikt, waarbij de strekking van het besluit in de Nederlandse taal aan verdachte is meegedeeld. Verdachte heeft voor ontvangst getekend. De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van deze informatie. Uit een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 oktober 2015 betreffende verdachte blijkt dat hij in het verleden diverse malen is vervolgd ter zake van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte wist dus dat hij ongewenst was verklaard. Conclusie Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte op 7 oktober 2015 als ongewenst vreemdeling in Den Haag heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij ongewenst was verklaard. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

1. op 7 oktober 2015 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen blikjes Bacardi Cola en een blikje Smirnoff Ice en blikjes Bacardi Razz & Up en blikjes William Lawson Cola, toebehorende aan Albert Heijn B.V.

2. op 7 oktober 2015 te 's-Gravenhage als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde 5.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op overmacht toekomt.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat – kort samengevat – verdachte geen verwijt van zijn illegale verblijf in Nederland kan worden gemaakt omdat hij niet door de Nederlandse staat uitgezet kan worden en zelf al het mogelijke heeft gedaan om zijn illegale verblijf in Nederland te beëindigen. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op overmacht toekomt, nu zij van mening is dat verdachte geen adequate pogingen heeft gedaan om zijn verblijf in Nederland te beëindigen. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Op een ongewenst verklaarde rust in beginsel de plicht om Nederland te verlaten en te vertrekken naar zijn land van herkomst of een derde land.

Van overmacht is slechts sprake indien verdachte aannemelijk heeft gemaakt dat hij alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde aan zijn verplichting om Nederland te verlaten te voldoen. Een positieve inzet en oprechte pogingen gericht op vertrek van de kant van verdachte zijn vereist. Bij een verwerping van het beroep op overmacht is het aan de rechtbank om aan te geven welke inspanningen van verdachte hadden kunnen worden verwacht en of van dergelijke inspanningen, al dan niet met ondersteuning van de Nederlandse overheid, redelijkerwijs enig resultaat was te verwachten (Hoge Raad 1 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5627).

Een beroep op overmacht dient ex tunc te worden getoetst. Zoals reeds onder 3.3. overwogen is het naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte alles in het werk heeft gesteld om aan zijn verplichting om Nederland te verlaten te voldoen. De rechtbank verwijst daarbij kortheidshalve naar wat reeds onder 3.3. is overwogen. Het beroep op overmacht wordt daarom verworpen. Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op: ten aanzien van feit 1 diefstal; ten aanzien van feit 2 als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

6De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 7De strafoplegging 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes weken wordt opgelegd. Zij is van mening dat de stappen van de Terugkeerrichtlijn door de Nederlandse Staat zijn doorlopen, zodat er niets is dat aan de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de weg staat. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met het feit dat hij spijt heeft. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dergelijke feiten veroorzaken veel schade en ergernis. Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, door in Nederland te verblijven terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard en het hem niet was toegestaan om in Nederland te zijn. Het overheidsbeleid met betrekking tot ongewenst verklaarde vreemdelingen is ingesteld ter bescherming van de openbare orde.

Verdachte heeft dit beleid gefrustreerd met zijn handelen. Uit een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 oktober 2015, betreffende verdachte, blijkt dat verdachte in het verleden meerdere malen veroordeeld is geweest voor vermogensdelicten. Hij is echter in 2006 laatstelijk is veroordeeld voor overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op de het feit dat deze veroordeling van een tijd terug is, zal de rechtbank verdachte als first offender ter zake van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht beschouwen.

De rechtbank heeft acht geslagen op de bepalingen in de Terugkeerrichtlijn en op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie d.d. 6 december 2011 (C-329/11, Achughbabian, ECLI:EU:C:2011:807). Daaruit volgt dat de Terugkeerrichtlijn zich er niet tegen verzet dat op grond van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een tot ongewenst vreemdeling verklaarde onderdaan van een derde land in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn op wie de bij die richtlijn voorziene terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal in Nederland verblijft.

Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is evenwel strijdig met de Terugkeerrichtlijn indien de stappen van de in de Terugkeerrichtlijn vastgelegde terugkeerprocedure nog niet zijn doorlopen. Het is aan de rechter die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wil opleggen voor handelen in strijd met artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, om zich ervan te vergewissen dat alle stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen en hiervan in zijn motivering van zijn beslissing blijk te geven (Hoge Raad 21 mei 2913, ECLI:NL:HR:2013:BY3151).

Naar het oordeel van de rechtbank zijn, gelet op het sfeer proces-verbaal, door de Staat alle stappen van de terugkeerprocedure in de onderhavige zaak doorlopen. Verdachte heeft diverse malen in vreemdelingenbewaring gezeten, voor het laatst in 2014, en is meerdere keren bij zowel de [geboorteland] als de [land 1] vertegenwoordiging gepresenteerd. Uit een taalanalyse is gebleken dat verdachte eenduidig te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen [land 1] . Een dactyloscopisch onderzoek ter vaststelling van de identiteit en nationaliteit, verricht in de landen binnen de Europese Unie, in [land 2] , [geboorteland] en [land 1] , heeft geen resultaat opgeleverd.

Tot een laissez-passer heeft dit alles niet geleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de overheid gedaan wat tot dusver mogelijk was om verdachte uit te zetten. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de Terugkeerrichtlijn zich niet verzet tegen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank neemt als uitgangspunt bij de op te leggen straf dat blijkens de oriëntatiepunten die zijn opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden als passend en geboden wordt gezien bij first offenders.

De rechtbank ziet geen redenen om daarvan af te wijken. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van korte duur passend voor de bewezen verklaarde winkeldiefstal. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de ernst van het bewezen verklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking komen in de door de officier van justitie gevorderde straf. Het is op deze grond dat de rechtbank de hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden.

8De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 57, 197 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9De beslissing

De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1 diefstal; ten aanzien van feit 2 als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard; verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) WEKEN.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Eisses, voorzitter, mr. A.P. Pereira Horta, rechter, mr. C. Fetter, rechter, in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 februari 2016. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015294058, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, (doorgenummerd blz. 1 t/m 29).

Proces-verbaal van aanhouding door burger, blz.

7. Een geschrift, te weten een kopie van een beschikking, blz. 15-18. Een geschrift, te weten een kopie van een beschikking, blz. 15-18. Proces-verbaal sfeer, blz.

25. Een geschrift, te weten een kopie van een uitreikingsblad, blz. 14.